RECHTBANK NOORD-HOLLAND
Handel, Kanton en Bewind
locatie Alkmaar
Zaaknummer : 11264871 \ WM VERZ 24-1219
CJIB-nummer : ['nummer']
Uitspraakdatum : 27 maart 2025
Uitspraak op een beroep als bedoeld in artikel 9 van de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (WAHV) en proces-verbaal van de zitting
in de zaak van
naam : [betrokkene]
adres : [betrokkene]
woonplaats : [betrokkene] (hierna te noemen: betrokkene)
gemachtigde : [gemachtigde].
Het verloop van de procedure en het proces-verbaal van de zitting
Aan betrokkene is een administratieve sanctie (hierna te noemen: boete) opgelegd. Betrokkene heeft daartegen beroep ingesteld bij de officier van justitie. De officier van justitie heeft het beroep ongegrond verklaard. Tegen die beslissing is door betrokkene beroep ingesteld bij de kantonrechter.
De zaak is behandeld op de zitting van 14 maart 2025. Op de zitting is de vertegenwoordiger van de officier van justitie verschenen. Gemachtigde van betrokkene is ook verschenen.
De kantonrechter heeft na de zitting uitspraak gedaan.
Overwegingen
De gedraging waarvoor de boete is opgelegd, luidt – kort omschreven – als volgt: als bestuurder handelen in strijd met een gesloten verklaring in beide richtingen.
Betrokkene is het niet eens met de beslissing van de officier van justitie en heeft in het beroepschrift de gronden daarvoor aangevoerd. De gemachtigde van betrokkene stelt in het beroepschrift dat het ontbreken van het C-bord op de foto van de gedraging op andere wijze moet worden ondervangen met een deugdelijk schouwrapport. De verbalisant verklaard in de schouwrapporten een aantal zaken die hem ambtshalve bekend zijn, maar verklaart niet dat een schouw is uitgevoerd. Het aanvullend proces-verbaal kan daarom niet als deugdelijk schouwrapport worden aangemerkt, zodat de gedraging niet kan worden vastgesteld, aldus de gemachtigde. Op de zitting stelt de gemachtigde daarnaast de redelijke termijn van berechting is overschreden.
De vertegenwoordiger van de officier van justitie heeft op de zitting gesteld dat de boete terecht is opgelegd, maar dat de redelijke termijn van berechting is overschreden, zodat de boete dient te worden gematigd met 25%.
De kantonrechter stelt vast dat aan de voorwaarden van het Beleidskader wordt voldaan. De door de gemachtigde aangevoerde beroepsgrond met betrekking tot de schouwrapporten mist feitelijke grondslag, nu de verbalisant heeft verklaard op 13 december 2022 en op 12 januari 2023 een rondgang te hebben gemaakt langs alle locaties van de geslotenverklaring.
Van iedere weggebruiker mag worden verwacht dat deze oplettend is op de aanwezige bebording. De kantonrechter is daarom van oordeel dat betrokkene zich had moeten vergewissen of er een bord stond en dat de omstandigheid dat betrokkene dit heeft nagelaten, voor rekening en risico van betrokkene komt. De boete is dus terecht opgelegd.
De kantonrechter volgt het standpunt van de officier van justitie dat de redelijke termijn van berechting is overschreden en ziet, met verwijzing naar de uitspraak van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, aanleiding om de boete met 25% te matigen.
Het beroep is gelet op de matiging gegrond. De beschikking waarbij de boete is opgelegd zal worden gewijzigd.
Het verzoek om een proceskostenvergoeding wordt toegewezen, omdat betrokkene gedeeltelijk gelijk krijgt. Met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht zullen die kosten worden vastgesteld op een bedrag van € 907,00 (2 punten voor het beroepschrift en de zitting bij de kantonrechter, wegingsfactor 0,5, waarde per punt € 907,00). De in administratief beroep gemaakte proceskosten komen niet voor vergoeding in aanmerking.
De kantonrechter is niet bevoegd om kennis te nemen van de bezwaren tegen de uitbetaling van de proceskostenvergoeding.
De uitspraak
De kantonrechter:
‒ verklaart het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie gegrond en vernietigt die beslissing;
‒ verklaart het beroep tegen de beschikking waarbij de boete is opgelegd gedeeltelijk gegrond en matigt de boete tot een bedrag van € 75,00 (met handhaving van de administratiekosten);
‒ bepaalt dat de officier van justitie het bedrag dat betrokkene te veel als zekerheidstelling heeft betaald, aan betrokkene terugbetaalt;
‒ veroordeelt de officier van justitie tot het vergoeden van de proceskosten van de betrokkene tot een bedrag van € 907,00;
‒ verklaart zich onbevoegd om kennis te nemen van de bezwaren tegen de uitbetaling van de proceskostenvergoeding.
Deze uitspraak is gedaan door mr. D.D.M. Hazeu, kantonrechter, bijgestaan door de griffier, en in het openbaar uitgesproken.
De griffier De kantonrechter
Tegen deze uitspraak kan op grond van artikel 14 WAHV hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, binnen 6 weken na de hieronder vermelde dag van toezending. Hoger beroep is in beginsel alleen mogelijk als de boete in de uitspraak is bepaald op een bedrag van meer dan € 110,00. Het beroepschrift moet worden verzonden aan de afdeling Kanton van de rechtbank Noord-Holland, Postbus 251, 1800 BG Alkmaar. De wet gaat uit van een geheel schriftelijke procedure in hoger beroep, tenzij door u bij het beroepschrift uitdrukkelijk om een mondelinge behandeling van de zaak is verzocht. Het instellen van hoger beroep per e-mail is niet mogelijk.
Datum toezending: