[verzoeker] , uit Den Helder, verzoeker
(gemachtigde: mr. T. Novakovic),
en
de burgemeester van de gemeente Den Helder
(gemachtigden: S.N. Coffie en M. Scholte).
Inleiding
In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op het verzoek om een voorlopige voorziening van verzoeker tegen het besluit van 27 november 2025 tot sluiten van zijn woning per 5 december 2025, voor de duur van drie maanden.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 15 december 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: verzoeker, de gemachtigde van verzoeker en de gemachtigden van de burgemeester.
Na afloop van de zitting heeft de voorzieningenrechter onmiddellijk uitspraak gedaan.
De beslissing
De voorzieningenrechter wijst het verzoek af. Voor vergoeding van het griffierecht of een proceskostenveroordeling bestaat daarbij geen aanleiding. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe hij tot dit oordeel komt. Zijn oordeel heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.
Achtereenvolgens dienen de volgende vragen te worden beantwoord:
Was de burgemeester bevoegd om de woning te sluiten?
Is sluiting van de woning door de burgemeester in dit geval evenredig?
De evenredigheidsbeoordeling bestaat uit meerdere onderdelen: een beoordeling van de geschiktheid, van de noodzaak en van de evenwichtigheid van de sluiting.
Toepassing van voornoemd toetsingskader leidt tot het volgende.
Bevoegdheid
In de woning van verzoeker, in een verborgen ruimte achter een plank, is ongeveer 300 gram cocaïne aangetroffen. Verzoeker heeft hierover aan de politie verklaard dat de aangetroffen substantie crack (een bewerkte vorm van cocaïnepoeder) betreft. Daarnaast is bij verzoeker een bedrag van € 1.480,00 aan contact geld aantroffen. Gelet hierop is er een bewijsvermoeden dat sprake van handel in harddrugs. Dit bewijsvermoeden wordt ondersteund door meerdere MMA-meldingen gedurende de periode 2022 tot en met november 2025, informatie van de Woningstichting Den Helder van 11 november 2025 en cameraobservaties in de maand november. Uit de hieruit verkregen gegevens volgt dat verzoeker veel aanloop heeft met kortstondige bezoeken en dat er sprake is van overlast. Dit ondersteunt het vermoeden dat verzoeker handelt in drugs. Met de enkele verklaring van verzoeker dat de aangetroffen hoeveelheid drugs voor eigen gebruik zou zijn heeft hij dit bewijsvermoeden niet weten te ontkrachten. De burgemeester is gelet op hetgeen is aangetroffen en het daaruit voortvloeiende vermoeden naar voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter dan ook bevoegd om tot sluiting van de woning over te gaan.
Geschiktheid en noodzakelijkheid
De voorzieningenrechter is vooralsnog van oordeel dat de burgemeester navolgbaar heeft gemotiveerd dat de sluiting (op het tijdstip dat hem ingevolge deze besluitvorming voor ogen staat) een geschikt middel is en noodzakelijk is. De voorzieningenrechter acht de sluiting gerechtvaardigd gezien het feit dat het om harddrugs gaat, de op drugshandel wijzende overlastgevende situatie al jaren bestaat en dat zelfs tijdens de handhavingsprocedure nog veel op drugshandel wijzende (aan-)loop naar de woning is geconstateerd. Van enig tijdsverloop tussen overtreding en effectuering van de sluiting lijkt daarom ook geen sprake.
Evenwichtigheid
Verzoeker heeft aangevoerd dat hij en zijn dieren dakloos zullen worden door de sluiting van de woning. De voorzieningenrechter ziet hierin vooralsnog geen aanleiding voor het oordeel dat de sluiting in verzoekers geval onevenwichtig zou zijn. Redengevend hiervoor is dat verzoeker ter zitting heeft verklaard dat hij en zijn dieren thans feitelijk onderdak hebben. Voor zover verzoeker daarvan in het vervolg verstoken zou blijven, heeft de burgemeester ter zitting toegezegd verzoeker dan te zullen ondersteunen in zijn zoektocht naar opvang.
De voorzieningenrechter wijst in dit verband op de zorgplicht van de burgemeester, inhoudende dat de burgemeester daadwerkelijk informeert naar de mogelijkheden van geschikte opvang. Dit is staande jurisprudentie van de Afdeling Bestuursrecht van de Raad van State (vgl. ABRvS 4 december 2019, ECLI:NL:RVS:2019:4083). Hoewel een toepassing van een dergelijke vergewisplicht ontbreekt in het primaire besluit van 27 november 2025, ziet de voorzieningenrechter hierin geen aanleiding het besluit evident onrechtmatig te achten. Gelet ook op de toezegging kan dit gebrek worden hersteld in de bezwaarfase.
Partijen zijn erop gewezen dat tegen deze mondelinge uitspraak geen hoger beroep of verzet openstaat.
De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 15 december 2025 door mr. M. Jurgens, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. E. Degen, griffier.
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van dit proces-verbaal is verzonden aan partijen op: