RECHTBANK NOORD-HOLLAND
Familie & Jeugd
Locatie Haarlem
Meervoudige kamer jeugdstrafzaken
Parketnummer: 15/330828-24, 15/190208-24 en 15/117235-25
Uitspraakdatum: 10 september 2025
Tegenspraak
Vonnis (P)
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting met gesloten deuren van 27 augustus 2025 in de zaak tegen:
[de verdachte] ,
geboren op [geboortedatum] te [plaats] ( [land] ),
ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres [adres] .
De rechtbank heeft de zaken, die bij afzonderlijke dagvaardingen onder de bovenvermelde parketnummers zijn aangebracht, gevoegd.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie,
[de OvJ] en van wat de verdachte en mr. D.E. de Boer, de waarnemer van zijn raadsvrouw, mr. J.J.C. Engels, naar voren hebben gebracht.
Ook waren aanwezig [vertegenwoordiger van de raad] namens de Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de Raad) en [vertegenwoordiger van de jeugdreclassering] namens de William Schrikker Stichting Jeugdbescherming en Jeugdreclassering te Amsterdam (hierna: de jeugdreclassering).
Verder was aanwezig de moeder van de verdachte, bijgestaan door een tolk Arabisch (Syrisch-Libanees). Daarnaast was aanwezig, [persoon] , werkzaam bij de [jeugdhulpverlener] . Tot slot was aanwezig de benadeelde partij [de benadeelde partij 1] , bijgestaan door haar advocaat, mr. J.A. van der Lem en haar ouders.
1. Tenlastelegging
Aan de verdachte is onder 15/330828-24 ten laste gelegd dat:
1. hierna: feit 1)
hij op of omstreeks 14 oktober 2024 te Heiloo met een kind in de leeftijd van twaalf tot zestien jaren, te weten [de benadeelde partij 1] , een of meer seksuele handelingen die bestonden uit of mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam heeft verricht, te weten- het zich door die [de benadeelde partij 1] laten pijpen en/of- het met zijn, verdachtes, hand en/of vinger(s) binnendringen in de vagina van die [de benadeelde partij 1] en/of het betasten van de vagina van die [de benadeelde partij 1] en/of- het zoenen van die [de benadeelde partij 1] en/of- het brengen van zijn, verdachtes, penis in de vagina van die [de benadeelde partij 1] en/of (vaginale) gemeenschap hebben met die [de benadeelde partij 1] ,
en welke verkrachting werd voorafgaan door, vergezeld van en/of gevolgd door dwang, geweld en/of bedreiging, door- tegen die [de benadeelde partij 1] te zeggen ‘kom het bos in’ en/of ‘nu ben ik nog aardig, je wil niet de verkeerde kant van mij zien’ en/of- onverhoeds die [de benadeelde partij 1] op te tillen en mee de bosjes in te nemen en/of- voor die [de benadeelde partij 1] te gaan staan en/of- die [de benadeelde partij 1] te dwingen op haar knieën te gaan zitten en/of- die [de benadeelde partij 1] vast te pakken en/of om te draaien en/of- onverhoeds de broek van die [de benadeelde partij 1] naar beneden te trekken en/of- die [de benadeelde partij 1] naar voren te duwen en/of de onderbroek van die [de benadeelde partij 1] opzij te schuiven en/of- (opnieuw) die [de benadeelde partij 1] vast te pakken en/of om te draaien en/of- die [de benadeelde partij 1] onverhoeds te zoenen en/of- (opnieuw) die [de benadeelde partij 1] vast te pakken en/of om te draaien en/of voorover te buigen;
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:hij op of omstreeks 14 oktober 2024 te Heiloo met een persoon, te weten [de benadeelde partij 1] , een of meer seksuele handelingen die bestonden uit of mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam heeft verricht, te weten- het zich door die [de benadeelde partij 1] laten pijpen en/of- het met zijn, verdachtes, hand en/of vinger(s) binnendringen in de vagina van die [de benadeelde partij 1] en/of het betasten van de vagina van die [de benadeelde partij 1] en/of- het zoenen van die [de benadeelde partij 1] en/of- het brengen van zijn, verdachtes, penis in de vagina van die [de benadeelde partij 1] en/of (vaginale) gemeenschap hebben met die [de benadeelde partij 1] ,
terwijl hij, verdachte, wist dat bij die [de benadeelde partij 1] daartoe de wil ontbrak en welke opzetverkrachting werd voorafgaan door, vergezeld van en/of gevolgd door dwang, geweld en/of bedreiging, door- tegen die [de benadeelde partij 1] te zeggen ‘kom het bos in’ en/of ‘nu ben ik nog aardig, je wil niet de verkeerde kant van mij zien’ en/of- onverhoeds die [de benadeelde partij 1] op te tillen en mee de bosjes in te nemen en/of- voor die [de benadeelde partij 1] te gaan staan en/of- die [de benadeelde partij 1] te dwingen op haar knieën te gaan zitten en/of- die [de benadeelde partij 1] vast te pakken en/of om te draaien en/of- onverhoeds de broek van die [de benadeelde partij 1] naar beneden te trekken en/of- die [de benadeelde partij 1] naar voren te duwen en/of de onderbroek van die [de benadeelde partij 1] opzij te schuiven en/of- (opnieuw) die [de benadeelde partij 1] vast te pakken en/of om te draaien en/of- die [de benadeelde partij 1] onverhoeds te zoenen en/of- (opnieuw) die [de benadeelde partij 1] vast te pakken en/of om te draaien en/of voorover te buigen;
Aan de verdachte is, na wijziging van de tenlastelegging, onder 15/190208-24 ten laste gelegd dat:
1. hierna: feit 2)
hij op of omstreeks 29 februari 2024 te Alkmaar één fiets, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [de benadeelde partij 2] , in elk geval aan een ander toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen;
2. ( hierna: feit 3)hij op of omstreeks 3 maart 2024 te Castricum één telefoon, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [de benadeelde partij 3] , in elk geval aan een ander toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen;
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
hij op of omstreeks 3 maart 2024 te Castricum opzettelijk een telefoon, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [de benadeelde partij 3] , in elk geval aan een ander of anderen dan verdachte en welk goed verdachte ter beoordeling van de voorgenomen koop had aangenomen onder gehoudenheid om, alvorens de woning te verlaten voornoemd goed te betalen, en aldus dat goed anders dan door misdrijf onder zich had, wederrechtelijk zich heeft toegeëigend;
3. ( hierna: feit 4)hij op of omstreeks 27 februari 2024 te Heiloo tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, één telefoon, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [de benadeelde partij 4] , in elk geval aan een ander dan aan verdachte en/of zijn mededader(s)toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen;
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
[de medeverdachte 1] op of omstreeks 27 februari 2024 te Heiloo, één telefoon, in elk geval enig goed, dat geheel of ten dele toebehoorde dan aan een ander dan die [de medeverdachte 1] , te weten aan [de benadeelde partij 4] , heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf en/of andere deelnemers aan dat misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, opzettelijk behulpzaam is geweest en/of opzettelijk gelegenheid, middelen en/of inlichtingen heeft verschaft, door die [de benadeelde partij 4] van [de medeverdachte 1] af te trekken en/of duwen;
Aan de verdachte is onder parketnummer 15/117235-25 ten laste gelegd dat:
1. hierna: feit 5)
hij op of omstreeks 12 oktober 2024 te Heiloo openlijk, te weten, het park gelegen tussen [plaats] , in elk geval op of aan de openbare weg en/of op een voor het publiek toegankelijke plaats, in vereniging geweld heeft gepleegd tegen- een persoon, te weten [de benadeelde partij 5] , door één of meerdere malen in/op/tegen het gezicht, althans het hoofd te slaan;
2. ( hierna: feit 6)hij op of omstreeks 12 oktober 2024 te Heiloo [de benadeelde partij 6] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling, door die [de benadeelde partij 6] dreigend de woorden toe te voegen “kankerleijer, ik ga je vrouw verkrachten en je dochters, kankerleijer, ik ga je steken en in elkaar slaan.”, althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking;
3. ( hierna: feit 7)hij in of omstreeks 27-09-2024 te Heiloo [de benadeelde partij 7] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling, door die [de benadeelde partij 7] dreigend de woorden toe te voegen “Of je gaat komen vandaag of op me moeder je gaat dood geslagen worden want we zijn helemaal klaar met jou praatjes pa.”, althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking.
2. Voorvragen
De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.
3. Beoordeling van het bewijs
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van de feiten 1 primair, 2, 3 subsidiair, 4 subsidiair, 5, 6 en 7.
Standpunt van de verdediging
De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de verdachte ten aanzien van feit 1 primair (partieel) dient te worden vrijgesproken wegens onvoldoende wettig en overtuigend bewijs ten aanzien van de ten laste gelegde gedragingen bij de eerste, tweede en vierde gedachtestrepen, alsmede van de gekwalificeerde dwang. Er is sprake van uiteenlopende en tegenstrijdige verklaringen van de aangeefster en de verdachte en de verklaringen van aangeefster vinden onvoldoende steun in het dossier. De getuigenverklaring van [de getuige] bevat een verklaring die uitsluitend de verklaring van de aangeefster de auditu bevestigt en het dossier bevat geen objectief belastend bewijs. Daarnaast is de enkele opmerking dat de verdachte signalen dat de aangeefster het niet zou willen heeft genegeerd, ontoereikend voor het vaststellen van gekwalificeerde dwang.
Ten aanzien van feit 1 subsidiair stelt de verdediging dat de verdachte dient te worden vrijgesproken wegens het ontbreken van (voorwaardelijk) opzet. Er is geen betrouwbaar ondersteunend bewijs waaruit blijkt dat de verdachte bewust een grens van de aangeefster heeft overschreden of signalen die zij heeft afgegeven heeft genegeerd.
Ten aanzien van feit 2 stelt de verdediging dat de verdachte dient te worden vrijgesproken, omdat de camerabeelden van onvoldoende kwaliteit zijn voor een betrouwbare herkenning van de verdachte.
Ten aanzien van feit 3 primair stelt de verdediging dat het feit wettig en overtuigend bewezen verklaard kan worden.
Ten aanzien van feit 4 primair en subsidiair en feit 5 stelt de verdediging dat de verdachte dient te worden vrijgesproken wegen het ontbreken van opzet.
Ten aanzien van feit 6 stelt de verdediging dat de verdachte dient te worden vrijgesproken wegens het ontbreken van wettig en overtuigend bewijs.
Tot slot heeft de verdediging zich ten aanzien van feit 7 gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.
Oordeel van de rechtbank
Vrijspraak feit 2 De rechtbank is van oordeel dat in het strafrecht behoedzaam moet worden omgegaan met herkenningen van personen op foto’s en camerabeelden, zeker in de gevallen wanneer dit het enige bewijsmiddel voor de betrokkenheid van de verdachte bij het ten laste gelegde feit betreft. Om de betrouwbaarheid te toetsen dient nagegaan te worden of het beeldmateriaal op basis waarvan de herkenning heeft plaatsgevonden voldoende duidelijk is om een valide herkenning op te kunnen baseren. Gebleken is dat de herkenningen hebben plaatsgevonden op basis van stills van bewegende beelden. Deze stills zijn toegevoegd aan het dossier. De rechtbank is van oordeel dat de stills van dusdanig slechte kwaliteit zijn dat de herkenningen onvoldoende betrouwbaar worden geacht.
Gelet op het voorgaande is naar het oordeel van de rechtbank dan ook niet wettig en overtuigend bewezen wat de verdachte als feit 2 ten laste is gelegd en moet hij daarvan worden vrijgesproken.
Vrijspraak feit 4 Op basis van het dossier en het behandelde ter zitting kan niet worden vastgesteld dat de verdachte opzet had op het medeplegen van dan wel medeplichtigheid bij de diefstal van de telefoon. Hoewel de verdachte wel behulpzaam is geweest op het moment dat de medeverdachte [de medeverdachte 1] probeerde te ontkomen aan de aangever, is niet gebleken dat de verdachte wetenschap had van de daaraan voorafgaande diefstal gepleegd door de medeverdachte [de medeverdachte 1] . Aldus is onvoldoende komen vast te staan dat de verdachte opzettelijk behulpzaam is geweest bij de diefstal. De verdachte heeft immers verklaard dat hij enkel behulpzaam is geweest, omdat hij in de veronderstelling was dat de medeverdachte werd aangevallen. Het voorgaande vindt steun in de verklaring van de medeverdachte dat de verdachte niets heeft gedaan.
Reeds gelet op het voorgaande is naar het oordeel van de rechtbank dan ook niet wettig en overtuigend bewezen wat de verdachte als feit 4 primair en subsidiair ten laste is gelegd en moet hij daarvan worden vrijgesproken.
Redengevende feiten en omstandigheden
De rechtbank komt tot bewezenverklaring van de ten laste gelegde feiten 1 primair, 3 primair, 5, 6 en 7 op grond van de bewijsmiddelen die in de bijlage bij dit vonnis zijn vervat.
Bewijsmotivering feit 1 primair
De eerste vraag die de rechtbank, gelet op het verweer van de verdediging, dient te beantwoorden is of de verklaring van de aangeefster als betrouwbaar, geloofwaardig en consistent aangemerkt kan worden. De rechtbank beantwoordt deze vraag bevestigend. De aangeefster heeft namelijk direct na het ten laste gelegde feit, zowel tijdens het informatief gesprek als de aangifte een uitgebreide verklaring afgelegd. Daarbij heeft zij eenduidig, gedetailleerd en consistent verklaard over het algehele verloop van die avond alsmede de feiten en omstandigheden waaronder de seksuele handelingen – zoals die ook zijn ten laste gelegd – hebben plaatsgevonden.
De volgende vraag die de rechtbank dient te beantwoorden is of voldaan is aan het bewijsminimum, zoals bepaald in artikel 342, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv). Anders gezegd: is er voldoende steunbewijs ter ondersteuning van de beschuldiging van de aangeefster. In een zedenzaak als de onderhavige, is niet vereist dat de ontuchtige handelingen waarover de aangeefster verklaart als zodanig bevestiging vinden in andere bewijsmiddelen, maar is het afdoende dat die verklaring op bepaalde punten bevestigd wordt door andere bewijsmiddelen, afkomstig van een andere bron. Deze bewijsmiddelen dienen voldoende steun te geven aan de verklaring van de aangeefster. Dat wil zeggen dat het steunbewijs op relevante wijze in verband dient te staan met de inhoud van de verklaring van de aangeefster, zodat die verklaring niet op zichzelf staat, maar als het ware is ingebed in een concrete context die bevestiging vindt in een andere bron. Bovendien mag er niet een te ver verwijderd verband bestaan tussen de verklaringen van de aangeefster en het overige gebruikte bewijsmateriaal.
Zoals eerder overwogen heeft de aangeefster direct een uitgebreide verklaring afgelegd. Uit de aangifte blijkt dat de aangeefster achterop de fiets zat bij de verdachte en dat de verdachte uiteindelijk stopte en tegen de aangeefster heeft gezegd dat zij het bos in moest komen en dat hij nu nog aardig was en dat zij niet de verkeerde kant van hem wilde zien. De verdachte heeft haar toen opgetild en meegenomen naar de bosjes, waar hij voor haar is gaan staan waardoor zij niet weg kon en haar heeft gezoend. Vervolgens moest de aangeefster van hem op haar knieën zitten en hem pijpen, terwijl zij had aangegeven dat zij dit niet wilde en dat zij naar huis moest. Nadat de aangeefster was gestopt, heeft hij haar vastgepakt en omgedraaid, en vervolgens haar broek naar beneden getrokken, haar onderbroek opzij geschoven en haar voorovergebogen, waarna hij haar vingers in haar vagina heeft gebracht. De verdachte heeft haar hierna opnieuw vastgepakt, omgedraaid en voorovergebogen, en vervolgens zijn geslachtsdeel in haar vagina gebracht.
Deze verklaringen vinden allereerst steun in het proces-verbaal van bevindingen van twee verbalisanten, die haar kort hierna hebben gezien en gesproken. De verbalisanten hebben namelijk omschreven dat de aangeefster rode ogen en tranen op haar wangen had en bij haar moeder op schoot zat. Op dat moment heeft de aangeefster ook kort een verklaring afgelegd die in grote lijnen overeenkomt met de aangifte, te weten dat sprake is geweest van seks en het oraal bevrediging van de verdachte.
Daarnaast vindt de verklaring van de aangeefster steun in de verklaring van de verdachte bij de rechter-commissaris, waar hij bekent dat sprake is geweest van zoenen en penetreren. Ter zitting is de verdachte teruggekomen op deze verklaring en stelt hij dat hij bij de rechter-commissaris een druk voelde om – naar de rechtbank begrijpt – sociaal wenselijke antwoorden te geven.
De rechtbank acht echter niet aannemelijk dat bij de verdachte sprake is geweest van de gestelde druk en evenmin dat die druk heeft geleid tot het verklaren bij de rechter-commissaris over niet alleen zoenen, maar ook “neuken”. De verdachte heeft namelijk bij de aanvang van het verhoor bij de rechter-commissaris aangegeven dat hij een toevoeging heeft op zijn verklaring bij de politie, omdat hij heeft nagedacht over dingen die hij bij het verhoor bij de politie aanvankelijk niet goed meer wist omdat hij onder invloed was. Daarbij komt dat hem door de rechter-commissaris is gevraagd om uit te leggen wat er is gebeurd, waarop hij heeft aangegeven: ‘Iets met seks’. ‘Hoe zeg je dat. Neuken’. Opvallend hierbij is dat hij ook details heeft gegeven over waar en hoe de seksuele handelingen hebben plaatsgevonden, namelijk in de buurt van bomen en dat ze allebei stonden, wat overeenkomt met de verklaring van de aangeefster. De rechtbank gaat dan ook uit van de verklaring die de verdachte bij de rechter-commissaris heeft afgelegd en stelt vast dat deze verklaring de verklaringen van de aangeefster op bepaalde relevante onderdelen bevestigt.
Gelet op voorgaande is de rechtbank dan ook van oordeel dat is voldaan aan de toepasselijke maatstaf van steunbewijs in artikel 342, lid 2, Sv, te weten de verklaring van de verdachte bij de rechter-commissaris en de bevindingen van de verbalisanten.
Het door de verdediging gestelde verweer dat geen sprake is geweest van dwang is een bewijsverweer dat door de inhoud van de verklaring van de aangeefster, die de rechtbank in volle omvang tot uitgangspunt neemt, wordt weerlegd. De rechtbank ziet geen enkele aanleiding voor twijfel op deze specifieke punten van haar verklaring.
De rechtbank is dan ook van oordeel dat wat de verdachte als feit 1 primair ten laste is gelegd wettig en overtuigend bewezen verklaard kan worden.
Bewezenverklaring
De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de ten laste gelegde feiten 1 primair, 3 primair, 5, 6 en 7 heeft begaan, met dien verstande dat
feit 1:
hij op 14 oktober 2024 te Heiloo met een kind in de leeftijd van twaalf tot zestien jaren, te weten [de benadeelde partij 1] , seksuele handelingen die bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam heeft verricht, te weten- het zich door die [de benadeelde partij 1] laten pijpen en- het met zijn, verdachtes, vingers binnendringen in de vagina van die [de benadeelde partij 1] en - het zoenen van die [de benadeelde partij 1] en- het brengen van zijn, verdachtes, penis in de vagina van die [de benadeelde partij 1] ,
en welke verkrachting werd voorafgaand door en vergezeld van dwang, door- tegen die [de benadeelde partij 1] te zeggen ‘kom het bos in’ en ‘nu ben ik nog aardig, je wil niet de verkeerde kant van mij zien’ en- onverhoeds die [de benadeelde partij 1] op te tillen en mee de bosjes in te nemen en- voor die [de benadeelde partij 1] te gaan staan en- die [de benadeelde partij 1] te dwingen op haar knieën te gaan zitten en- die [de benadeelde partij 1] vast te pakken en om te draaien en- onverhoeds de broek van die [de benadeelde partij 1] naar beneden te trekken en- die [de benadeelde partij 1] naar voren te duwen en de onderbroek van die [de benadeelde partij 1] opzij te schuiven en- opnieuw die [de benadeelde partij 1] vast te pakken en om te draaien en- die [de benadeelde partij 1] onverhoeds te zoenen en- opnieuw die [de benadeelde partij 1] vast te pakken en om te draaien en voorover te buigen;
feit 3:hij op 3 maart 2024 te Castricum één telefoon, die aan [de benadeelde partij 3] toebehoorde heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen;
feit 5:
hij op 12 oktober 2024 te Heiloo openlijk, te weten, het park gelegen tussen [plaats] , in vereniging geweld heeft gepleegd tegen [de benadeelde partij 5] , door meerdere malen in en tegen het gezicht te slaan;
feit 6:hij op 12 oktober 2024 te Heiloo [de benadeelde partij 6] heeft bedreigd met zware mishandeling, door die [de benadeelde partij 6] dreigend de woorden toe te voegen “kankerleijer, ik ga je steken en in elkaar slaan.”, althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking;
feit 7:hij op omstreeks 27 september 2024 te Heiloo [de benadeelde partij 7] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, door die [de benadeelde partij 7] dreigend de woorden toe te voegen “Of je gaat komen vandaag of op me moeder je gaat dood geslagen worden want we zijn helemaal klaar met jou praatjes pa.”.
De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten zijn verbeterd. Blijkens het verhandelde op de terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in zijn verdediging.
Hetgeen aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hier als bewezen is aangenomen, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.
4. Kwalificatie en strafbaarheid van de feiten
Het bewezenverklaarde levert op:
15/330828-24
Feit 1 primair: gekwalificeerde verkrachting in de leeftijdscategorie van twaalf tot zestien jaren.
15/190208-24
Feit 3 primair: diefstal;
15/117235-25
Feit 5: openlijk in vereniging geweld plegen tegen een persoon;
Feit 6: bedreiging met zware mishandeling;
Feit 7: bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht.
Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden waardoor de wederrechtelijkheid aan het bewezenverklaarde zou ontbreken. Het bewezenverklaarde is derhalve strafbaar.
5. Strafbaarheid van de verdachte
Pro Justitia psychologisch onderzoeksrapport
Met betrekking tot de persoon van de verdachte heeft de rechtbank kennisgenomen van het
Pro Justitia psychologisch onderzoeksrapport van 11 maart 2025, opgesteld door [GZ-psycholoog]
, GZ-psycholoog, met betrekking tot parketnummers 15/330828-24 en 15/190208-24. Dit psychologisch onderzoeksrapport houdt, onder meer, het volgende in.
Bij de verdachte is sprake van een normoverschrijdende gedragsstoornis in lichte mate en middelenmisbruik (in remissie), waardoor hij makkelijker over grenzen van anderen heengaat zonder zich hierin geremd te voelen. Meer specifiek hebben zijn tekortschietende gewetensfuncties, gebrekkige impulscontrole en tekortschietende emotiesregulatie een rol gespeeld ten tijde van de tenlastegelegde feiten 1, 2, 3 en 4.
De beperkte cognitieve vermogens zijn niet van dien aard dat hij geen weet had kunnen hebben van het ontoelaatbare van zijn gedrag ten tijde van de gepleegde feiten.
Bij de ten laste gelegde feiten 2, 3 en 4 (diefstallen) is sprake geweest van een duidelijke planning voorafgaand, waardoor ondanks de geconstateerde stoornissen, de verdachte volledig toerekeningsvatbaar wordt geacht.
Bij het ten laste gelegde feit 1 (verkrachting) heeft het forse middelenmisbruik luxerend gewerkt op de tekortschietende gewetensfuncties en gebrekkige impulscontrole van de verdachte. Geadviseerd wordt om het ten laste gelegde in licht verminderde mate aan de verdachte toe te rekenen.
De rechtbank neemt de bevindingen en conclusies van de deskundige over en maakt deze tot
de hare.
Het voorgaande psychologisch onderzoeksrapport ziet niet op de ten laste gelegde feiten onder parketnummer 15/117235-25 (feiten 5, 6 en 7). Gelet op de onderbouwing met betrekking tot de toerekenbaarheid van de verdachte ten tijde van deten laste gelegde feiten 5, 6 en 7, te weten de luxerende werking van het middelenmisbruik op de tekortschietende gewetensfuncties en gebrekkige impulscontrole van de verdachte, is de rechtbank van oordeel dat de bewezenverklaarde feiten 5, 6 en 7 de verdachte ook in licht verminderde mate toegerekend kunnen worden.
Strafuitsluitingsgrond
De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de verdachte van het ten laste gelegde feit 1 primair dient te worden ontslagen van alle rechtsvervolging op grond van de strafuitsluitingsgrond in artikel 248, lid 3, Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr). De verdediging wijst er daartoe op dat sprake was van een gering leeftijdsverschil, vrijwillige gedragingen en dat er geen sprake was van dwang of ongelijkwaardigheid.
In artikel 248, lid 3, Sr is bepaald dat niet strafbaar is degene die als leeftijdsgenoot de in het eerste lid bedoelde gedragingen begaat in het kader van een gelijkwaardige situatie tussen diegene en dat kind. De rechtbank stelt daartoe vast dat deze strafuitsluitingsgrond uitsluitend geldt voor degene die een leeftijdsgenoot is van de persoon in de leeftijd van twaalf tot zestien met wie het seksuele contact plaatsvindt. Onder leeftijdsgenoot wordt een persoon met een gering leeftijdsverschil verstaan. Een voorwaarde voor een beroep op de strafuitsluitingsgrond is dat sprake is van een gelijkwaardige situatie tussen betrokkenen. Volgens de wetsgeschiedenis en jurisprudentie kunnen hierbij onder meer de volgende factoren relevant zijn: het leeftijdsverschil tussen betrokkenen, of sprake was van vrijwilligheid bij betrokkenen, of betrokkenen een (seksuele) relatie hadden en de aard van de seksuele handelingen. De wetgever heeft deze expliciete strafuitsluitingsgrond in de nieuwe zedenwetgeving opgenomen om ruimte te bieden aan normaal seksueel experimenteergedrag tussen leeftijdsgenoten. Hiermee wordt aangesloten bij de huidige jurisprudentie inzake consensueel seksueel contact tussen jongeren.
Gelet op het dossier en wat is overwogen onder 3.3.4. is de rechtbank van oordeel dat geen sprake is van een vrijwillige seksuele relatie tussen leeftijdsgenoten. De rechtbank komt (immers) tot bewezenverklaring van dwang, zodat de strafuitsluitingsgrond van artikel 248, lid 3, Sr niet van toepassing is.
conclusie
Gelet op het Pro Justitia psychologisch onderzoeksrapport en het ontbreken van een strafuitsluitingsgrond, is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte (geheel) uitsluit. Dat betekent dat de verdachte strafbaar is.
6. Motivering van de sancties
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte zal worden veroordeeld tot een jeugddetentie van 197 dagen, waarvan 180 dagen voorwaardelijk, met aftrek van de tijd die hij in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, met een proeftijd van twee jaren onder de algemene en bijzondere voorwaarden zoals geadviseerd door de Raad, behoudens de contactverboden met de slachtoffers.
Tevens heeft de officier van justitie gevorderd dat de verdachte zal worden veroordeeld tot een taakstraf in de vorm van een werkstraf voor de duur van 100 uren.
Tot slot heeft de officier van justitie gevorderd om vrijheidsbeperkende maatregelen op te leggen, inhoudende een contactverbod met [de benadeelde partij 1] alsmede een locatiegebod voor [plaats] , [plaats] en [plaats] , met een proeftijd van twee jaren, te vervangen door twee weken jeugddetentie per overtreding tot maximaal zes maanden.
Standpunt van de verdediging
De verdediging sluit zich aan bij de adviezen van de Raad en uit het Pro Justitiarapport. Zij bepleit deze adviezen te volgen en een geheel voorwaardelijke jeugddetentie op te leggen met de door de Raad geadviseerde bijzondere voorwaarden.
Daarnaast stelt de verdediging dat bij feiten 2, 3 en 4 sprake is van overschrijding van de redelijke termijn met twee maanden.
Oordeel van de rechtbank
Inleiding
Bij de beslissing over de sancties die aan de verdachte moeten worden opgelegd, heeft de rechtbank zich laten leiden door de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, alsmede de persoon van de verdachte, zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.
Ernst van het feit
In het bijzonder overweegt de rechtbank dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan
het verkrachten van een [leeftijd] meisje. De verdachte heeft het slachtoffer opgetild en meegenomen richting de bosjes, waar hij voor haar is gaan staan, waardoor zij niet weg kon. Hij heeft haar vervolgens gezoend en gedwongen om op haar knieën te zitten en hem oraal te bevredigen. Daarna heeft hij haar vastgepakt, haar broek naar beneden getrokken en zijn vingers in haar vagina gebracht. Vervolgens begon hij haar te zoenen en uiteindelijk heeft hij haar voorovergebogen en gepenetreerd. Het slachtoffer heeft hierbij meermaals aangegeven dat zij het niet wilde en naar huis moest. Desondanks is de verdachte door blijven gaan met zijn handelingen en heeft hij zelfs aangegeven dat zij mee moest werken. De rechtbank neemt het de verdachte kwalijk dat hij door zo te handelen een inbreuk heeft gemaakt op de lichamelijke en psychische integriteit van het slachtoffer, onvoldoende stilgestaan heeft bij de gevolgen van zijn handelen voor het slachtoffer en zijn eigen behoeften vooropgesteld heeft. Dit soort feiten brengen, zeker aan minderjarigen die nog aan het begin van hun seksuele ontwikkeling staan, grote schade toe waar zij nog lang last van hebben. Dat de verkrachting ook een grote impact op het slachtoffer heeft, blijkt uit de schriftelijke slachtoffer verklaring, waarin is aangegeven dat de verdachte niet alleen haar lichaam kapot heeft gemaakt, maar ook haar vertrouwen, vrijheid en toekomst. De verdachte heeft de verantwoordelijkheid voor zijn daden richting dit slachtoffer niet genomen en heeft niet laten zien dat hij oprecht spijt heeft van wat hij haar heeft aangedaan, ook niet op zitting. Ook dit rekent de rechtbank verdachte aan.
De verdachte heeft zich verder schuldig gemaakt aan diefstal van een telefoon. Op een planmatige wijze was een afspraak gemaakt om een telefoon te kopen. De verdachte is vervolgens naar de woning van het slachtoffer gegaan en is uiteindelijk met de telefoon weggerend. Dergelijke feiten, gepleegd in en bij de woning, zijn zeer bedreigend en versterken de gevoelens van angst en onveiligheid bij de slachtoffers in het bijzonder en in de samenleving in het algemeen. De verdachte heeft met dit feit enkel oog gehad voor zijn eigen gewin, geen respect getoond voor andermans goederen en niet stilgestaan bij de gevolgen van zijn gedrag voor het slachtoffer.
Tot slot heeft de verdachte zich schuldig gemaakt aan twee bedreigingen en een openlijke geweldpleging. De verdachte heeft allereerst slachtoffer [de benadeelde partij 7] bedreigd door in een appbericht aan te geven dat hij hem dood zou slaan. Enkele weken later is de verdachte met een ander onverwachts naar de woning van [de benadeelde partij 7] gegaan, wat voor extra angst heeft gezorgd gelet op de eerder geuite bedreiging. Vervolgens heeft hij samen met twee medeverdachten openlijk geweld gepleegd tegen slachtoffer [de benadeelde partij 5] door hem met de platte hand hard in het gezicht te slaan. Daarna heeft hij [de benadeelde partij 6] , de vader van [de benadeelde partij 7] , bedreigd door aan te geven dat hij hem iets aan zou doen. Voor dit slachtoffer voelde dat als een reële bedreiging, waardoor hij veel angst had.
Het is een feit van algemene bekendheid dat slachtoffers van dit soort misdrijven zich nog lang onveilig (kunnen) voelen, terwijl deze ook zorgen voor gevoelens van onveiligheid in hun directe omgeving en verder in de samenleving. De verdachte heeft zich op geen enkel moment bekommerd om de gevoelens en het welzijn van de slachtoffers.
Persoonlijke omstandigheden
Met betrekking tot de persoon van de verdachte heeft de rechtbank in het bijzonder gelet op:
- het op naam van de verdachte staand Uittreksel Justitiële Documentatie, van 29 juli 2025, waaruit blijkt dat de verdachte eerder een strafbeschikking heeft gekregen voor een geweldsdelict;
- het ook onder 5 genoemde Pro Justitia psychologisch onderzoeksrapport van 11 maart 2025, opgesteld door drs. [GZ-psycholoog] , GZ-psycholoog;
- het over de verdachte uitgebrachte voorlichtingsrapport van 31 juli 2025 van [raadsonderzoeker] raadsonderzoeker bij de Raad.
Uit het psychologisch onderzoek blijkt dat, zoals hierboven onder 5. is overwogen, de verdachte voor de feiten 1, 5, 6 en 7 licht verminderd toerekeningsvatbaar wordt geacht. De rechtbank zal hier bij het bepalen van de straf rekening mee houden. Uit het psychologisch onderzoek blijkt verder dat de kans op toekomstig gewelddadig en grensoverschrijdend gedrag bij het voortbestaan van de stoornissen als matig tot hoog wordt ingeschat. Er wordt geadviseerd om een voorwaardelijke jeugddetentie op te leggen met toezicht vanuit de jeugdreclassering, met als voorwaarde dat hij dient mee te werken aan behandeling en begeleiding. Het is namelijk van belang dat hij ondersteuning krijgt in het vinden en behouden van adequate dagbesteding en leert hoe hij op adequate wijze zijn frustratie, onlust en impulscontrole kan reguleren. Ook dient er in de behandeling aandacht te zijn voor zijn seksuele ontwikkeling en dient er, bij het opvoeren van vrijheden, controle te zijn op middelengebruik en de omgang met leeftijdsgenoten. Tot slot dienen zijn ouders ondersteuning te krijgen met betrekking tot het houden van toezicht buitenshuis.
De Raad conformeert zich aan het advies uit het psychologisch onderzoek en heeft in het rapport geadviseerd tot oplegging van een voorwaardelijke jeugddetentie met een proeftijd en onder de bijzondere voorwaarden dat de verdachte dagbesteding heeft, meewerkt aan behandeling van de [jeugdhulpverlener] en [zorgverlener] , zich houdt aan een avondklok van 19.00 uur tot 7.00 uur, zich houdt aan contactverboden met de medeverdachten en slachtoffers en gedurende drie maanden meewerkt aan intensieve begeleiding van ITB-CRIEM (behoudens verlenging). Er is sprake van een hoog recidiverisico, met name op het gebied van middelengebruik en agressie. Het is zorgelijk dat de verdachte weinig tot geen verantwoordelijkheid neemt voor zijn keuzes en gedrag, wat het risico op herhaling vergroot. De verdachte is gebaat bij een strak kader met duidelijke grenzen en controle om recidive te verminderen.
De Raad heeft het strafadvies ter terechtzitting gehandhaafd en hieraan toegevoegd dat ITB-CRIEM intensieve hulpverlening is en dat de duur naar verwachting maximaal zes maanden zal bedragen. Indien die hulpverlening wordt afgeschaald is het van belang dat er daarna nog zicht blijft middels de andere bijzondere voorwaarden, zoals behandeling van de [jeugdhulpverlener] . Er wordt gezien dat het een jongen betreft met een laag IQ, die wordt overschat en thuis de regie heeft omdat hij zijn ouders vertelt wat zij willen horen. Het is daarom van belang dat ouders leren hoe zij hem stevige kaders en regie kunnen bieden. De hulpverlening voorziet op dit moment nog hierin.
Dee jeugdreclassering heeft ter zitting naar voren gebracht dat zij zich kan vinden in het advies van de Raad. Hoewel alle geadviseerde hulpverlening intensief is, wordt het wel noodzakelijk geacht. De behandeling bij [zorgverlener] is gericht op emotieregulatie, accepteren van grenzen en seksuele ontwikkeling. De ambulante begeleiding van de [jeugdhulpverlener] is ook voornamelijk gericht op het bieden van ondersteuning aan de verdachte. De hulpverlening van ITB-CRIEM is daarentegen meer gericht op het bieden van ondersteuning aan de ouders, zodat zij leren regie te pakken en beter kunnen aansluiten bij de verdachte.
Conclusie
In zijn algemeenheid geldt dat bij ernstige strafbare feiten als verkrachting en openlijke geweldpleging, een vrijheidsbenemende straf passend en geboden is. Bij oplegging van de straf houdt de rechtbank rekening met het feit dat de verdachte 17 dagen gedetineerd is geweest (in het kader van het voorarrest). Ook houdt de rechtbank rekening met het persoonlijkheidsonderzoek, waaruit onder andere is gebleken dat de verdachte ten aanzien van de bewezen verklaarde feiten, met uitzondering van de diefstallen, licht verminderd toerekeningsvatbaar is. Ten nadele houdt de rechtbank rekening met de algehele proceshouding van de verdachte. De verdachte heeft namelijk weinig tot geen verantwoordelijkheid genomen voor zijn handelen en gedrag. Dit acht de rechtbank, met name bij de verkrachting zeer kwalijk. Tot slot houdt de rechtbank rekening met het advies van de Raad om een deels voorwaardelijke jeugddetentie op te leggen met algemene en bijzondere voorwaarden waaraan hij zich moet houden.
Alles afwegende ziet de rechtbank geen reden om in dit geval van het uitgangspunt om een vrijheidsbenemende straf op te leggen en van de eis van de officier van justitie af te wijken. De rechtbank is van oordeel dat een 197 dagen jeugddetentie moet worden opgelegd, waarvan 180 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren, zodat de verdachte ervan wordt weerhouden zich voor het einde van die proeftijd schuldig te maken aan een strafbaar feit. De rechtbank zal daarbij bepalen dat de verdachte zich gedurende de proeftijd dient te houden aan de volgende bijzondere voorwaarden: het volgen van onderwijs, behandeling/hulpverlening van de [jeugdhulpverlener] , behandeling van [zorgverlener] , een avondklok van 19.00 uur tot 7.00 uur, contactverboden met de medeverdachten, begeleiding van ITB-CRIEM voor de duur van maximaal zes maanden en een meldplicht bij de jeugdreclassering. De rechtbank ziet in dat voornoemde bijzondere voorwaarden in samenhang bezien intensief zijn, maar acht deze noodzakelijk gelet op de problematiek van de verdachte, de verschillende doelen van voornoemde behandelingen, het recidiverisico en de ernst van de bewezen verklaarde feiten.
Gelet op de problematiek van de verdachte en het hiermee samenhangende recidiverisico ziet de rechtbank aanleiding voor het opleggen van vrijheidsbeperkende maatregelen. Ter beveiliging van de maatschappij en ter voorkoming van strafbare feiten is de rechtbank van oordeel dat aan de verdachte een locatieverbod dient te worden opgelegd, inhoudende dat de verdachte zich voor de duur van twee jaren niet zal bevinden in [plaats] , [plaats] en [plaats] .
Daarnaast is de rechtbank van oordeel dat, ter beveiliging van de maatschappij en ter
voorkoming van strafbare feiten, aan de verdachte de maatregel moet worden opgelegd dat hij op geen enkele wijze - direct of indirect - contact zal opnemen, zoeken of hebben met het
slachtoffer [de benadeelde partij 1] , geboren op [geboortedatum] eveneens voor de duur van twee jaren.
De rechtbank zal bevelen dat de bijzondere voorwaarden, het uit te oefenen toezicht en de vrijheidsbeperkende maatregelen dadelijk uitvoerbaar zijn. De verdachte heeft zich namelijk schuldig gemaakt aan misdrijven die zijn gericht tegen, en gevaar veroorzaken voor de onaantastbaarheid van het lichaam van personen, te weten verkrachting, openlijke geweldpleging en bedreigingen. De rechtbank is, mede gelet de kans op herhaling en het feit dat de verdachte meerdere ernstige strafbare feiten heeft gepleegd, van oordeel dat zonder de voorwaarden er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat de verdachte wederom een dergelijk misdrijf zal begaan.
Tot slot zal de rechtbank een taakstraf opleggen in de vorm van een werkstraf voor de duur van 100 uren.
Ten aanzien van feit 3 is de verdachte op 3 maart 2024 aangehouden en op 4 maart 2024 in verzekering gesteld. Nu het vonnis in deze zaak op 10 september 2025 wordt gewezen, is de redelijke termijn die geldt in jeugdstrafzaken (te weten 16 maanden) met ongeveer twee maanden overschreden. Gelet op deze geringe overschrijding en het belang van de verdachte bij gelijktijdige berechting van de feiten waarvan hij na 3 maart 2024 nog verdacht werd, is de rechtbank van oordeel dat in dit geval kan worden volstaan met constatering van de overschrijding.
7. Vordering benadeelde partijen en schadevergoedingsmaatregel
Benadeelde partij [de benadeelde partij 1] (feit 1)
De benadeelde partij [de benadeelde partij 1] heeft een vordering tot schadevergoeding van € 17.969,78 ingediend tegen de verdachte wegens materiële en immateriële schade die zij als gevolg van het ten laste gelegde feit 1 zou hebben geleden, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag en oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. De gestelde schade bestaat uit € 469,78 aan materiële schade en € 17.500,00 aan immateriële schade. De gestelde materiële schade bestaat uit zorgkosten (€285,00), reis- en parkeerkosten (€ 85,50) en schade aan kleding (€ 98,98).
Standpunt officier van justitie
De officier van justitie heeft geconcludeerd tot toewijzing van de gevorderde materiële schade en matiging van de immateriële schade met het oog op vergelijkbare zaken, vermeerderd met de wettelijke rente en oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
Standpunt verdediging
De verdediging heeft primair verzocht om niet-ontvankelijk verklaring wegens de bepleite vrijspraak dan wel ontslag van alle rechtsvervolging. Subsidiair refereert de verdediging zich aan het oordeel van de rechtbank betreffende de materiële schade en verzoekt om matiging van de immateriële schade tot het bedrag dat volgt uit de Letsellijst van het Schadefonds Geweldsmisdrijven, categorie 3.
Oordeel rechtbank
De rechtbank is van oordeel dat de materiële schade rechtstreeks voortvloeit uit het bewezen verklaarde feit en niet gemotiveerd is bestreden door de verdediging. De rechtbank zal de vordering ten aanzien van de materiële schade dan ook toewijzen tot een bedrag van
€ 469,78, bestaande uit zorgkosten (€285,00), reis- en parkeerkosten (€ 85,50) en schade aan kleding (€ 98,98).
Tevens komt de rechtbank vergoeding van de immateriële schade tot een bedrag van
€ 5.000,00 billijk voor gelet op de onderbouwing van de vordering en de Letsellijst van het Schadefonds Geweldsmisdrijven, categorie 3 (zedenmisdrijf met seksueel binnendringen). De verdediging heeft de vordering bij een bewezenverklaring ook niet bestreden tot het bedrag van € 5.000,00. Ten aanzien van de overige immateriële schade is de rechtbank van oordeel dat het causale verband met het bewezenverklaarde feit onvoldoende vast is komen te staan gelet op de onderbouwing van de vordering en het verhandelde ter zitting.
De rechtbank zal de vordering dan ook toewijzen tot een bedrag van € 5.469,78, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 14 oktober 2024 tot aan de dag der algehele voldoening. De rechtbank zal de vordering tot vergoeding van de overige immateriële schade niet-ontvankelijk verklaren.
Daarnaast dient de verdachte te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog moet maken. De tot op heden door de benadeelde partij gemaakte kosten worden vastgesteld op nihil.
schadevergoedingsmaatregel
De rechtbank ziet als gevolg van verdachtes bewezen verklaarde handelen [kort gezegd: verkrachting] aanleiding ter zake van de vordering van de benadeelde partij de schadevergoedingsmaatregel van artikel 36f Sr op te leggen.
Benadeelde partij [de benadeelde partij 2] (feit 2)
De benadeelde partij [de benadeelde partij 2] heeft een vordering tot schadevergoeding van € 300,00 ingediend tegen de verdachte wegens materiële en immateriële schade die zij als gevolg van het ten laste gelegde feit 2 zou hebben geleden, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag en oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. De gestelde schade bestaat uit € 250,00 aan materiële schade en € 50,00 aan immateriële schade. De gestelde materiële schade bestaat uit kosten voor een tweedehandsfiets (€ 250,00).
De rechtbank zal de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren in de vordering gelet op het feit dat de verdachte van het ten laste gelegde feit 2 is vrijgesproken.
Benadeelde partij [de benadeelde partij 3] (feit 3)
De benadeelde partij [de benadeelde partij 3] heeft een vordering tot schadevergoeding van € 650,00 ingediend tegen de verdachte wegens materiële schade die zij als gevolg van het ten laste gelegde feit 3 zou hebben geleden, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag en oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. De gestelde materiële schade bestaat uit kosten van de gestolen telefoon.
Standpunt officier van justitie
De officier van justitie heeft geconcludeerd tot toewijzing van de gevorderde schade, vermeerderd met de wettelijke rente en oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
Standpunt verdediging
De verdediging heeft primair verzocht om niet-ontvankelijkheid dan wel afwijzing van de gevorderde schade wegens onvoldoende onderbouwing. Gelet op de onderbouwing van de vordering en het verhandelde ter zitting is het onduidelijk of de telefoon in beslag is genomen door en nog in het bezit is van de politie.
Oordeel rechtbank
De rechtbank is van oordeel dat de materiële schade rechtstreeks voortvloeit uit het bewezen verklaarde feit. De rechtbank zal de vordering ten aanzien van de materiële schade dan ook toewijzen tot een bedrag van € 650,00. Hoewel in de vordering tot schadevergoeding is aangegeven dat de telefoon in beslag is genomen door de politie, is na controle van de officier van justitie gebleken dat de telefoon nooit in beslag is genomen door de politie. Uit het dossier blijkt ook niet dat sprake is geweest van inbeslagname door de politie.
De rechtbank zal de vordering dan ook toewijzen, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 3 maart 2024 tot aan de dag der algehele voldoening.
Daarnaast dient de verdachte te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog moet maken. De tot op heden door de benadeelde partij gemaakte kosten worden vastgesteld op nihil.
schadevergoedingsmaatregel
De rechtbank ziet als gevolg van verdachtes bewezen verklaarde handelen [kort gezegd: diefstal] aanleiding ter zake van de vordering van de benadeelde partij de schadevergoedingsmaatregel van artikel 36f Sr op te leggen.
8. Toepasselijke wettelijke voorschriften
De volgende wetsartikelen zijn van toepassing:
Artikelen 36f, 38v, 77a, 77g, 77i, 77m, 77n, 77x, 77y, 77z, 77aa, 77we, 141, 248, 285, 310 Sr.
9. Beslissing
De rechtbank:
Verklaart niet bewezen wat aan de verdachte onder feiten 2 en 4 (parketnummer 15/190208-24 onder 1 en 3) ten laste is gelegd en spreekt hem daarvan vrij.
Verklaart bewezen dat de verdachte de feiten 1 primair, 3 primair, 5, 6 en 7 (onder parketnummer 15/330828-24 primair, onder parketnummer 15/190208-24 onder 2 primair en onder parketnummer 15/190208-24 onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde feiten) heeft begaan zoals hiervoor onder 3.4. weergegeven.
Verklaart niet bewezen wat aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt hem daarvan vrij.
Bepaalt dat de hiervoor onder 3.4 bewezen verklaarde feiten de hierboven onder 4. vermelde
strafbare feiten oplevert.
Verklaart de verdachte hiervoor strafbaar.
Veroordeelt de verdachte tot een jeugddetentie voor de duur van honderdzevenennegentig (197) dagen, met bevel dat van deze straf een gedeelte, groot honderdtachtig (180) niet ten uitvoer zal worden gelegd en stelt daarbij een proeftijd vast van twee jaren.
Stelt als algemene voorwaarde dat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit.
Stelt als bijzondere voorwaarden dat de veroordeelde:
Geeft opdracht aan de William Schrikker Stichting Jeugdbescherming en Jeugdreclassering gevestigd aan de [adres] , een gecertificeerde instelling die jeugdreclassering uitvoert tot het houden van toezicht op de naleving van voormelde bijzondere voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden.
Van rechtswege gelden voorts de voorwaarden dat de veroordeelde:
- ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit zijn medewerking zal verlenen aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aan zal bieden;
- medewerking zal verlenen aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 77aa, eerste tot en met het vierde lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclasseringsinstelling, zo vaak en zolang als de reclasseringsinstelling dit noodzakelijk acht, daaronder begrepen.
Beveelt dat de op grond van artikel 77z gestelde voorwaarden en het op grond van artikel 77aa uit te oefenen toezicht, dadelijk uitvoerbaar zijn.
Bepaalt dat de tijd die de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van dit vonnis in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van het onvoorwaardelijk deel van de opgelegde jeugddetentie in mindering wordt gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.
Veroordeelt de verdachte tot het verrichten van honderd (100) uren taakstraf in de vorm van een werkstraf, bij het niet of niet naar behoren verrichten daarvan te vervangen door vijftig (50) dagen jeugddetentie.
Legt op de maatregel strekkende tot beperking van de vrijheid dat de veroordeelde voor de duur van twee (2) jaren zich niet zal ophouden in [plaats] , [plaats] en [plaats] .
Beveelt dat vervangende jeugddetentie zal worden toegepast voor het geval niet aan de
maatregel wordt voldaan. De duur van deze vervangende jeugddetentie bedraagt twee weken
voor iedere keer dat niet aan de maatregel wordt voldaan met een totale duur van ten hoogste
zes (6) maanden.
Toepassing van de vervangende jeugddetentie heft de verplichtingen ingevolge de opgelegde
maatregel niet op.
Legt op de maatregel strekkende tot beperking van de vrijheid dat de veroordeelde voor de duur van twee (2) jaren op geen enkele wijze - direct of indirect - contact zal opnemen, zoeken of hebben met [de benadeelde partij 1] , geboren op [geboortedatum] .
Beveelt dat vervangende jeugddetentie zal worden toegepast voor het geval niet aan de maatregel wordt voldaan. De duur van deze vervangende jeugddetentie bedraagt twee weken
voor iedere keer dat niet aan de maatregel wordt voldaan met een totale duur van ten hoogste
zes maanden.
Toepassing van de vervangende jeugddetentie heft de verplichtingen ingevolge de opgelegde
maatregel niet op.
Beveelt dat de maatregelen, gelet op artikel 77we, tweede lid, in samenhang met 38v, vierde lid, van het Wetboek van Strafrecht, dadelijk uitvoerbaar zijn.
Wijst toe de vordering tot vergoeding van de door de benadeelde partij [de benadeelde partij 1] geleden schade tot een bedrag van € 5.469,78, bestaande uit € 469,78 voor de materiële en € 5.000,00 voor de immateriële schade, en veroordeelt de verdachte tot betaling van dit bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 14 oktober 2024 tot aan de dag der algehele voldoening, aan [de benadeelde partij 1] , voornoemd, tegen behoorlijk bewijs van kwijting.
Veroordeelt de verdachte in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging alsnog te maken.
Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering.
Legt de verdachte als schadevergoedingsmaatregel ten behoeve van slachtoffer [de benadeelde partij 1] de verplichting op tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 5.469,78, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 14 oktober 2024 tot aan de dag der algehele voldoening, bij gebreke van betaling of verhaal te vervangen door 0 dagen gijzeling.
Bepaalt dat betalingen aan de benadeelde partij in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de Staat en dat betalingen aan de Staat in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij.
Wijst toe de vordering tot vergoeding van de door de benadeelde partij [de benadeelde partij 3]
geleden materiële schade tot een bedrag van € 650,00, en veroordeelt de verdachte tot betaling van dit bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 3 maart 2024 tot aan de dag der algehele voldoening, aan [de benadeelde partij 3] , voornoemd, tegen behoorlijk bewijs van kwijting.
Veroordeelt de verdachte in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging alsnog te maken.
Legt de verdachte als schadevergoedingsmaatregel ten behoeve van slachtoffer [de benadeelde partij 3] de verplichting op tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 650,00, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 3 maart 2024 tot aan de dag der algehele voldoening, bij gebreke van betaling of verhaal te vervangen door 0 dagen gijzeling.
Bepaalt dat betalingen aan de benadeelde partij in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de Staat en dat betalingen aan de Staat in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij.
Verklaart de benadeelde partij [de benadeelde partij 2] niet-ontvankelijk in de vordering.
Heft op het reeds geschorste bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte.
Samenstelling rechtbank en uitspraakdatum
Dit vonnis is gewezen door
mr. J. van Beek, voorzitter,
mr. S. Ok en mr. R.M. Verberne, rechters, allen (kinder)rechter,
in tegenwoordigheid van de griffier mr. K.D. Warmerdam,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 10 september 2025.
Mr. R.M. Verberne is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.