RECHTBANK NOORD-HOLLAND
Handel, Kanton en Insolventie
locatie Haarlem
Zaaknr./rolnr.: 11654488 \ CV EXPL 25-2415
Uitspraakdatum: 21 mei 2025
Verstekvonnis in de zaak van:
de stichting, Stichting Pré Wonen
te Haarlem
verhuurder
de eisende partij, hierna: de verhuurder
gemachtigden: mr. J.J. L. Boudewijn en mr. R.G. Matti
tegen
[gedaagde]
te [plaats]
huurder
de gedaagde partij, hierna: de huurder
niet verschenen
1. De procedure
De verhuurder heeft de huurder gedagvaard. Tegen de huurder is verstek verleend.
2. De vordering
De verhuurder vordert ontbinding van de huurovereenkomst met betrekking tot de aan de huurder verhuurde woonruimte, ontruiming van het gehuurde en veroordeling van de huurder tot betaling van de huurachterstand inclusief servicekosten tot en met april 2025, vermeerderd met buitengerechtelijke incassokosten, de wettelijke rente, een gebruiksvergoeding voor iedere maand dat het gehuurde in gebruik blijft en de proceskosten.
De verhuurder legt aan de vordering ten grondslag dat de huurder tekortschiet in de nakoming van de huurovereenkomst, welke tekortkoming ontbinding van de huurovereenkomst en ontruiming van het gehuurde rechtvaardigt.
3. De beoordeling
Ambtshalve toetsing van: de Huurovereenkomst en Algemene huurvoorwaarden De Huurovereenkomst zelfstandige woonruimte maart 2024 (hierna: de algemene voorwaarden)
Gelet op de hoogte van de huur bij aanvang van de huurovereenkomst is sprake van geliberaliseerde huur. In de huurovereenkomst zijn algemene voorwaarden van toepassing verklaard.
Omdat het hier gaat om een professionele verhuurder en een consument-huurder, moet de kantonrechter ambtshalve beoordelen of in de algemene voorwaarden bedingen zijn opgenomen die oneerlijk zijn ten opzichte van een consument (in de zin van artikel 3 van de Richtlijn 93/13/EEG betreffende oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten (hierna: de richtlijn)). Dit kan immers gevolgen hebben voor (de hoogte van) de vordering. Artikel 6:233 onder a van het Burgerlijk Wetboek (BW) bepaalt dat een beding dat onredelijk bezwarend is, vernietigbaar is.
Bedingen waaraan de huurder gebonden is zonder dat daarover afzonderlijk is onderhandeld, zijn oneerlijk als deze in strijd met de goede trouw het evenwicht tussen de rechten en plichten die de huurder op grond van de overeenkomst heeft, aanzienlijk verstoren in het nadeel van de huurder. Het gaat om een beoordeling van de bedingen op het moment dat de overeenkomst werd gesloten. Of de verhuurder de huurder ook daadwerkelijk aan die bedingen houdt, of in de praktijk alleen naleving van wettelijke bepalingen verlangt, is niet relevant. Als een beding wegens onredelijkheid wordt vernietigd, kan de verhuurder niet terugvallen op een eventuele wettelijke regeling over het zelfde onderwerp.
Gelet op het voorgaande heeft de kantonrechter het huurprijswijzigingsbeding, het servicekostenbeding, het beding betreffende de buitengerechtelijke incassokosten en de rente getoetst en deze zijn niet oneerlijk.
De vordering is toewijsbaar
De vordering wordt toegewezen, omdat deze de kantonrechter niet onrechtmatig of ongegrond voorkomt. Daarbij is van belang dat de huurachterstand meer dan drie maanden bedraagt.
Gelet op de ingrijpende gevolgen voor de huurder wordt de ontruimingstermijn gesteld op veertien dagen na betekening van dit vonnis.
Conclusie en proceskosten
De huurder wordt in het ongelijk gesteld en zal daarom in de proceskosten worden veroordeeld. Daarbij wordt de huurder ook veroordeeld tot betaling van € 135,00 aan nasalaris, voor zover daadwerkelijk nakosten door de verhuurder worden gemaakt.
4. De beslissing
De kantonrechter:
ontbindt de tussen partijen bestaande huurovereenkomst;
veroordeelt de huurder om het perceel aan het adres [adres] te ([postcode]) [plaats] binnen 14 dagen na betekening van dit vonnis te ontruimen, te verlaten met alle zich daarin en/of daarop bevindende personen en/of zaken – voor zover deze laatste niet het eigendom van de verhuurder zijn – en onder overgave der sleutels ter vrije beschikking van de verhuurder te stellen;
veroordeelt de huurder om aan de verhuurder te betalen een bedrag van € 4.070,56, te vermeerderen met de wettelijke rente over dat bedrag vanaf 7 april 2025 tot aan de dag van volledige betaling;
veroordeelt de huurder om aan de verhuurder te betalen een bedrag van € 973,47 per maand, voor iedere maand dat de huurder het gehuurde vanaf 1 mei 2025 in gebruik houdt;
veroordeelt de huurder in de proceskosten, tot op heden aan de zijde van de verhuurder begroot op:
€ 145,45 wegens dagvaardingskosten,
€ 514,00 wegens griffierecht en
€ 271,00 wegens salaris gemachtigde;
veroordeelt de huurder tot betaling van € 135,00 aan nasalaris, voor zover daadwerkelijk nakosten door de verhuurder worden gemaakt;
verklaart deze veroordeling(en) tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
wijst de vordering voor het overige af.
Dit vonnis is gewezen door mr. J.J. Dijk en op bovengenoemde datum in het openbaar uitgesproken in aanwezigheid van de griffier.
De griffier De kantonrechter