RECHTBANK NOORD-HOLLAND
Handel, Kanton en Bewind
locatie Alkmaar
Zaaknr./rolnr.: 11706231 \ CV EXPL 25-1871
Uitspraakdatum: 3 december 2025
Verstekvonnis van de kantonrechter in de zaak van:
[eiser] ([bedrijf])
te [plaats]
de eisende partij
procederende in persoon
tegen
[gedaagde] , pro se en in hoedanigheid van wettelijk vertegenwoordiger van de minderjarige [minderjarige]
te [plaats]
de gedaagde partij
niet verschenen
1. De verdere procedure
Bij tussenvonnis van 10 september 2025 heeft de kantonrechter de eisende partij in de gelegenheid gesteld om zich bij akte uit te laten over het voorshands uitgesproken oordeel over de oneerlijkheid van een beding in de van toepassing zijnde algemene voorwaarden. Ter uitvoering van dat tussenvonnis heeft de eisende partij een akte ingediend.
2. De verdere beoordeling
De algemene voorwaarden
De eisende partij heeft zich in haar akte gerefereerd aan het in het tussenvonnis gegeven voorlopig oordeel over de oneerlijkheid van het incassokostenbeding. De kantonrechter ziet daarom en ook anderszins geen aanleiding om daar nu anders over te denken en vernietigt artikel 12 van de algemene voorwaarden, voor wat betreft de buitengerechtelijke incassokosten. Dit betekent dat de gevorderde buitengerechtelijke incassokosten zullen worden afgewezen.
Het rentebeding in artikel 10 van de algemene voorwaarden is door de kantonrechter getoetst en niet oneerlijk bevonden.
Wat is toewijsbaar?
De gevorderde hoofdsom en wettelijke rente worden toegewezen, omdat deze vorderingen de kantonrechter niet onrechtmatig of ongegrond voorkomen.
Naast de in de dagvaarding berekende rente, zal de verdere rente worden toegewezen, zoals hierna zal worden vermeld.
Conclusie en proceskosten
De vordering wordt (grotendeels) toegewezen.
De gedaagde partij wordt (overwegend) in het ongelijk gesteld en zal daarom in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten voor de genomen akte blijven echter voor rekening van de eisende partij, omdat het aan haarzelf te wijten is dat het nodig was deze akte op te stellen. Daarbij wordt de gedaagde partij ook veroordeeld tot betaling van € 41,00 aan nasalaris, voor zover daadwerkelijk nakosten door de eisende partij worden gemaakt.
3. De beslissing
De kantonrechter:
veroordeelt de gedaagde partij tot betaling aan de eisende partij van € 267,63, te vermeerderen met de wettelijke rente over € 253,94 vanaf 30 april 2025 tot aan de dag van de gehele betaling;
veroordeelt de gedaagde partij tot betaling van de proceskosten, die de kantonrechter aan de kant van de eisende partij tot en met vandaag vaststelt op:
dagvaarding € 147,38;
griffierecht € 90,00;
salaris gemachtigde € 82,00;
veroordeelt de gedaagde partij tot betaling van € 41,00 aan nasalaris, voor zover daadwerkelijk nakosten door de eisende partij worden gemaakt;
verklaart de veroordeling(en) in dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;
wijst de vordering voor het overige af.
Dit vonnis is gewezen door mr. W.S.J. Thijs en op bovengenoemde datum in het openbaar uitgesproken in aanwezigheid van de griffier.
De griffier De kantonrechter