[eiser] , uit [plaats] , eiser
(gemachtigde: mr. K. Cras),
en
de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, verweerder
(gemachtigde: mr. D. Vogelenzang).
Inleiding
1. In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op het verzoek om een voorlopige voorziening van eiser tegen de afwijzing van de aanvraag van eiser een Verklaring Omtrent het Gedrag politiegegevens (VOG P). Omdat de voorzieningenrechter na afloop van de zitting tot de conclusie is gekomen dat nader onderzoek niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak beslist hij ook op het beroep van eiser daartegen. Artikel 8:86 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk.
Verweerder heeft de aanvraag van eiser om een VOG P met het besluit van 26 augustus 2024 afgewezen.
Eiser heeft bezwaar gemaakt.
Met het bestreden besluit van 19 november 2024 is verweerder bij de afwijzing van de aanvraag gebleven.
Eiser heeft beroep ingesteld.
Verweerder heeft op het beroep en verzoek gereageerd met een verweerschrift.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 30 januari 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van verweerder.
Totstandkoming van het besluit
2. Eiser is via “Faithful Jobs” van 1 mei 2024 tot 15 januari 2025 werkzaam geweest in de Rijks Justitiële Jeugdinrichting [naam inrichting] , als [functie omschrijving] in de functie van inrichtingswerker .
3. Eiser heeft op 9 juni 2024 verweerder verzocht om de vereiste VOG P.
4. Verweerder heeft geweigerd deze VOG P af te geven, omdat eiser bij strafbeschikking van 14 augustus 2024 een taakstraf van 40 uren is opgelegd wegens gebruik van een vals geschrift, gepleegd op 2 juli 2021.
Standpunt eiser
5. Eiser betwist het standpunt van verweerder, in die zin dat – gelet op alle omstandigheden van het geval – de belangenafweging (in het kader van het subjectieve criterium, als genoemd in de Beleidsregels VOG-NP-RP 2024, Stcrt. 2024, nr. 2992 (hierna: Beleidsregels)) in het voordeel van eiser had moeten uitvallen. Eiser stelt dat het risico thans in voldoende mate is afgenomen om toewijzing van de VOG P te rechtvaardigen. Immers, er is slechts sprake van één antecedent, met een pleegdatum van drie en halfjaar geleden, afgedaan met een milde straf, waaruit de beperkte ernst van het gepleegde strafbare feit blijkt. Eiser heeft een zwaarwegend persoonlijk belang en dat is onvoldoende meegewogen. Eiser werkte tot voor kort naar alle tevredenheid van de leidinggeven in de jeugdinstelling. Eiser verwijst daartoe naar de overgelegde referenties. Ter zitting heeft eiser nog toegevoegd dat eiser is toegezegd dat hij weer kan terugkeren, als hij de VOG P krijgt. De toekomst van eiser ligt bij het werken in de jeugdinrichting en daarvoor heeft eiser ook de relevante startkwalificaties behaald.
Standpunt verweerder
6. Verweerder stelt dat de belangenafweging die moet worden gemaakt in het kader van het subjectieve criterium wordt gekleurd door de hoge mate van integriteit die is vereist bij de afgifte van een VOG P. De samenleving verlangt juist van een medewerker van een penitentiaire inrichting dat hij betrouwbaar is en zich houdt aan de regels en gekwalificeerd is. Het tijdsverloop sinds het strafbare feit weegt niet mee in voordeel van eiser: de strafbeschikking is van 9 juni 2024. Dat de pleegdatum van het strafbare feit langer geleden heeft gelegen doet hieraan niet af. Hoewel een milde taakstraf is opgelegd, kijkt verweerder ook naar het beschermd belang van de geschonden norm. Op zichzelf beschouwd maakt dit dat sprake is van een ernstig strafbaar feit. Verweerder heeft verder rekening gehouden met de persoonlijke ontwikkeling van eiser en zijn persoonlijke belang bij toewijzing van de VOG P, maar weegt het belang van de beperking van risico’s van de samenleving zwaarder.
Beoordeling door de voorzieningenrechter
7. Tussen partijen is niet in geschil dat is voldaan aan het objectieve criterium. Daarmee is in beginsel de grond voor afwijzing van de aanvraag om de VOG P gegeven.
8. Krachtens het bepaalde in paragraaf 3.2.3. van de Beleidsregels kan op grond van het subjectieve criterium worden geoordeeld dat het belang dat een aanvrager heeft bij het verstrekken van de VOG P zwaarder weegt dan het belang van de samenleving bij bescherming tegen het door middel van het objectieve criterium vastgestelde risico voor de samenleving. In dat geval wordt de VOG P afgegeven ondanks dat wordt voldaan aan het objectieve criterium.
9. De voorzieningenrechter stelt voorop dat verweerder in de beoordeling terecht uitgaat van een zeer hoge mate van integriteit die heeft te gelden voor de functie van inrichtingswerker in een jeugdinrichting. In deze functie heeft de inrichtingswerker contact met gedetineerde jongeren en moet zoveel mogelijk zeker worden gesteld dat de inrichtingswerker geen risico vormt in de begeleiding van deze jongeren.
10. De voorzieningenrechter wil voorts niet afdoen aan het uitgangspunt dat bij valsheid in geschrift en het gebruik van een vals geschrift sprake is van een schending van twee belangrijke beschermde belangen, zijnde het vertrouwen dat burgers in het maatschappelijk verkeer in de juistheid van bepaalde geschriften moeten kunnen stellen en het mogelijke nadeel dat door de valsheid wordt geleden. In het kader van de belangenafweging is dat echter niet het enige aspect waarnaar gekeken moet worden. De voorzieningenrechter acht in dit verband van belang dat uit de hoogte van de door de officier van justitie opgelegde straf afgeleid kan worden dat het strafbare feit niet als dermate ernstig is gezien is dat een hoge straf aangewezen was. Zoals gezegd, in het algemeen is het gebruik maken van een vals geschrift, gelet op het beschermde belang, een ernstig strafbaar feit, maar er mag van worden uitgegaan dat de officier van justitie bij het uitvaardigen van de strafbeschikking, acht heeft geslagen op Richtlijn voor strafvordering valsheid in geschrift (2015R042) en dit aspect heeft betrokken bij het bepalen van de straf.
11. Hoewel het verder juist is dat in het beleid bij fraudedelicten een uitzondering wordt gemaakt bij het bepalen van de terugkijktermijn, omdat dit soort delicten veelal pas laat worden ontdekt, heeft het subjectieve criterium blijkens de in het beleid opgenomen uitleg daarvan een andere strekking. Het gaat daarbij om een afweging waarbij het risico voor de samenleving wordt bezien tegen het licht van de omstandigheden van het geval. Dit betekent dat ook andere momenten, waaronder de pleegdatum, in deze afweging relevant kunnen zijn. Niet in geschil is dat als pleegdatum heeft te gelden 2 juli 2021 is, nu dat uit de strafbeschikking volgt. Vaststaat dat eiser daarna niet in aanraking met politie of justitie is geweest.
12. Voorts acht de voorzieningenrechter van belang dat de direct leidinggevenden van eiser in de jeugdinrichting een zeer positieve referentie hebben gegeven en eiser graag terugzien als inrichtingswerker. Gelet hierop kan de voorzieningenrechter het argument van verweerder dat er een risico bestaat dat de gedetineerden te maken kunnen krijgen met ongekwalificeerde begeleiding, zonder nadere toelichting - die ontbreekt -, moeilijk volgen. De heer [naam 1] schrijft op 15 januari 2025 dat eiser “bij ons in volle tevredenheid werkzaam is geweest in de functie van [functie 2] ”. Mevrouw [naam 2] schrijft op 4 oktober 2024 dat mensen als eiser “passen binnen een setting als die van [naam inrichting] . Rust, professionaliteit en je durven uitspreken zijn (…) basiselementen die nodig zijn”. Van belang acht de voorzieningenrechter ook dat eiser is mogen blijven werken tijdens bezwaarfase. Tenslotte acht de voorzieningenrechter van belang dat eiser van aanvang af open kaart heeft gespeeld over de strafprocedure waarin hij was verwikkeld.
13. Het voorgaande leidt de voorzieningenrechter tot het oordeel dat verweerder de belangenafweging in het voordeel van eiser had moeten laten uitvallen. Weliswaar is sprake van een relatief recent gepleegd strafbaar feit, dat in beginsel in de weg staat aan afgifte van een VOG P, maar er zijn in dit geval bijzondere omstandigheden die leiden tot een andere uitkomst.
Conclusie en gevolgen
14. Het beroep is gegrond. De voorzieningenrechter vernietigt daarom het bestreden besluit. De voorzieningenrechter bepaalt, met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder b, van de Algemene wet bestuursrecht, dat zijn uitspraak in de plaats treedt van het vernietigende besluit en bepaalt dat verweerder eiser binnen vier weken een VOG P zal afgeven. In afwachting van afgifte van de VOG P treft de voorzieningenrechter de voorlopige voorziening dat eiser moet worden beschouwd als in het bezit zijnde van een VOG P totdat verweerder de VOG P uitreikt.
Omdat het beroep gegrond is moet verweerder het griffierecht aan eiser vergoeden en krijgt eiser ook een vergoeding van zijn proceskosten. Verweerder moet deze vergoeding betalen. De vergoeding is met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. Voor de rechtsbijstand door een gemachtigde krijgt eiser een vast bedrag per proceshandeling. Eiser heeft in bezwaar gevraagd om vergoeding van de proceskosten. De gemachtigde heeft een bezwaarschrift ingediend, de hoorzitting bijgewoond, een beroepschrift ingediend, een verzoek om een voorlopige voorziening ingediend en heeft aan de zitting van de voorzieningenrechter deelgenomen. In bezwaar heeft elke proceshandeling een waarde van € 647,00. In beroep heeft elke proceshandeling een waarde van € 907,00. De vergoeding bedraagt dan in totaal € 4.015,00.
Beslissing
De voorzieningenrechter:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit;
- herroept het primaire besluit;
- bepaalt dat verweerder eiser binnen vier weken een VOG P zal afgeven en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats komt van het vernietigde besluit;
- wijst het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening toe;
- bepaalt dat in afwachting van afgifte van de VOG P eiser moet worden beschouwd als in het bezit zijnde van een VOG P;
- bepaalt dat verweerder het griffierecht van € 187,00 aan eiser moet vergoeden; en
- veroordeelt verweerder tot betaling van € 4.015,00 aan proceskosten aan eiser.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Jurgens, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. J.H. Bosveld, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 13 februari 2025.
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak voor zover deze gaat over het beroep, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak voor zover deze gaat over het beroep. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. Tegen deze uitspraak voor zover deze gaat over de voorlopige voorziening staat geen hoger beroep open.