RECHTBANK NOORD-HOLLAND
Team Straf, zittingsplaats Alkmaar
Meervoudige strafkamer
Parketnummer: 15/029887-25 (ontneming) (P)
Uitspraakdatum : 5 december 2025
vonnis ex artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht
Deze beslissing heeft betrekking op de vordering van de officier van justitie d.d. 17 oktober 2025 ten aanzien van de feiten in de zaak onder bovenstaand parketnummer, strekkende tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel als bedoeld in artikel 36e, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht (Sr) in de zaak tegen:
[veroordeelde] ,
geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats],
ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres:
[adres],
hierna te noemen: de veroordeelde
1. De vordering
De officier heeft bij vordering van 17 oktober 2025 schriftelijk gevorderd dat de rechtbank het bedrag als bedoeld in artikel 36e, vijfde lid, Sr zal vaststellen op € 53.919,- en dat aan veroordeelde de verplichting zal worden opgelegd tot betaling aan de Staat van dat bedrag ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel.
De officier van justitie baseert de vordering op de strafbare feiten waarvoor de veroordeelde is gedagvaard om op 21 november 2025 verschijnen voor de meervoudige strafkamer in deze rechtbank, waaromtrent voldoende aanwijzingen bestaan dat zij door de veroordeelde zijn begaan.
2. Het verloop van de procedure
De officier van justitie heeft bovengenoemde vordering aanhangig gemaakt met de oproeping van veroordeelde om te verschijnen op de terechtzitting van deze rechtbank op 21 november 2025. Op die zitting is naast de vordering ook de strafzaak tegen de veroordeelde aan de orde geweest.
Het onderzoek heeft plaatsgevonden op laatstgenoemde datum. Daarbij zijn gehoord de veroordeelde, zijn raadsman, mr. R.I. Takens, advocaat te Amsterdam en de officier van justitie.
Vervolgens is het onderzoek gesloten en is de uitspraak bepaald op 5 december 2025.
3. Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft ter terechtzitting de vordering voorgedragen en aangepast. Primair heeft de officier van justitie gevorderd dat het te ontnemen voordeel ten bedrage van € 53.919,- dient te worden verdeeld omdat sprake is van twee daders. Gelet daarop dient het ontnemingsbedrag te worden geschat op € 26.959,50.
Subsidiair stelt de officier van justitie zich op het standpunt dat, indien de weggenomen brillen zouden zijn verkocht, uitgegaan kan worden van de waarde van deze brillen in het helingscircuit. Voor de gouden brillen en/of de brillen van Cartier kan een percentage van 50% van de verkoopprijs worden aangehouden. Voor de overige brillen een percentage van 20%. Het wederrechtelijk verkregen voordeel dient in dat geval te worden geschat op een bedrag van € 22.014,-.
4. Het standpunt van veroordeelde en zijn raadsman
De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat geen sprake is van wederrechtelijk verkregen voordeel, nu de veroordeelde van de aan hem verweten strafbare feiten die aan de vordering ten grondslag liggen moet worden vrijgesproken.
5. De gronden voor de schatting van het bedrag van het wederrechtelijk verkregen voordeel
Grondslag van de vordering
Gezien de stukken waarop de vordering berust en waarnaar de vordering verwijst, alsmede de ter zitting door de officier van justitie gegeven toelichting, stelt de rechtbank vast dat het een vordering betreft die is gebaseerd op artikel 36e tweede lid, Sr. Op grond daarvan kan de verplichting worden opgelegd aan degene die is veroordeeld wegens een strafbaar feit en voordeel heeft verkregen door middel van of uit de baten van dat feit of andere strafbare feiten waaromtrent voldoende aanwijzingen bestaan dat zij door de veroordeelde zijn begaan.
Bij gelijktijdig gewezen vonnis van deze rechtbank van 5 december 2025 is de veroordeelde veroordeeld voor – kort gezegd –:
het medeplegen van afpersing door op 24 januari 2025 een medewerker van de opticien [benadeelde] te dwingen tot afgifte van brillen en
het medeplegen van diefstal door op 24 januari 2025 brillen van de opticien [benadeelde] weg te nemen, terwijl die diefstal werd voorafgegaan en vergezeld met bedreiging met geweld.
Dit brengt mee dat een wettelijke grondslag aanwezig is voor de vordering van de officier van justitie jegens de veroordeelde ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel gebaseerd op artikel 36e, tweede lid, Sr.
De ontnemingsrapportage
Op 18 juni 2025 heeft de verbalisant [verbalisant], brigadier van de politie Eenheid Noord-Holland, een rapport opgesteld betreffende het door de veroordeelde wederrechtelijk verkregen voordeel. Dit rapport zal hierna worden aangehaald als het rapport.
Bij het rapport zijn geen bijlagen gevoegd, omdat deze allemaal zijn opgenomen in het dossier van de onderliggende strafzaak tegen de veroordeelde. De rechtbank heeft bovendien de beschikking gehad over het volledige dossier van de strafzaak.
Opbrengst
Het rapport gaat uit van twee scenario’s. Indien de veroordeelde de goederen nog onder zich heeft, is de verkoopwaarde van die goederen aan te merken als wederrechtelijk verkregen voordeel. Indien de verkregen goederen zijn verkocht, dan kan voor het wederrechtelijk verkregen voordeel worden uitgegaan van ten minste de inkoopprijs. Omdat niet gebleken is dat de goederen zijn verkocht, is het aannemelijk dat de veroordeelde nog in het bezit is van de brillen. Er moet dus worden uitgegaan van de verkoopwaarde van € 53.919,-.
Kosten
Niet is gebleken dat de veroordeelde in dit verband enige kosten heeft gemaakt.
Conclusie rapport
Het wederrechtelijk verkregen voordeel toegerekend aan de veroordeelde bedraagt op basis van het rapport € 53.919,-.
De beoordeling
De rechtbank is van oordeel dat naar aanleiding van de vordering en het onderzoek ter terechtzitting voldoende aannemelijk is dat de veroordeelde wederrechtelijk verkregen voordeel heeft verkregen uit de baten van de hiervoor genoemde bewezenverklaarde feiten. Dit voordeel moet hem worden ontnomen.
Uit het rapport blijkt dat de bij de overval buitgemaakte brillen in totaal een verkoopwaarde van € 53.919,- vertegenwoordigden. In de strafzaak is gebleken dat sprake was van een bewust (gezamenlijk) plan gericht op de verwerving van in het bijzonder de gouden en/of Cartier brillen. Deze zijn na het verkrijgen daarvan naar een zogenoemde stash (de rechtbank begrijpt: bewaarplaats) gebracht. De rechtbank acht het niet aannemelijk dat de veroordeelde en zijn mededader(s) de brillen voor zichzelf wilden houden. Om die reden volgt de rechtbank de officier van justitie niet in haar primaire standpunt.
Wel acht de rechtbank het aannemelijk dat de brillen door de veroordeelde en zijn mededader(s), waarbij niet duidelijk is geworden hoeveel mededaders er waren, zijn of zouden worden verkocht. Op grond van vaste jurisprudentie sluit de rechtbank bij de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel aan bij de gangbare percentages bij verkoop in het helingscircuit. De rechtbank gaat bij de vaststelling van de waarde van de gouden en/of Cartier brillen in het helingcircuit uit van een percentage van 50% van de verkoopwaarde. Voor de overige brillen gaat de rechtbank uit van een percentage van 20% van de verkoopwaarde.
De rechtbank neemt de berekening zoals door de officier van justitie gemaakt en gevoegd bij schriftelijk requisitoir over.
De rechtbank heeft acht geslagen op het bepaalde in artikel 36e, zevende lid, Sr waarin - samengevat weergegeven - bepaald is dat bij het vaststellen van het wederrechtelijk verkregen voordeel rekening kan worden gehouden met het feit dat de feiten zijn gepleegd door twee of meer daders. Uit het hiervoor genoemde vonnis van heden en het onderliggende dossier blijkt van zodanige duidelijke aanwijzingen dat het vermoeden gerechtvaardigd is dat twee of meer bekende of onbekende daders gezamenlijk de beschikking hebben of gedurende een zekere tijd de beschikking hebben gehad over de gehele opbrengst van de strafbare feiten en de veroordeelde, als één van die daders geen, dat vermoeden ontzenuwende gegevens daarover heeft verschaft. Met andere woorden: de veroordeelde heeft de rechtbank geen inzicht gegeven in hoe de opbrengst van de overval op de opticien onder hem en zijn mededader(s) is verdeeld. Dat betekent dat de rechtbank het wederrechtelijk verkregen voordeel voor het geheel aan de veroordeelde zal toerekenen. De rechtbank is – alles afwegende – van oordeel dat de veroordeelde wederrechtelijk voordeel, geschat op een bedrag van € 22.014,-, heeft verkregen door middel van of uit de baten van de strafbare feiten waarvoor hij bij vonnis van 5 december 2025 is veroordeeld.
6. Vaststelling van het wederrechtelijk verkregen voordeel
De rechtbank is op grond van het bovenstaande van oordeel dat de maatregel ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel moet worden opgelegd.
De rechtbank is van oordeel dat vooralsnog niet aannemelijk is geworden dat veroordeelde nu en in de toekomst over onvoldoende financiële draagkracht zal beschikken om aan een hem op te leggen betalingsverplichting te voldoen.
Ook overigens is niet gebleken van feiten en omstandigheden, op grond waarvan het door veroordeelde te betalen bedrag lager zou moeten worden vastgesteld dan op het bedrag van het geschatte voordeel.
De rechtbank zal gelet op het vorenstaande het door veroordeelde te betalen bedrag vaststellen op € 22.014,-.
7. Toepasselijke wettelijke bepaling
De op te leggen maatregel is gegrond op artikel 36e Sr.
8. Beslissing
De rechtbank:
Stelt het bedrag, waarop het wederrechtelijk voordeel wordt geschat, vast op € 22.014,- (tweeëntwintigduizend veertien euro).
Legt aan Saeed Ibrahim Mohamed op de verplichting tot betaling aan de Staat van een geldbedrag ter grootte van € 22.014,- (tweeëntwintigduizend veertien euro), ter ontneming van het geschatte wederrechtelijk verkregen voordeel.
Wijst de vordering voor het overige af.
Bepaalt de duur van de gijzeling die met toepassing van artikel 6:6:25 van het Wetboek van Strafvordering ten hoogste kan worden gevorderd op 440 dagen.
Samenstelling rechtbank en uitspraakdatum
Dit vonnis is gewezen door
mr. A.M.C. de Haan, voorzitter,
mr. M.E. Francke en mr. J.F. van Halderen, rechters,
in tegenwoordigheid van de griffier mr. A.I. Hoedjes,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 5 december 2025.