ECLI:NL:RBNHO:2025:14474

ECLI:NL:RBNHO:2025:14474, Rechtbank Noord-Holland, 03-12-2025, 11629406 \ CV EXPL 25-1225

Instantie Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak 03-12-2025
Datum publicatie 06-01-2026
Zaaknummer 11629406 \ CV EXPL 25-1225
Rechtsgebied Civiel recht; Verbintenissenrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Alkmaar

Samenvatting

onbetaald gelaten declaraties advocaat, afwijkende afspraak, wanprestatie

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Civiel recht

Kantonrechter

Zittingsplaats Alkmaar

Zaaknummer: 11629406 \ CV EXPL 25-1225 TB

Vonnis van 3 december 2025

in de zaak van

[eiser] ,

te [woonplaats] ,

eisende partij,

hierna te noemen: [eiser] ,

gemachtigde: mr. M. de Jong

tegen

[gedaagde] ,

te [woonplaats] ,

gedaagde partij,

hierna te noemen: [gedaagde] ,

procederend in persoon.

1. De procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding van 25 maart 2025

- de mondelinge conclusie van antwoord van 2 april 2025

- het aanvullend antwoord van [gedaagde] van 14 april 2025

- het tussenvonnis van 30 april 2025

- de mondelinge behandeling van 11 november 2025, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De feiten

[eiser] heeft in opdracht en voor rekening van [gedaagde] juridische diensten verricht.

[eiser] heeft aan [gedaagde] in rekening gebracht voor honorarium inclusief btw bij:

factuur van 10 september 2022 een bedrag van € 440,25

factuur van 25 april 2023 een bedrag van € 1.120,03

factuur van 12 juni 2023 een bedrag van € 2.032,80.

3. Het geschil

[eiser] vordert - samengevat - veroordeling van [gedaagde] tot betaling van € 4.856,98, vermeerderd met rente en kosten.

[eiser] legt aan de vordering ten grondslag – kort weergegeven – dat in opdracht en voor rekening van [gedaagde] werkzaamheden zijn verricht door [eiser] voor € 3.593,08. [gedaagde] heeft de hem toegezonden facturen voor deze werkzaamheden onbetaald gelaten. [eiser] vordert daarnaast buitengerechtelijke incassokosten van € 484,31 en vervallen wettelijke handelsrente tot een bedrag van € 779,98.

[gedaagde] voert verweer. [gedaagde] is van mening dat hij de declaraties niet hoeft te betalen. Hij voert in de eerste plaats aan dat tussen partijen is afgesproken dat de kosten om een rechtszaak te starten ongeveer € 2.000,- à € 2.500,- zouden kosten terwijl [eiser] in totaal € 7.000,- heeft gedeclareerd. [gedaagde] heeft al een bedrag van € 3.500,- betaald. [gedaagde] stelt bovendien dat enig resultaat is uitgebleven, er verschillende personen hebben gewerkt aan het dossier en dat [eiser] de opdracht niet goed heeft uitgevoerd dan wel werkzaamheden niet heeft verricht die wel zijn gefactureerd.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.

4. De beoordeling

Tussen partijen is niet in geschil dat tussen hen een overeenkomst van opdracht tot stand is gekomen op grond waarvan [eiser] werkzaamheden heeft verricht. De vraag die in deze zaak beantwoord moet worden is of [gedaagde] veroordeeld moet worden tot betaling van een drietal declaraties van [eiser] voor de in de periode van 13 juni 2022 tot en met 12 juni 2023 verrichte werkzaamheden. De kantonrechter wijst de vordering van [eiser] toe. Daartoe wordt het volgende overwogen.

[gedaagde] voert in de eerste plaats aan dat tussen partijen een afwijkende afspraak is gemaakt over de totale kosten voor de te verrichten werkzaamheden. [eiser] betwist dat een dergelijke afspraak is gemaakt en verwijst naar de opdrachtbevestiging van 13 mei 2022. Dit betreft een aanvullende opdracht. De door [eiser] verrichte werkzaamheden worden gedeclareerd tegen een uurtarief van € 200,- per uur. De betalingen waar [gedaagde] aan refereert zien niet op de facturen die in deze procedure worden gevorderd.

De kantonrechter volgt [gedaagde] niet in zijn verweer. De kantonrechter constateert dat [eiser] op 13 mei 2022 een uitgebreide opdrachtbevestiging heeft gestuurd aan [gedaagde] waarin [eiser] onder meer het uurtarief van € 200,- per uur bespreekt en ingaat op de complexiteit van de zaak en de verschillende civielrechtelijke, bestuursrechtelijke en strafrechtelijke aspecten. Het is aan [gedaagde] om feiten en omstandigheden aan te voeren ter onderbouwing van zijn stelling dat er een afwijkende afspraak is gemaakt en dat heeft hij niet gedaan. De kantonrechter neemt daarom de opdrachtbevestiging als uitgangspunt.

[eiser] heeft declaraties gestuurd aan [gedaagde] van totaal € 3.593,08 en heeft urenspecificaties bij de declaraties gevoegd. [gedaagde] betwist dat bepaalde werkzaamheden door [eiser] zijn uitgevoerd. Op de zitting heeft [eiser] een toelichting gegeven op het verweer van [gedaagde] . [gedaagde] heeft dit verder niet meer betwist. Wat daar ook van zij, [eiser] heeft de door [gedaagde] betwiste werkzaamheden ook niet door gefactureerd aan [gedaagde] , zodat dit punt verder onbesproken kan blijven. Verder blijkt uit de specificaties dat de werkzaamheden nauwkeurig zijn bijgehouden en dat ook lang niet alle werkzaamheden aan [gedaagde] zijn gefactureerd. [gedaagde] heeft, anders dan wat hiervoor is besproken, niet concreet vermeld op welke punten de urenspecificaties verder onjuist zouden zijn of waarom de hoogte van de factuur onjuist is. Tussen partijen is daarmee verder niet in geschil dat die werkzaamheden daadwerkelijk zijn verricht. De werkzaamheden van [eiser] komen de kantonrechter niet onredelijk of onbegrijpelijk voor en het daarvoor in rekening gebrachte tarief komt de kantonrechter ook niet onredelijk voor. Daarmee is het uitgangspunt dat [gedaagde] de facturen moet betalen.

Naar de kantonrechter begrijpt heeft [gedaagde] zich ook op het standpunt gesteld dat [eiser] tekort is geschoten in de uitvoering van zijn taak en niet de belangen van [gedaagde] heeft behartigd op een manier die van een redelijk bekwaam en redelijk handelend advocaat in de gegeven omstandigheden mocht worden verwacht.

Omdat [gedaagde] zich op een tekortkoming van [eiser] beroept, is het aan hem om te stellen en onderbouwen dat [eiser] niet de zorgvuldigheid heeft betracht die van een redelijk bekwaam en redelijk handelend vakgenoot in de gegeven omstandigheden mag worden verwacht. [gedaagde] heeft echter onvoldoende feiten en omstandigheden naar voren gebracht waaruit de tekortkoming blijkt. Bovendien geldt dat als een partij van mening is dat de wederpartij zijn verplichtingen onvolledig of ondeugdelijk nakomt, dat niet op zichzelf betekent dat die partij van de eigen betalingsverplichting is bevrijd. Deze partij zal óf de ontbinding van de overeenkomst moeten inroepen óf nakoming moeten verlangen óf een beroep moeten doen op verrekening van een eigen (schade)vordering. [gedaagde] heeft echter geen juridische conclusies verbonden aan zijn stelling dat de werkzaamheden niet correct zijn uitgevoerd. Dit betekent dat, mocht er al sprake zijn van een toerekenbare tekortkoming aan de zijde van [eiser] , dit geen gevolgen heeft voor de verplichting van [gedaagde] om de facturen te betalen. Ook de omstandigheid dat [gedaagde] niet tevreden is over de door [eiser] voor hem verrichte werkzaamheden of het behaalde resultaat is op zichzelf geen reden om niet voor deze werkzaamheden te hoeven betalen. Dit geldt ook voor de omstandigheid dat door verschillende medewerkers van het kantoor van [eiser] op het dossier werkzaamheden zijn uitgevoerd. Blijkens de declaratiespecificaties zijn de verschillende medewerkers steeds betrokken geweest bij de zaak, terwijl niet is gebleken dat [gedaagde] daartegen destijds bezwaar heeft gemaakt. Het verweer van [gedaagde] wordt dan ook verworpen.

De conclusie is dat de kantonrechter de vordering van [eiser] zal toewijzen. Omdat [gedaagde] in verzuim is met betaling daarvan, is hij ook de wettelijke handelsrente verschuldigd. De wettelijke handelsrente zal worden toegewezen zoals gevorderd.

[eiser] vordert vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten. De vordering moet worden beoordeeld op grond van artikel 6:96 BW en het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit). Aan de wettelijke eisen voor een vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten is voldaan. Daarom zal een bedrag van € 484,31 worden toegewezen.

[gedaagde] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [eiser] worden begroot op:

- kosten van de dagvaarding

123,73

- griffierecht

257,00

- salaris gemachtigde

542,00

(2 punten × € 271,00)

- nakosten

135,00

(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)

Totaal

1.057,73

5. De beslissing

De kantonrechter

veroordeelt [gedaagde] om aan [eiser] te betalen een bedrag van € 4.856,98, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente als bedoeld in artikel 6:119a BW over een bedrag van € 3.593,08, vanaf de respectieve vervaldata van de onderliggende facturen, tot de dag van volledige betaling,

veroordeelt [gedaagde] om aan [eiser] te betalen een bedrag van € 484,31 aan buitengerechtelijke kosten,

veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 1.057,73, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [gedaagde] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.S. Reid en in het openbaar uitgesproken op 3 december 2025.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?