RECHTBANK NOORD-HOLLAND
Team Straf, zittingsplaats Alkmaar
Meervoudige strafkamer
Parketnummer: 15/029887-25 (P)
Uitspraakdatum: 5 december 2025
Tegenspraak
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 21 november 2025 in de zaak tegen:
[verdachte] ,
geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats],
ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres:
[adres].
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie, mr. S. van Driel, en van wat de verdachte en zijn raadsman, mr. R.I. Takens, advocaat te Amsterdam, naar voren hebben gebracht.
1. Tenlastelegging
Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:
Feit 1
primair
hij op of omstreeks 24 januari 2025 te Zaandam, gemeente Zaanstad, in elk geval in Nederland tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en/of bedreiging met geweld [benadeelde 1] heeft gedwongen tot de afgifte van goud en/of brillen, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan opticien [benadeelde 2] en/of een derde toebehoorde(n) door
- samen met zijn mededader voornoemde opticien te betreden, beiden zwaaiend met hamers en daarmee te dreigen richting de winkelmedewerker van voornoemde opticien, [benadeelde 1] en/of
- op luide en dwingende toon tegen voornoemde [benadeelde 1] te schreeuwen 'naar boven, naar boven, naar boven' en/of
- met die [benadeelde 1] naar boven te lopen en die [benadeelde 1] boven te sommeren om op de grond te gaan liggen en/of
- slaande bewegingen met de hamers te maken in de richting van het hoofd van die [benadeelde 1] en/of
- die [benadeelde 1] te duwen en hem de kluis te laten openen en/of
- die [benadeelde 1] voornoemde spullen uit de kluis te laten pakken;
subsidiair
de thans onbekende dader NN1 en/of de thans onbekende dader NN2 en/of een of meer ander(en) op of omstreeks 24 januari 2025 te Zaandam, gemeente Zaanstad, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en/of bedreiging met geweld [benadeelde 1] heeft/hebben gedwongen tot de afgifte van goud en/of brillen, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan opticien [benadeelde 2] en/of een derde toebehoorde(n) tot en/of bij het plegen van welk misdrijf verdachte op of omstreeks 22 januari 2025 te Zaandam, gemeente Zaanstad, in elk geval in Nederland opzettelijk gelegenheid, middelen en/of inlichtingen heeft verschaft en/of opzettelijk behulpzaam is geweest door
- voornoemde opticien te bezoeken als zogenaamde klant en daarbij opnames van de winkel te maken met een telefoon en de medewerker te vragen waar de dure brillen lagen;
Feit 2
primair
hij op of omstreeks 24 januari 2025 te Zaandam, gemeente Zaanstad, in elk geval in Nederland tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, goud en/of brillen, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan opticien [benadeelde 2], in elk geval aan een ander dan aan verdachte en/of zijn mededader(s) toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl deze diefstal werd voorafgegaan, vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen [benadeelde 1], gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden of gemakkelijk te maken, of om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf of andere deelnemers aan het misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, door
- samen met zijn mededader voornoemde opticien te betreden, beiden zwaaiend met hamers en daarmee te dreigen richting de winkelmedewerker van voornoemde opticien, [benadeelde 1] en/of
- met voornoemde hamers vitrinekasten in te slaan en daaruit brillen weg te nemen;
subsidiair
de thans onbekende dader NN1 en/of de thans onbekende dader NN2 en/of een of meer ander(en) op of omstreeks 24 januari 2025 te Zaandam, gemeente Zaanstad, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen goud en/of brillen, in elk geval enig goed dat/die geheel of ten dele aan opticien [benadeelde 2], in elk geval aan een ander dan aan verdachte en/of zijn mededader(s) toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl deze diefstal werd voorafgegaan, vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen [benadeelde 1], gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te breiden of gemakkelijk te maken, of om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf of andere deelnemers aan het msidrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, tot en/of bij het plegen van welk misdrijf verdachte op of omstreeks 22 januari 2025 te Zaandam, gemeente Zaanstad, in elk geval in Nederland, opzettelijk gelegenheid, middelen en/of inlichtingen heeft verschaft en/of opzettelijk behulpzaam is geweest door
- voornoemde opticien te bezoeken als zogenaamde klant en daarbij opnames van de winkel te maken met een telefoon en de medewerker te vragen waar de dure brillen lagen.
2. Voorvragen
De dagvaarding is geldig, de rechtbank is bevoegd om van de zaak kennis te nemen, de officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging en er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.
3. Beoordeling van het bewijs
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van de onder 1 primair en 2 primair ten laste gelegde feiten.
Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft vrijspraak bepleit van de onder 1 primair en 2 primair ten laste gelegde feiten, omdat niet met de vereiste mate van zekerheid kan worden vastgesteld dat de verdachte een van de overvallers is geweest of anderszins door het leveren van een significante bijdrage als medepleger daarbij betrokken is geweest. Ten aanzien van de subsidiair ten laste gelegde feiten heeft de raadsman vrijspraak bepleit wegens het ontbreken van voldoende wettig en overtuigend bewijs.
Oordeel van de rechtbank
Redengevende feiten en omstandigheden
De rechtbank komt tot bewezenverklaring van de onder 1 primair en 2 primair ten laste gelegde feiten op grond van de bewijsmiddelen die in de bijlage bij dit vonnis zijn opgenomen.
Nadere bewijsoverwegingen feit 1 en feit 2
Feiten en omstandigheden
Op basis van het dossier en het verhandelde op de zitting stelt de rechtbank het volgende vast.
Op 24 januari 2025 heeft een overval plaatsgevonden op opticien [benadeelde 2] te Zaandam. Om 17:52 uur kwamen twee in het zwart geklede jongens de opticien binnen gerend. Zij droegen zwarte integraalhelmen en oranje werkhandschoenen en zwaaiden met hamers richting de aangever [benadeelde 1], die op dat moment in de opticien aan het werk was. De aangever werd gesommeerd om naar boven te gaan. Een van de overvallers gaf de aangever een duw waardoor hij met zijn lichaam tegen de muur en met zijn hoofd tegen de kluis aanviel. Hem werd bevolen plat op zijn buik te gaan liggen. De aangever moest vervolgens boven de kluis openen en de dure (ook gouden) monturen die daarin lagen, onder meer van het merk Cartier, aan de overvallers afgeven. De overvallers maakten daarbij met de hamers slaande bewegingen in de richting van het hoofd van de aangever. Onder dreiging van geweld is de aangever vervolgens bevolen weer naar beneden te gaan, waar een van de overvallers brillen uit vitrines en uit rekken pakte en deze in een tas stopte. Om 17:54 uur verlieten de twee overvallers de opticien en vertrokken zij op een scooter.
Voorts blijkt uit het dossier en het verhandelde op de zitting dat de verdachte degene is geweest die een paar dagen hiervoor, namelijk op 22 januari 2025, de opticien heeft bezocht.
De rechtbank ziet zich voor de vraag gesteld of de verdachte betrokken is geweest bij deze overval. De rechtbank beantwoordt deze vraag bevestigend en overweegt daartoe als volgt.
Betrokkenheid van de verdachte
Gelet op het voorgaande stelt de rechtbank allereerst vast dat op 24 januari 2025 twee overvallers binnen zijn geweest bij [benadeelde 2]. Op basis van het dossier kan de rechtbank echter niet vaststellen dat de verdachte een van die twee overvallers is geweest. De conclusies van de deskundigen in de Forensische Looppatroon Analyse (dossierpagina 224 e.v.), waarbij de beelden uit de opticien van 22 januari 2025 en 24 januari 2025 met elkaar zijn vergeleken, maken dat niet anders. De rechtbank wijst er daarbij op dat aan de conclusie uit het rapport dat de waarnemingen die zijn gedaan bij vergelijking van genoemde beelden, inhoudende dat die waarnemingen “waarschijnlijker” zijn wanneer dezelfde persoon op die beelden te zien is dan wanneer dat verschillende personen betreft, een te beperkte bewijswaarde kan worden toegekend, mede in het licht van de overige stukken in het dossier. De rechtbank zal de Forensisch Looppatroon Analyse dan ook niet voor het bewijs gebruiken. Dat betekent dat de rechtbank niet toekomt aan het voorwaardelijk verzoek van de raadsman om een deskundige van het Nederlands Forensisch Instituut te (laten) benoemen teneinde te rapporteren over de gehanteerde onderzoeksmethode.
Voorverkenning
Zoals hiervoor reeds aangegeven stelt de rechtbank vast dat de verdachte op 22 januari 2025, twee dagen voor de overval, bij [benadeelde 2] is geweest. Hij heeft daar onder meer een oogmeting laten uitvoeren. De verdachte heeft daarbij foto’s gemaakt waarop te zien is dat hij verschillende brillen past. Hij heeft verder gevraagd of de opticien ook brillen van het merk Cartier verkocht. Terwijl de medewerker deze brillen van boven haalt, heeft de verdachte met zijn telefoon de winkel gefilmd. De verdachte heeft op de zitting verklaard dat hij het filmpje heeft gemaakt om zijn ouders te laten zien dat hij een oogmeting heeft laten uitvoeren, omdat zij hem anders niet zouden geloven. De rechtbank acht deze verklaring ongeloofwaardig en gaat aan die verklaring voorbij. De rechtbank overweegt dat de handelingen van de verdachte, te weten het twee dagen voor de overval bij [benadeelde 2] vragen naar Cartier brillen, het filmen van de winkel en meer specifiek het filmen van de trap naar boven waar de Cartier brillen in de kluis liggen, en het maken van foto’s van brillen, niet anders kunnen worden geïnterpreteerd dan als een voorverkenning in verband met het plegen van een overval op die opticien. De rechtbank kwalificeert dit bezoek, met inachtneming van de rest van het dossier, dan ook als een voorverkenning.
Inhoud van de telefoon van de verdachte
In de telefoon van de verdachte zijn diverse afbeeldingen aangetroffen waaronder van de trap in de opticien en van diverse brillen. De aangever heeft de brillen op deze foto’s herkend als de op 24 januari 2025 gestolen brillen van de opticien [benadeelde 2].
Daarnaast is in de telefoon van de verdachte een spraakmemo aangetroffen. Deze spraakmemo is op 24 januari 2025 om 18:09 uur opgenomen met de applicatie ‘Dictafoon’ en niet door deze telefoon verzonden of ontvangen. De spraakmemo is uitgewerkt en hieruit volgt dat vier verschillende stemmen zijn te horen (personen 1, 2 ,3 en 4). Door deze personen wordt gesproken over dat er niemand in de winkel was, dat het een toplocatie was, over brillen die gepakt waren, alles tellen en het gaan naar ‘stash’. Persoon 3 zegt onder andere dat het kanker snel ging, dat er sirenes waren en vraagt of ‘hij’ geen ding gaat houden, waarop persoon 1 vraagt ‘Cartje?’, waarmee vermoedelijk een bril van het merk Cartier bedoeld wordt. Persoon 3 antwoordt daarop bevestigend. Persoon 4 geeft nog aan dat hij ‘sowieso een Cartje gaat nemen.’ De verdachte heeft op de zitting verklaard dat hij persoon 3 is, maar heeft verder niet willen verklaren over de inhoud van het gesprek.
De rechtbank concludeert op basis van de inhoud van het gesprek en het feit dat het gesprek slechts 15 minuten na afloop van de overval door de telefoon van de verdachte is opgenomen, dat dit gesprek gaat over de overval bij [benadeelde 2] en dat de verdachte daar dus op enigerlei wijze betrokken bij is geweest.
Ook is in de telefoon van de verdachte een filmpje aangetroffen van 24 januari 2025 om 19:17 uur. Uit (de beschrijving van) het filmpje blijkt dat iemand een tas in het water van De Zaan te Zaandam gooit. In die tas zit een oranjekleurig voorwerp dat qua kleur overeenkomt met de door de daders van de overval gedragen handschoenen. De rechtbank is van oordeel dat de verdachte degene is die deze tas in het water gooit. De rechtbank leidt dat, naast dat het filmpje in de telefoon van de verdachte is aangetroffen, af uit het feit dat het telefoonnummer van de verdachte op dat moment een zogenaamde CELL-ID aanstraalt in het gebied waar de tas in het water is gegooid en op basis van de broek die degene die dit doet draagt. Dat betreft namelijk dezelfde broek als de verdachte draagt, te zien op een ander filmpje waarop de verdachte zichzelf op 24 januari om 12.57 uur filmt, eveneens aangetroffen in zijn telefoon, De rechtbank leidt hieruit af dat de verdachte degene is die binnen anderhalf uur na de overval de door de overvallers gedragen handschoenen in het water gooit.
Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat de verdachte een rol heeft gespeeld bij de overval op [benadeelde 2]. De rechtbank ziet zich vervolgens voor de vraag gesteld hoe de rol van de verdachte moet worden gekwalificeerd.
Juridische duiding van de rol van de verdachte bij de overval
De rechtbank stelt voorop dat de betrokkenheid aan een strafbaar feit als medeplegen kan worden bewezenverklaard wanneer is komen vast te staan dat bij het begaan daarvan sprake is geweest van een voldoende nauwe en bewuste samenwerking. Dit kan een gezamenlijke uitvoering zijn. Echter, ook wanneer het tenlastegelegde medeplegen in de kern niet bestaat uit een gezamenlijke uitvoering tijdens het begaan van het strafbare feit, maar uit gedragingen die doorgaans met medeplichtigheid in verband plegen te worden gebracht (zoals het verstrekken van inlichtingen, een voorverkenning of het op de uitkijk staan, het helpen bij de vlucht), kan sprake zijn van de voor medeplegen vereiste nauwe en bewuste samenwerking. De materiële en/of intellectuele bijdrage van de verdachte aan het strafbare feit zal dan van voldoende gewicht moeten zijn.
Bij de beoordeling of daaraan is voldaan, kan rekening worden gehouden met onder meer de intensiteit van de samenwerking, de onderlinge taakverdeling, de rol in de voorbereiding, de uitvoering of de afhandeling van het delict en het belang van de rol van de verdachte, diens aanwezigheid op belangrijke momenten en het zich niet terugtrekken op een daartoe geëigend tijdstip. Uit het dossier en het onderzoek op de zitting leidt de rechtbank met betrekking tot de betrokkenheid van de verdachte bij het tenlastegelegde het volgende af.
Twee dagen voor de overval heeft de verdachte bij [benadeelde 2] een oogmeting laten uitvoeren. Zoals hiervoor al is overwogen, kwalificeert de rechtbank dit bezoek als een voorverkenning verband houdend met de overval op 24 januari 2025. Enkele minuten na die overval voert de verdachte samen met drie anderen een gesprek, waarbij alle personen (inhoudelijk) spreken over de overval. De verdachte heeft bovendien afbeeldingen van de weggenomen brillen in zijn telefoon en hij heeft de door de twee overvallers gedragen handschoenen weggemaakt. Hoewel de verdachte geen openheid van zaken heeft gegeven en de rechtbank niet kan vaststellen of de verdachte een van de twee overvallers is geweest die binnen in de winkel zijn geweest, is de rechtbank van oordeel dat de hiervoor beschreven gang van zaken naar de uiterlijke verschijningsvorm enkel past bij de uitvoering van een gezamenlijk plan en dat de beschreven bijdrage van de verdachte daaraan ook van voldoende gewicht is geweest, zodat de verdachte als medepleger van de ten laste gelegde feiten wordt aangemerkt.
Conclusie
Gelet op al het voorgaande komt de rechtbank tot een bewezenverklaring van de aan de verdachte primair ten laste gelegde feiten. De rechtbank gaat voorbij aan de verklaring van de verdachte die kort gezegd inhoudt dat hij op geen enkele wijze betrokken is geweest bij de overval op 24 januari 2025, omdat die verklaring door de bewijsmiddelen wordt weerlegd.
Bewezenverklaring
De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de onder 1 en 2 primair ten laste gelegde feiten heeft begaan, in die zin dat
Feit 1
primair
hij op 24 januari 2025 te Zaandam, gemeente Zaanstad, tezamen en in vereniging met anderen, met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en bedreiging met geweld [benadeelde 1] heeft gedwongen tot de afgifte van brillen die geheel of ten dele aan opticien [benadeelde 2] toebehoorden door
- voornoemde opticien te betreden, zwaaiend met hamers en daarmee te dreigen richting de winkelmedewerker van voornoemde opticien, [benadeelde 1] en
- op luide en dwingende toon tegen voornoemde [benadeelde 1] te schreeuwen 'naar boven, naar boven, naar boven' en
- met die [benadeelde 1] naar boven te lopen en die [benadeelde 1] boven te sommeren om op de grond te gaan liggen en
- slaande bewegingen met de hamers te maken in de richting van het hoofd van die [benadeelde 1] en
- die [benadeelde 1] te duwen en hem de kluis te laten openen en
- die [benadeelde 1] voornoemde spullen uit de kluis te laten pakken.
Feit 2
primair
hij op 24 januari 2025 te Zaandam, gemeente Zaanstad, tezamen en in vereniging met anderen, brillen, die geheel of ten dele aan opticien [benadeelde 2] toebehoorden heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl deze diefstal werd voorafgegaan en vergezeld van bedreiging met geweld tegen [benadeelde 1], gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden of gemakkelijk te maken, door
- voornoemde opticien te betreden, zwaaiend met hamers en daarmee te dreigen richting de winkelmedewerker van voornoemde opticien, [benadeelde 1] en brillen weg te nemen.
De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten zijn verbeterd. Blijkens het verhandelde op de terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in zijn verdediging.
Wat aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hier als bewezen is aangenomen, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.
4. Kwalificatie en strafbaarheid van de feiten
Het bewezenverklaarde levert op:
Feit 1 primair
afpersing, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen.
Feit 2 primair
diefstal, voorafgegaan en vergezeld van bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en die diefstal gemakkelijk te maken, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen.
Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden waardoor de wederrechtelijkheid aan het bewezenverklaarde zou ontbreken. Het bewezenverklaarde is dan ook strafbaar.
De rechtbank is, anders dan de officier van justitie, van oordeel dat geen sprake is van eendaadse samenloop.
5. Strafbaarheid van de verdachte
Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dan ook strafbaar.
6. Motivering van de sanctie
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf van dertig maanden, met aftrek van het voorarrest.
Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft geen standpunt ingenomen ten aanzien van de strafmaat.
Oordeel van de rechtbank
Bij de beslissing over de sanctie die aan de verdachte moet worden opgelegd, heeft de rechtbank zich laten leiden door de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, alsmede de persoon van de verdachte, zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken. In het bijzonder heeft de rechtbank het volgende in aanmerking genomen.
Ernst van de feiten
De verdachte heeft zich samen met anderen schuldig gemaakt aan afpersing en diefstal met bedreiging met geweld door een opticien te overvallen. De verdachte heeft op 22 januari 2025 een voorverkenning gedaan. Op 24 januari 2025 zijn twee in het zwart geklede jongens de opticien binnengegaan. De overvallers droegen bivakmutsen en integraalhelmen, schreeuwden en zwaaiden met hamers. Het slachtoffer, dat op het moment van de overval in zijn eentje aan het werk was, is gesommeerd naar boven te gaan, de kluis te openen en daaruit dure monturen af te geven. Het slachtoffer is daarbij geduwd, is daardoor gevallen en heeft hieraan letsel overgehouden, waaronder een hersenschudding. De overvallers hebben een grote hoeveelheid (dure) brillen buitgemaakt.
De rechtbank acht de gepleegde feiten zeer ernstig. De wijze waarop de overval is gepleegd getuigt van een grote mate van brutaliteit en agressie. De verdachte heeft zich heeft laten leiden door zijn eigen financieel gewin, zonder erbij stil te staan wat voor gevolgen dit voor anderen, waaronder de opticien, [benadeelde 1], kan hebben. De verdachte heeft ook geen openheid van zaken gegeven over wat zich precies heeft voorgedaan. De verdachte neemt daarmee geen verantwoordelijkheid voor zijn handelen en heeft geen enkel gevoel van spijt getoond.
Intimiderende feiten als deze leiden tot angst en onveiligheid, in het bijzonder bij slachtoffers van deze feiten, maar ook bij getuigen en de samenleving in het algemeen. De verdachte heeft met zijn handelen bovendien een forse inbreuk gemaakt op de lichamelijke en psychische integriteit van het slachtoffer. Uit de vordering tot schadevergoeding en het verhandelde op de zitting blijkt dat het slachtoffer nog altijd gevolgen van de feiten ondervindt.
Persoon van de verdachte
Met betrekking tot de persoon van de verdachte heeft de rechtbank gelet op het strafblad van de verdachte (Uittreksel Justitiële Documentatie) van 14 oktober 2025, waaruit blijkt dat de verdachte niet eerder wegens soortgelijke feiten is veroordeeld. Wel is artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht van toepassing.
Op te leggen straf
De aard en ernst van de gepleegde feiten en de gevolgen daarvan voor het slachtoffer en de maatschappij rechtvaardigen naar het oordeel van de rechtbank zonder meer een onvoorwaardelijke gevangenisstraf. De rechtbank gaat bij de strafoplegging uit van de oriëntatiepunten van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS) en houdt rekening met straffen die rechters in vergelijkbare zaken hebben opgelegd. Voor een overval op een bedrijf met licht geweld of bedreiging heeft het LOVS een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden als uitgangspunt geformuleerd. De rechtbank weegt enerzijds mee dat de omvang van de buit groot is en dat het slachtoffer letsel heeft overgehouden aan de overval. Ook houdt de rechtbank rekening met de aard van de geuite dreiging, waarbij gebruik is gemaakt van hamers en dat sprake is van medeplegen. Anderzijds houdt de rechtbank er rekening mee dat sprake is van één feitencomplex.
Alles afwegend vindt de rechtbank een gevangenisstraf voor de duur van 27 maanden passend en geboden. De rechtbank zal bepalen dat de tijd die de verdachte in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht bij de tenuitvoerlegging van de gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht.
De tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat aan de verdachte voorwaardelijke invrijheidstelling wordt verleend als bedoeld in artikel 6:2:10 van het Wetboek van Strafvordering (Sv).
7. Beslag
De raadsman heeft ter terechtzitting verzocht de inbeslaggenomen auto terug te geven aan de verdachte.
De rechtbank stelt op basis van het dossier vast dat op de auto geen strafvorderlijk (klassiek) beslag op grond van artikel 94 Sv, maar enkel conservatoir beslag op grond van artikel 94a Sv rust. Nu artikel 353 Sv geen betrekking heeft op voorwerpen die via artikel 94a Sv in beslag zijn genomen, komt de rechtbank niet toe aan een beslissing over de in beslag genomen auto.
8. Vordering benadeelde partij en schadevergoedingsmaatregel
De benadeelde partij [benadeelde 1] heeft een vordering tot schadevergoeding ingediend tegen de verdachte wegens schade die de benadeelde partij als gevolg van de ten laste gelegde feiten zou hebben geleden. De vordering bestaat uit een bedrag van € 3.500,00 aan immateriële schade. Ook vordert hij vergoeding van de wettelijke rente over het toegewezen bedrag en oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering kan worden toegewezen, vermeerderd met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
Standpunt van de verdediging
Gelet op de bepleite vrijspraak heeft de raadsman verzocht de benadeelde partij niet-ontvankelijk te verklaren in de vordering.
Oordeel van de rechtbank
Gelet op artikel 6:106 BW ontstaat het recht op vergoeding van immateriële schade als gevolg van onrechtmatig handelen, onder meer in geval van aantasting in de persoon door het oplopen van lichamelijk letsel, door schade in de eer of goede naam of op andere wijze. Vergoeding van immateriële schade is op grond van art. 6:106 sub b BW onder meer mogelijk als de benadeelde partij lichamelijk letsel heeft opgelopen. In dit geval staat, gelet op de medische verklaring van 26 januari 2025, vast dat de benadeelde partij lichamelijk letsel heeft opgelopen als gevolg van de (mede) door de verdachte gepleegde strafbare feiten.
De rechtbank is van oordeel dat, gezien de aard en omstandigheden van de bewezen verklaarde feiten en het door de benadeelde partij opgelopen letsel, sprake is van immateriële schade. Vergoeding van de gevorderde schade van een bedrag van € 3.500,00 komt de rechtbank billijk voor. De vordering, die overigens niet is betwist, zal daarom geheel worden toegewezen.
De rechtbank zal de vordering van de benadeelde partij van € 3.500,00 toewijzen, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 24 januari 2025 tot aan de dag der algehele voldoening.
Daarbij zal de rechtbank bepalen dat indien een medeverdachte dit bedrag geheel of gedeeltelijk aan de benadeelde partij heeft betaald, de verdachte in zoverre zal zijn bevrijd.
Daarnaast wordt de verdachte veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog moet maken, tot op heden begroot op nihil.
Schadevergoedingsmaatregel
De rechtbank ziet als gevolg van verdachtes bewezen verklaarde handelen [kort gezegd: afpersing en diefstal met bedreiging van geweld] aanleiding ter zake van de vordering van de benadeelde partij de schadevergoedingsmaatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht op te leggen.
9. Toepasselijke wettelijke voorschriften
De volgende wetsartikelen zijn van toepassing:
36f, 47, 57, 63, 312 en 317 van het Wetboek van Strafrecht.
10. Beslissing
De rechtbank:
Verklaart bewezen dat de verdachte de onder 1 primair en 2 primair ten laste gelegde feiten heeft begaan zoals hiervoor onder 3.4 weergegeven.
Verklaart niet bewezen wat aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt hem daarvan vrij.
Bepaalt dat de bewezen verklaarde feiten de hierboven onder 4. vermelde strafbare feiten opleveren.
Verklaart de verdachte hiervoor strafbaar.
Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 27 (zevenentwintig) maanden.
Bepaalt dat de tijd die de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van dit vonnis in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.
Benadeelde partij
Wijst de vordering van de benadeelde partij [benadeelde 1] geheel toe en veroordeelt de verdachte tot betaling aan de benadeelde partij van een bedrag van € 3.500,00 (zegge: vijfendertighonderd euro), bestaande uit immateriële schade.
Bepaalt dat het aan de benadeelde partij toegewezen bedrag wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 24 januari 2025 tot aan de dag der algehele voldoening, aan de benadeelde partij, voornoemd, tegen behoorlijk bewijs van kwijting.
Bepaalt dat indien het bedrag geheel of gedeeltelijk door een medeverdachte is betaald, de verdachte in zoverre van die verplichting zal zijn bevrijd.
Veroordeelt de verdachte in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging alsnog te maken, tot op heden begroot op nihil.
Schadevergoedingsmaatregel
Legt aan de verdachte op de verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van de benadeelde partij van een bedrag van € 3.500,00, bepaalt dat bij gebreke van betaling en verhaal gijzeling kan worden toegepast voor de duur van maximaal 45 dagen en bepaalt dat het te betalen bedrag wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 24 januari 2025 tot aan de dag der algehele voldoening. De toepassing van de gijzeling heft de hiervoor opgelegde betalingsverplichting niet op.
Bepaalt dat indien het bedrag geheel of gedeeltelijk door een medeverdachte aan de Staat is betaald, de verdachte in zoverre van die verplichting zal zijn bevrijd.
Bepaalt dat betalingen aan de benadeelde partij in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de Staat en dat betalingen aan de Staat in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij.Samenstelling rechtbank en uitspraakdatum
Dit vonnis is gewezen door
mr. A.M.C. de Haan, voorzitter,
mr. M.E. Francke en mr. J.F. van Halderen, rechters,
in tegenwoordigheid van de griffier mr. A.I. Hoedjes,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 5 december 2025.
Bijlage
De bewijsmiddelen
(…)