RECHTBANK NOORD-HOLLAND
Team Straf, zittingsplaats Alkmaar
Meervoudige strafkamer
Parketnummer: 15/337667-22 (P)
Uitspraakdatum: 5 december 2025
Tegenspraak (art. 279 van het Wetboek van Strafvordering)
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 21 november 2025 in de zaak tegen:
[verdachte] ,
geboren op [geboortedatum en -plaats],
ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres:
[adres].
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie
mr. C.J. van Aert en van wat de gemachtigd raadsman, mr. J.T.H.M. Mühren, advocaat te Purmerend, naar voren heeft gebracht.
1. Tenlastelegging
Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:
Feit 1
primair
hij op of omstreeks 27 december 2022 te Hoorn ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk een ander, te weten [slachtoffer] van het leven te beroven, als bestuurder van een bestelbus/auto (Peugeot Partner) (met hoge en/of oplopende snelheid) op/tegen die [slachtoffer] is ingereden en/of aangereden, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
subsidiair
hij in of omstreeks op of omstreeks 27 december 2022 te Hoorn ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan een ander, te weten [slachtoffer] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, als bestuurder van een bestelbus/auto (Peugeot Partner) (met hoge en/of oplopende snelheid) op/tegen die [slachtoffer] is ingereden en/of aangereden, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
Feit 2
hij op of omstreeks 27 december 2022 te Hoorn openlijk, te weten, op of aan de Neptunushof en/of de Orionstraat, in elk geval op of aan de openbare weg en/of op een voor het publiek toegankelijke plaats, in vereniging geweld heeft gepleegd tegen een of meer personen, te weten tegen [slachtoffer], door meermalen, althans eenmaal, op/tegen/in het gezicht, althans het hoofd en/of het lichaam van die [slachtoffer] te slaan/stompen en/of schoppen/trappen;
Feit 3
hij op of omstreeks 27 december 2022 te Hoorn opzettelijk en wederrechtelijk een auto (merk: Peugeot, type: 308 en/of voorzien van het kenteken [kenteken]), in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan een ander, te weten aan [slachtoffer], toebehoorde heeft vernield, beschadigd, onbruikbaar gemaakt en/of weggemaakt.
2. Voorvragen
De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zij bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.
3. Beoordeling van het bewijs
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van de onder 1 primair, 2 en 3 ten laste gelegde feiten.
Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat de verdachte wegens onvoldoende bewijs moet worden vrijgesproken van de ten laste gelegde feiten. De verweren van de raadsman zullen, voor zover van belang, bij de beoordeling van het bewijs worden besproken.
Oordeel van de rechtbank
Redengevende feiten en omstandigheden De rechtbank komt tot bewezenverklaring van de onder 1 subsidiair, 2 en 3 ten laste gelegde feiten, op grond van de bewijsmiddelen die in de bijlage bij dit vonnis zijn opgenomen.
Nadere bewijsoverweging feit 1
Feiten en omstandigheden
De rechtbank stelt op basis van het dossier de volgende feiten en omstandigheden vast. De aangever, [slachtoffer] (hierna: de aangever), wordt in de nacht van 27 december 2022 gevraagd door [naam 1] (hierna: [naam 1]) haar op te halen bij haar huis. Wanneer de aangever met zijn auto bij het huis van [naam 1] aankomt, is er al enige commotie op straat. Hij blijft in zijn auto zitten. Vervolgens ziet hij een bestelbus op hem af rijden. Deze bestelbus rijdt meerdere keren frontaal tegen de auto van de aangever aan. De aangever stapt uit zijn auto en de bestuurder van de bestelbus rijdt vervolgens vier keer op de aangever in. Bij de vierde keer rijdt de bestuurder van de bestelbus de aangever aan, belandt de aangever op de motorkap en komt vervolgens op de grond terecht.
De rechtbank ziet zich voor de vraag gesteld of de verdachte de bestuurder is geweest van de bestelbus. [naam 1] heeft in een kort tijdsbestek op vier verschillende momenten de verdachte, die haar broertje is, aangewezen als de bestuurder van de bestelbus. [naam 1] belt die nacht om 01:41 uur het alarmnummer 112 en dit telefoongesprek is later uitgeluisterd en uitgewerkt. Hierin geeft zij bij de centralist aan dat haar broertje, [verdachte], voor de deur in een auto zit en dat de auto een paar keer is gebotst. Vervolgens verklaart zij bij ter plaatse gekomen politieagenten dat zij heeft gezien dat haar broertje in een auto kwam aanrijden en tegen de auto van de aangever aanreed. Om 02:50 uur doet [naam 1] aangifte en hierin verklaart zij ook dat haar broertje in een kleine bestelbus zat en tegen de auto van de aangever aanreed. Op 5 januari 2023 wordt [naam 1] aanvullend verhoord en verklaart zij wederom dat zij heeft gezien dat haar broertje aan kwam rijden in een kleine bestelauto. Deze verklaringen worden ondersteund door de aangifte van de aangever, waarin hij verklaart dat hij zag dat alleen de bestuurder in de bestelauto zat en verder geen andere personen. De aangever verklaart verder dat hij zag dat de bestuurder van de bestelauto uitstapte en dat hij van hem een vuistslag in het gezicht kreeg. Daarnaast is er op het stuur van de bestelauto een enkelvoudig DNA-profiel aangetroffen. Het DNA-profiel van de verdachte komt hiermee overeen. Het DNA-profiel is meer dan 1 miljard keer waarschijnlijker wanneer – kort gezegd – de verdachte hiervan donor is, dan wanneer dit niet zo is. De rechtbank concludeert hieruit, met inachtneming van de rest van het dossier, dat de verdachte donor is van het celmateriaal op het stuur. In combinatie met de rest van het dossier en de aanwezigheid van DNA van verdachte op het stuur, concludeert de rechtbank dat de verdachte gebruikt gemaakt heeft van de bestelauto. Dat [naam 1] op 24 januari 2023 telefonisch aan de politie enkel laat weten dat zij haar aangifte wil aanpassen in die zin dat zij zich had vergist en niemand had herkend als bestuurder van de bestelauto, doet niet af aan de geloofwaardigheid van haar eerdere, bij herhaling afgelegde verklaringen. Van deze verklaringen gaat de rechtbank dan ook uit.
Gelet op het voorgaande, in onderlinge samenhang bezien, stelt de rechtbank vast dat de verdachte ten tijde hiervan de bestuurder van de bestelbus was.
Voor zover de raadsman van de verdachte heeft betoogd dat [naam 2] op dat moment de bestuurder van de bestelbus is geweest, is de rechtbank van oordeel dat dit wordt weerlegd door de bewijsmiddelen en door wat hiervoor is vastgesteld.
De vraag die de rechtbank vervolgens moet beantwoorden is of het handelen van de verdachte gekwalificeerd moet worden als een poging tot doodslag (primair) of een poging tot zware mishandeling (subsidiair).
Vrijspraak poging tot doodslag
Voor een bewezenverklaring van een poging tot doodslag is het van belang of de verdachte het (voorwaardelijk) opzet heeft gehad op de dood van de aangever. De rechtbank is van oordeel dat niet is komen vast te staan dat de verdachte het slachtoffer wilde doden. Opzet in onvoorwaardelijke vorm kan daarom niet worden aangenomen.
De rechtbank is van oordeel dat het dossier evenmin voldoende aanknopingspunten bevat om te kunnen vaststellen dat de verdachte voorwaardelijk opzet heeft gehad op de dood van de aangever door op hem in te rijden en aan te rijden. Hiervoor is ten minste vereist dat de verdachte met zijn handelen de aanmerkelijke kans in het leven heeft geroepen dat de aangever zou komen te overlijden en dat hij deze kans ook bewust heeft aanvaard. De rechtbank overweegt in dit verband dat, naar algemene ervaringsregels, de te verwachten gevolgen van een aanrijding van een voetganger door een auto in belangrijke mate worden bepaald door de snelheid van de auto. Hoewel uit het proces-verbaal waarin de camerabeelden worden beschreven (waarbij de rechtbank ervan uitgaat dat de aangever persoon 1 is en de verdachte persoon 5) duidelijk is geworden dat de verdachte, veelal vanuit stilstand of nadat hij achteruit gereden had, met enige snelheid meerdere keren op de verdachte is ingereden, zijn er geen objectieve meetgegevens beschikbaar en is de exacte snelheid van de auto niet (meer) vast te stellen. Naar het oordeel van de rechtbank kan daarom niet buiten redelijke twijfel worden vastgesteld dat de verdachte met een zodanige snelheid op de aangever is ingereden, dat de kans op de dood van de aangever aanmerkelijk was. Ook overigens bevat het dossier geen informatie op grond waarvan dat kan worden vastgesteld. De rechtbank zal de verdachte dan ook vrijspreken van het primair ten laste gelegde feit.
Poging tot zware mishandeling
Voor een bewezenverklaring van een poging tot zware mishandeling is vereist dat de verdachte op zijn minst genomen voorwaardelijk opzet heeft gehad op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel aan de aangever.
De rechtbank stelt voorop dat het met enige snelheid met een auto op een persoon inrijden en die persoon aan te rijden, naar algemene ervaringsregels, de aanmerkelijke kans in het leven roept dat die persoon daardoor zwaar lichamelijk letsel oploopt. Dat is ook het geval als de auto niet met hoge snelheid rijdt. Daar komt bij dat de rechtbank op basis van de beschreven camerabeelden kan vaststellen dat de aangever in ieder geval de laatste keer zodanig werd geraakt dat hij op de motorkap belandde en op de grond terecht kwam. Dat maakt naar het oordeel van de rechtbank dat sprake is geweest van een aanmerkelijke kans op zwaar lichamelijk letsel.
Verder kunnen de gedragingen van de verdachte naar hun uiterlijke verschijningsvorm worden aangemerkt als zo zeer gericht op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel, dat het niet anders kan zijn dat hij de aanmerkelijke kans op het zwaar lichamelijk letsel ook bewust heeft aanvaard. De rechtbank sluit daarbij aan bij de verklaring van de aangever en de beschreven camerabeelden. Hieruit blijkt namelijk dat de verdachte vier keer doelbewust en recht op de aangever is ingereden en hem uiteindelijk ook raakt.
Conclusie
Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat wettig en overtuigend kan worden bewezen dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan hetgeen subsidiair ten laste is gelegd.
Bewezenverklaring
De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de onder 1 subsidiair, 2 en 3 ten laste gelegde feiten heeft begaan, in die zin dat
Feit 1
hij op 27 december 2022 te Hoorn ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [slachtoffer] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, als bestuurder van een bestelbus op/tegen die [slachtoffer] is ingereden en/of aangereden, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
Feit 2
hij op 27 december 2022 te Hoorn openlijk, te weten, op of aan de Orionstraat in vereniging geweld heeft gepleegd tegen [slachtoffer], door meermalen in het gezicht te slaan en te stompen en meermalen tegen het lichaam van die [slachtoffer] te slaan en schoppen;
Feit 3
hij op 27 december 2022 te Hoorn opzettelijk en wederrechtelijk een auto, van het merk Peugeot, type 308, voorzien van het kenteken [kenteken], die aan [slachtoffer] toebehoorde heeft beschadigd.
Wat aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hier als bewezen is aangenomen, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.
4. Kwalificatie en strafbaarheid van de feiten
Het bewezenverklaarde levert op:
feit 1 subsidiair
poging tot zware mishandeling, meermalen gepleegd;
feit 2
openlijk in vereniging geweld plegen tegen personen;
feit 3
opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, beschadigen.
Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden waardoor de wederrechtelijkheid aan het bewezenverklaarde zou ontbreken. Het bewezenverklaarde is dan ook strafbaar.
5. Strafbaarheid van de verdachte
Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dan ook strafbaar.
6. Motivering van de sanctie
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden, waarvan vier maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren. Van het onvoorwaardelijk strafdeel moet de tijd die de verdachte in verzekering en in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht worden afgetrokken. Daarnaast heeft de officier van justitie een ontzegging van de rijbevoegdheid voor de duur van drie jaren gevorderd.
Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft geen standpunt ingenomen over de strafmaat.
Oordeel van de rechtbank
Bij de beslissing over de sanctie die aan de verdachte moet worden opgelegd, heeft de rechtbank zich laten leiden door de aard en de ernst van de bewezenverklaarde feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan, alsmede de persoon, zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.
Ernst van de feiten
Op 27 december 2022 heeft een geweldsexplosie plaatsgevonden gericht tegen het slachtoffer. De verdachte heeft zich meerdere keren schuldig gemaakt aan een poging tot zware mishandeling door met een bestelbus op het slachtoffer in te rijden, waarbij het slachtoffer de laatste keer daadwerkelijk is geraakt en op de grond terecht is gekomen. Het slachtoffer is vervolgens geslagen en geschopt door de verdachte en twee andere personen. Het geweld is doorgegaan terwijl het slachtoffer op de grond lag, waarbij hij meermalen tegen zijn hoofd is geslagen en getrapt. Uit niets is gebleken dat de verdachte het slachtoffer kende en evenmin had het slachtoffer iets te maken met de gebeurtenissen eerder op de avond tussen de verdachte en zijn zus [naam 1], die aanleiding lijken te zijn geweest van de bewezenverklaarde feiten. Door desondanks over te gaan tot deze mate van geweld rekent de rechtbank de verdachte aan. Het slachtoffer wilde alleen een vriendin, die hem dat had gevraagd, komen ophalen. Het slachtoffer heeft gelukkig slechts licht letsel aan de feiten overgehouden. Het is echter niet aan het handelen van de verdachte te danken dat het niet veel erger is afgelopen. De verdachte heeft door dit handelen, ook samen met anderen, een grove inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van het slachtoffer.
Daarnaast is de verdachte meerdere keren op de auto van het slachtoffer ingereden, waardoor deze auto flink beschadigd is. Door aldus te handelen heeft de verdachte geen respect getoond voor andermans eigendom.
Zowel de poging tot zware mishandeling, de openlijke geweldpleging en de vernieling hebben zich in de nachtelijke uren en midden in een woonwijk afgespeeld en omstanders zijn getuige geweest van deze grove geweldpleging. Daarmee heeft de verdachte een inbreuk gemaakt op de rechtsorde en gevoelens van onrust en onveiligheid veroorzaakt in de samenleving.
Persoon van de verdachte
Met betrekking tot de persoon van de verdachte heeft de rechtbank gelet op het strafblad van de verdachte (Uittreksel Justitiële Documentatie) van 14 oktober 2025, waaruit blijkt dat de verdachte niet eerder wegens soortgelijke feiten is veroordeeld. De rechtbank heeft daarnaast oog voor het feit dat de verdachte sinds 27 december 2022 geen nieuwe strafbare feiten heeft gepleegd.
Op te leggen straf
De rechtbank is van oordeel dat de ernst van de bewezen verklaarde feiten in beginsel zonder meer een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van enige duur rechtvaardigt. Bij het bepalen van de hoogte van die straf heeft de rechtbank gekeken naar de straffen die in soortgelijke zaken worden opgelegd en naar de oriëntatiepunten van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS). Daarnaast houdt de rechtbank in strafmatigende zin rekening met de omstandigheid dat het gaat om feiten uit 2022, bijna drie jaar geleden.
Alles afwegende is de rechtbank van oordeel dat een gevangenisstraf voor de duur van twaalf maanden moet worden opgelegd.
Tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat de verdachte in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma als bedoeld in artikel 4 van de Penitentiaire beginselenwet.
Anders dan de officier van justitie ziet de rechtbank, drie jaar na de pleegdatum en omdat er sindsdien geen strafbare (verkeers)feiten zijn gepleegd, geen aanleiding om een ontzegging van de rijbevoegdheid op te leggen.
7. Vordering benadeelde partij en schadevergoedingsmaatregel
Namens de benadeelde partij [slachtoffer] is door zijn advocaat, mr. D.W. Roos, advocaat te ‘s-Gravenhage, een vordering tot schadevergoeding van € 6.443,- ingediend tegen de verdachte wegens materiële en immateriële schade die hij zou hebben geleden als gevolg van de ten laste gelegde feiten. De gestelde materiële schade bestaat uit € 268,- voor de aanschaf van een bril. De gestelde immateriële schade bestaat uit € 6.175,- wegens fysiek en psychisch letsel. Daarnaast vraagt de benadeelde partij om het toegewezen bedrag te vermeerderen met de wettelijke rente en de schadevergoedingsmaatregel op te leggen.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de benadeelde partij in de vordering betreffende de materiële schade niet-ontvankelijk moet worden verklaard wegens het ontbreken van causaal verband tussen de aanschaf van de bril en de bewezenverklaarde feiten. Ten aanzien van de immateriële schade stelt de officier van justitie zich op het standpunt dat deze voldoende is onderbouwd en dat deze kan worden toegewezen.
Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft zich, gelet op de bepleite vrijspraak, op het standpunt gesteld dat de benadeelde niet-ontvankelijk moet worden verklaard in de vordering tot schadevergoeding.
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank is van oordeel dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk moet worden verklaard in de vordering ter zake de materiële schade, omdat het causaal verband tussen de aanschaf van de bril en de bewezenverklaarde feiten onvoldoende is onderbouwd. De benadeelde partij droeg ten tijde van de bewezen verklaarde feiten geen bril en niet is onderbouwd dat hij als direct gevolg van de feiten een bril moest gaan dragen.
Ten aanzien van de gevorderde immateriële schade stelt de rechtbank vast dat de benadeelde partij als gevolg van de onder 1 subsidiair en 2 bewezenverklaarde feiten lichamelijk letsel heeft opgelopen. Daardoor kan hij op grond van artikel 6:106, aanhef en onder b, van het Burgerlijk Wetboek aanspraak maken op vergoeding van immateriële schade. De rechtbank komt vergoeding van de gevorderde immateriële schade tot een bedrag van € 3.500,- billijk voor. De rechtbank heeft hierbij gelet op de aard en ernst van de feiten, de bedragen die in vergelijkbare zaken worden toegewezen en de onderbouwing van de vordering. De benadeelde partij zal ten aanzien van het meer gevorderde niet-ontvankelijk worden verklaard.
De vordering zal dus gedeeltelijk worden toegewezen tot een bedrag van € 3.500,-. Het toegewezen bedrag zal worden vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 27 december 2022 over dit bedrag tot aan de dag der algehele voldoening.
Daarnaast moet de verdachte worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog moet maken, tot op heden begroot op nihil.
Schadevergoedingsmaatregel
De rechtbank ziet aanleiding met betrekking tot de vordering van de benadeelde partij de schadevergoedingsmaatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht op te leggen.
8. Toepasselijke wettelijke voorschriften
De volgende wetsartikelen zijn van toepassing:
artikel 36f, 45, 57, 141, 302 en 350 van het Wetboek van Strafrecht.
9. Beslissing
De rechtbank:
Verklaart niet bewezen wat aan de verdachte onder feit 1 primair is ten laste gelegd en spreekt hem daarvan vrij.
Verklaart bewezen dat de verdachte de ten laste gelegde feiten heeft begaan zoals hiervoor onder 3.4 weergegeven.
Verklaart niet bewezen wat aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt hem daarvan vrij.
Bepaalt dat de bewezen verklaarde feiten de hierboven onder 4. vermelde strafbare feiten opleveren.
Verklaart de verdachte hiervoor strafbaar.
Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 12 (twaalf) maanden.
Bepaalt dat de tijd die de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van dit vonnis in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.
Benadeelde partij
Wijst toe de vordering tot vergoeding van de door de benadeelde partij [slachtoffer] geleden schade tot een bedrag van € 3.500,- (zegge: drieduizend vijfhonderd euro), bestaande uit immateriële schade.
Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering.
Bepaalt dat het aan de benadeelde partij toegewezen bedrag wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 27 december 2022, tot aan de dag der algehele voldoening, aan de benadeelde partij, voornoemd, tegen behoorlijk bewijs van kwijting.
Veroordeelt de verdachte in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging alsnog te maken.
Schadevergoedingsmaatregel
Legt aan de verdachte op de verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van slachtoffer [slachtoffer], van een bedrag van € 3.500,- (zegge: drieduizend vijfhonderd euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door maximaal 45 dagen gijzeling en bepaalt dat het te betalen bedrag wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hiervoor genoemde aanvangsdata tot aan de dag der algehele voldoening. De toepassing van de gijzeling heft de hiervoor opgelegde betalingsverplichting niet op.
Bepaalt dat betalingen aan de benadeelde partij in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de Staat en dat betalingen aan de Staat in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij.
Samenstelling rechtbank en uitspraakdatum
Dit vonnis is gewezen door
mr. J.F. van Halderen, voorzitter,
mr. M.E. Francke en mr. A.M.C. de Haan, rechters,
in tegenwoordigheid van de griffier mr. L. Verheul,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 5 december 2025.
Bijlage
De bewijsmiddelen
(…)