RECHTBANK NOORD-HOLLAND
Team Straf, zittingsplaats Haarlem
Meervoudige strafkamer
Parketnummer: 15/148585-25 (P)
Uitspraakdatum: 12 december 2025
Tegenspraak
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 28 november 2025 in de zaak tegen:
[verdachte] ,
geboren op [geboortedatum en -plaats 1],
ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres [adres 1].
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie
mr. M. Lenderink en van hetgeen de verdachte en zijn raadsman, mr. J.P. Plasman, advocaat te Amsterdam, naar voren hebben gebracht.
1. Tenlastelegging
Aan de verdachte is, na wijziging van de tenlastelegging ten laste gelegd dat:
Feit 1 primair
hij op of omstreeks 15 mei 2025 te Velserbroek, gemeente Velsen, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk een ontploffing teweeg heeft gebracht door een explosief tegen en/of in de directe nabijheid van het (keukenraam van de) woning gelegen aan de [adres 2], te plaatsen en deze tot ontploffing te brengen, terwijl daarvan
- gemeen gevaar voor goederen, te weten de woning gelegen aan de [adres 2] en/of de goederen die zich in die woning bevonden en/of tuinmeubilair en/of een personenauto met het kenteken [kenteken] en/of- levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander, te weten de bewoners van de woning gelegen aan de [adres 2] te duchten was;
subsidiair [naam] op of omstreeks 15 mei 2025 te Velserbroek, gemeente Velsen, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk een ontploffing teweeg heeft gebracht door een explosief tegen en/of in de directe nabijheid van het (keukenraam van de) woning gelegen aan de [adres 2], te plaatsen en deze tot ontploffing te brengen, terwijl daarvan- gemeen gevaar voor voor goederen, te weten de woning gelegen aan de [adres 2] en/of de goederen die zich in die woning bevonden en/of tuinmeubilair en/of een personenauto met het kenteken [kenteken] en/of- levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander, te weten de bewoners van de woning gelegen aan de [adres 2] te duchten wasbij en/of tot het plegen van welk misdrijf verdachte op of omstreeks 15 mei 2025 te Velserbroek, gemeente Velsen, althans in Nederland, opzettelijk behulpzaam is geweest en/of opzettelijk gelegenheid, middelen en/of inlichtingen heeft verschaft, door:- met die [naam] op een motorscooter, althans een voertuig naar het pand gelegen aan de [adres 2] te rijden alwaar dat explosief is geplaatst en tot ontploffing is gebrachten en/of
- ( vervolgens) met die [naam] op een motorscooter, althans een voertuig te vluchten vanaf de plaats delict;
Feit 2
primair hij op of omstreeks 12 mei 2025 te Velserbroek, gemeente Velsen, althans in Nederland,tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk een ontploffing teweeg heeft gebracht door een explosief tegen en/of in de directe nabijheid van de (voordeur van de) woning gelegen aan de [adres 2], te plaatsen en deze tot ontploffing te brengen,terwijl daarvan- gemeen gevaar voor goederen, te weten de woning gelegen aan de [adres 2] en/of de goederen die zich in die woning bevonden en/of tuinmeubilair en/of een personenauto met het kenteken [kenteken] en/of- levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander, te weten de bewoners van de woning gelegen aan de [adres 2] te duchten was;
subsidiair [naam] op of omstreeks 12 mei 2025 te Velserbroek, gemeente Velsen, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk een ontploffing teweeg heeft gebracht door een explosief tegen en/of in de directe nabijheid van de (voordeur van de) woning gelegen aan de [adres 2], te plaatsen en deze tot ontploffing te brengen, terwijl daarvan- gemeen gevaar voor voor goederen, te weten de woning gelegen aan de [adres 2] en/of de goederen die zich in die woning bevonden en/of tuinmeubilair en/of een personenauto met het kenteken [kenteken] en/of- levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander, te weten de bewoners van de woning gelegen aan de [adres 2] te duchten wasbij en/of tot het plegen van welk misdrijf verdachte op of omstreeks 12 mei 2025 te Velserbroek, gemeente Velsen, althans in Nederland, opzettelijk behulpzaam is geweest en/of opzettelijk gelegenheid, middelen en/of inlichtingen heeft verschaft, door:- met die [naam] op een motorscooter, althans een voertuig naar het pand gelegen aande [adres 2] te rijden alwaar dat explosief is geplaatst en tot ontploffing is gebrachten en/of- (vervolgens) met die [naam] op een motorscooter, althans een voertuig te vluchten vanaf de plaats delict.
2. Voorvragen
De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zij bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.
3. Beoordeling van het bewijs
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gerekwireerd tot vrijspraak van het onder 2 ten laste gelegde feit wegens – kort gezegd – het ontbreken van wetenschap van de explosie en dubbel opzet.
De officier van justitie heeft verder gerekwireerd tot bewezenverklaring van het onder 1 primair ten laste gelegde feit. De verdachte heeft wetenschap gehad dat deze explosie ging plaatsvinden, gelet op de Snapchat berichten waarin wordt besproken dat de eerste explosie niet naar behoren is uitgevoerd. De verdachte heeft een essentiële rol gespeeld om het delict te kunnen plegen en er was sprake van een intensieve samenwerking. Dat maakt dat de bijdrage van de verdachte voldoende significant is en de kwalificatie medeplegen rechtvaardigt.
Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft zich, in navolging van de officier van justitie, op het standpunt gesteld dat de verdachte moet worden vrijgesproken van feit 2 (primair en subsidiair).
Ten aanzien van feit 1 primair heeft de raadsman bepleit dat geen sprake is van medeplegen. De verdachte heeft enkel de beperkte rol van chauffeur vervuld, zodat geen sprake is van de voor een bewezenverklaring van medeplegen vereiste nauwe en bewuste samenwerking. De raadsman heeft zich ten aanzien van de bewezenverklaring van het onder 1 subsidiair ten laste gelegde feit gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.
Oordeel van de rechtbank
Vrijspraak feit 2 Met de officier van justitie en de verdediging is de rechtbank van oordeel dat het onder 2 ten laste gelegde feit niet wettig en overtuigend is bewezen, zodat de verdachte daarvan zal worden vrijgesproken. De verdachte is weliswaar als chauffeur betrokken geweest bij de explosie, maar niet kan worden vastgesteld dat hij opzet had op deze explosie.
Ten aanzien van feit 1
Redengevende feiten en omstandigheden
De rechtbank komt tot bewezenverklaring van het onder 1 subsidiair ten laste gelegde feit op grond van de bewijsmiddelen die in de bijlage bij dit vonnis zijn vervat, waaronder de bekennende verklaring van de verdachte op de zitting.
Bewijsoverweging
Op 15 mei 2025 heeft omstreeks 02:30 uur een explosie plaatsgevonden bij de woning aan de [adres 2] in Velserbroek. De verdachte heeft de motorfiets bestuurd waarmee hij de medeverdachte [naam] een paar straten achter de woning heeft afgezet. Vervolgens heeft hij daar gewacht en is na de explosie met [naam] weggereden.
De vraag die de rechtbank dient te beantwoorden, is of de rol van de verdachte aangemerkt dient te worden als medeplegen of als medeplichtigheid.
Om te kunnen spreken van medeplegen, is vereist dat sprake is van een voldoende bewuste nauwe samenwerking tussen een verdachte en zijn mededader(s). Ook als het tenlastegelegde medeplegen in de kern niet bestaat uit een gezamenlijke uitvoering tijdens het begaan van het strafbare feit, maar uit gedragingen die doorgaans met medeplichtigheid in verband worden gebracht, kan sprake zijn van de voor medeplegen vereiste nauwe en bewuste samenwerking. De materiële en/of intellectuele bijdrage van de verdachte aan het strafbare feit moet dan wel van voldoende gewicht zijn. Bij de beoordeling hiervan, kan rekening worden gehouden met onder meer de intensiteit van de samenwerking, de onderlinge taakverdeling, de rol in de voorbereiding, uitvoering of afhandeling van het delict, het belang van de rol van de verdachte, diens aanwezigheid op belangrijke momenten en het zich niet terugtrekken op een daartoe geëigend tijdstip.
Op grond van het procesdossier en hetgeen op de zitting is besproken, kan het volgende worden vastgesteld. De verdachte is in een Snapchatgroep benaderd door een kennis van de voetbalclub om de medeverdachte [naam] naar de [adres 2] te Velserbroek te brengen. De verdachte heeft verklaard dat hij wist dat het de bedoeling was dat [naam] daar een explosief tot ontploffing zou brengen.
Op 15 mei 2025 heeft de verdachte [naam] in de nabijheid van de [adres 2] afgezet. Terwijl de verdachte op een afstand heeft gewacht, is [naam] te voet naar de woning gegaan, heeft hij het explosief geplaatst en tot ontploffing gebracht. Nadat de verdachte een knal hoorde, kwam [naam] aanrennen, is hij bij de verdachte achterop de motorfiets gesprongen en zijn zij samen weggereden.
Op grond van het vorenstaande is de rechtbank van oordeel dat de voor medeplegen vereiste voldoende nauwe en bewuste samenwerking tussen de verdachte en de medeverdachte(n) niet is komen vast te staan. De faciliterende en beperkte rol van de verdachte, te weten het enkel optreden als chauffeur, is een gedraging die past bij de kwalificatie van medeplichtigheid en niet bij medeplegen. Anders dan de officier van justitie heeft aangevoerd, is de rechtbank van oordeel dat het dossier onvoldoende aanknopingspunten biedt de verdachte een rol toe te dichten die verder gaat dan het fungeren als chauffeur.
De rechtbank acht het onder 1 primair ten laste gelegde feit dan ook niet wettig en overtuigend bewezen en zal de verdachte hiervan vrijspreken.
De rechtbank acht wel bewezen dat de verdachte behulpzaam is geweest bij het uitvoeren van de explosie door op te treden als chauffeur. Voor een veroordeling voor medeplichtigheid aan een feit is daarnaast ook vereist dat de verdachte opzet heeft gehad op het gronddelict. Dit laatste acht de rechtbank ook bewezen, gelet op het feit dat de verdachte heeft bekend dat hij wist dat een explosie zou gaan plaatsvinden.
De rechtbank acht op grond van het voorgaande dan ook wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan medeplichtigheid aan het opzettelijk een ontploffing teweegbrengen, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen en gevaar voor zwaar lichamelijk letsel te duchten was. Met de officier van justitie en de raadsman is de rechtbank van oordeel dat het dossier geen bewijs bevat dat bij de explosie sprake was van levensgevaar. De rechtbank zal de verdachte van dit deel van het onder feit 1 subsidiair ten laste gelegde dan ook vrijspreken.
Bewezenverklaring
De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 subsidiair ten laste gelegde feit heeft begaan, met dien verstande dat
Feit 1
subsidiair [naam] op 15 mei 2025 te Velserbroek, gemeente Velsen, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, opzettelijk een ontploffing teweeg heeft gebracht door een explosief tegen het keukenraam van de woning gelegen aan de [adres 2] te plaatsen en deze tot ontploffing te brengen, terwijl daarvan- gemeen gevaar voor goederen, te weten de woning gelegen aan de [adres 2] en de goederen die zich in die woning bevonden en tuinmeubilair en een personenauto met het kenteken [kenteken] en - gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander, te weten de bewoners van de woning gelegen aan de [adres 2] te duchten wasbij en/of tot het plegen van welk misdrijf verdachte op 15 mei 2025 in Nederland, opzettelijk behulpzaam is geweest door:- met die [naam] op een motorscooter naar het pand gelegen aan de [adres 2] te rijden alwaar dat explosief is geplaatst en tot ontploffing is gebracht en - vervolgens met die [naam] op een motorscooter te vluchten vanaf de plaats delict.
Hetgeen aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hier als bewezen is aangenomen, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.
4. Kwalificatie en strafbaarheid van het feit
Het bewezenverklaarde levert op:
feit 2 subsidiair
medeplichtigheid aan opzettelijk een ontploffing teweegbrengen, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen en gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander te duchten is.
Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden waardoor de wederrechtelijkheid aan het bewezenverklaarde zou ontbreken. Het bewezenverklaarde is dus strafbaar.
5. Strafbaarheid van de verdachte
Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.
6. Motivering van de sanctie
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 480 dagen, waarvan 375 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar onder aftrek van het voorarrest. Aan het voorwaardelijk strafdeel moeten de door de reclassering geadviseerde bijzondere voorwaarden worden verbonden.
Daarnaast heeft zij gevorderd dat aan de verdachte een taakstraf van 200 uur, subsidiair 100 dagen hechtenis, wordt opgelegd.
Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft de rechtbank verzocht rekening te houden met de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Hij is jong, heeft een baan en volgt een opleiding. De raadsman heeft voorts verzocht geen onvoorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen die de duur van het voorarrest overstijgt. Indien de rechtbank dat nodig acht, kan daarnaast een voorwaardelijke gevangenisstraf worden opgelegd en zo nodig een taakstraf bij wijze van vergelding.
Oordeel van de rechtbank
Bij de beslissing over de strafoplegging heeft de rechtbank zich laten leiden door de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, alsmede de persoon van de verdachte, zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.
Ernst van het feit
De verdachte is medeplichtig aan het teweegbrengen van een ontploffing bij een woning, midden in een woonwijk. Deze ontploffing vond midden in de nacht plaats en in de woning lag een gezin met twee kinderen te slapen. Het is voor het gezin een angstaanjagende gebeurtenis geweest, zoals ook gebleken is uit het ter terechtzitting door het slachtoffer uitgeoefende spreekrecht. Het gezin heeft twee weken niet thuis geslapen, omdat ze vreesden dat het nog eens zou gebeuren. In hun woning, een plek waar zij zich bij uitstek veilig zouden moeten voelen, voelen zij zich sinds de ontploffing nog steeds onveilig.
Een explosie als deze leidt daarnaast tot gevoelens van angst en onveiligheid bij de omwonenden en de samenleving als geheel. De rechtbank rekent het de verdachte zwaar aan dat hij heeft bijgedragen aan deze zeer intimiderende vorm van geweld en geen rekening heeft gehouden met de gevolgen voor de slachtoffers en omwonenden.
Persoon van de verdachte
Met betrekking tot de persoon van de verdachte heeft de rechtbank gelet op het strafblad van de verdachte van 16 oktober 2025, waaruit blijkt dat de verdachte niet eerder is veroordeeld voor een soortgelijk feit.
De rechtbank heeft daarnaast acht geslagen op het over de verdachte uitgebrachte reclasseringsrapport van 17 september 2025. Uit dit rapport blijkt dat de verdachte in sociaal-maatschappelijk opzicht zijn leven op orde heeft. Hij volgt een mbo-opleiding en er is een steunend en beschermend netwerk van vrienden en familie. De reclassering is van mening dat de verdachte baat zal hebben bij een inzichtgevende behandeling gericht op delictpreventie. Een ambulante behandeling zal daarvoor een geschikt middel zijn. De reclassering schat het recidiverisico in als laag en adviseert bij een veroordeling een (deels) voorwaardelijke straf met bijzondere voorwaarden op te leggen, te weten:
- een meldplicht bij de reclassering
- ambulante behandeling
- een contactverbod met de medeverdachte
- het volgen van een opleiding
- een dagbesteding.
De verdachte heeft op de zitting aangegeven zich te willen houden aan de door de reclassering geadviseerde bijzondere voorwaarden.
Op te leggen straf
De rechtbank is van oordeel dat de ernst van het bewezen verklaarde feit en de impact die een dergelijk feit heeft op de slachtoffers daarvan en de samenleving als geheel, zonder meer een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van enige duur rechtvaardigt. Daar staat tegenover dat de rechtbank de positieve ontwikkeling van de verdachte, waaronder zijn schoolgang, niet wil doorkruisen door het opleggen van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf langer dan de tijd die de verdachte in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht. Bij het bepalen van de hoogte van de gevangenisstraf heeft de rechtbank acht geslagen op de straffen die in min of meer vergelijkbare zaken worden opgelegd. De rechtbank heeft in de strafoplegging ook meegewogen dat het bewezenverklaarde is gekwalificeerd als medeplichtigheid en niet als medeplegen.
Alles afwegende vindt de rechtbank een gevangenisstraf voor de duur van 480 dagen, waarvan 375 dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaar, passend en geboden.
Het onvoorwaardelijk strafdeel is daarmee gelijk aan de tijd die de verdachte al in voorarrest heeft doorgebracht. Een forse voorwaardelijke gevangenisstraf wordt opgelegd, enerzijds om de ernst van het feit te benadrukken en anderzijds de verdachte ervan te weerhouden zich opnieuw schuldig te maken aan een strafbaar feit en zodat hij wordt gestimuleerd de door hem ingeslagen positieve weg te blijven vervolgen. Daarnaast zal de rechtbank bijzondere voorwaarden verbinden aan het voorwaardelijk strafdeel. De rechtbank vindt dit van belang zodat de reclassering enige tijd toezicht houdt op de verdachte en hem kan ondersteunen. De rechtbank neemt daarom de bijzondere voorwaarden zoals geadviseerd door de reclassering over.
De rechtbank zal daarnaast een taakstraf opleggen van 80 uur, te vervangen door 40 dagen hechtenis.
Voorlopige hechtenis
De verdachte heeft 105 dagen in voorarrest doorgebracht. Daarmee is het onvoorwaardelijke deel van de op te leggen gevangenisstraf al uitgezeten. De rechtbank zal om die reden het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis opheffen.
7. Beslag
De rechtbank is van oordeel dat het onder verdachte in beslag genomen en niet teruggegeven voorwerp, te weten een motorfiets, dient worden teruggegeven aan verdachte.
8. Vorderingen van de benadeelde partijen en schadevergoedingsmaatregel
De vorderingen
[slachtoffer 1]
Namens [slachtoffer 1] is door mr. N.J. Hoogenboom een vordering tot schadevergoeding van € 3.816,21 ingediend tegen de verdachte wegens materiële en immateriële schade die hij als gevolg van het feit zou hebben geleden.
De gevorderde materiële schade bestaat uit:
de gemaakte kosten aan eigen risico voor de reparatie van de auto ter hoogte van € 150,00;
kosten van de aanschaf van drie beveiligingscamera’s ter hoogte van € 366,40;
kosten voor het kaartje van een gemist concert ter hoogte van € 40,25;
de gemaakte kosten voor het ophogen van de autoverzekering naar allrisk ter hoogte van € 259,56.
Daarnaast heeft de benadeelde partij vergoeding van immateriële schade gevorderd ter hoogte van € 3.000,00.
Ten slotte heeft de benadeelde partij proceskosten gevorderd ter hoogte van € 1.624,00 conform het geldende liquidatietarief waarbij uit wordt gegaan van vier punten in totaal.
[slachtoffer 2]
Namens [slachtoffer 2] is door mr. N.J. Hoogenboom een vordering tot schadevergoeding van € 3.000,00 ingediend tegen de verdachte wegens immateriële schade die zij als gevolg van het feit zou hebben geleden.
[slachtoffer 3]
Namens [slachtoffer 3] is door mr. N.J. Hoogenboom een vordering tot schadevergoeding van € 3.000,00 ingediend tegen de verdachte wegens immateriële schade die zij als gevolg van het feit zou hebben geleden.
[slachtoffer 4]
Namens [slachtoffer 4] is door mr. N.J. Hoogenboom een vordering tot schadevergoeding van € 3.000,00 ingediend tegen de verdachte wegens immateriële schade die hij als gevolg van het feit zou hebben geleden.
De advocaat van de benadeelde partijen vordert verder de verdachte hoofdelijk te veroordelen tot betaling van de gevorderde bedragen aan schadevergoeding, te vermeerderen met de wettelijke rente en te bepalen dat de schadevergoedingsmaatregel wordt opgelegd.
De standpunten
De officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering van [slachtoffer 1] ten aanzien van de materiële schade kan worden toegewezen, omdat deze kosten rechtstreeks verband houden met het strafbare feit en voldoende zijn onderbouwd. Ten aanzien van de immateriële schade van alle benadeelde partijen heeft de officier van justitie zich eveneens op het standpunt gesteld dat deze kan worden toegewezen. Het bedrag dat per persoon gevorderd wordt is billijk, mede gelet op de bij de vordering gevoegde uitspraken. Ook de vergoeding van de proceskosten kan worden toegewezen.
Zij heeft zich daarnaast op het standpunt gesteld dat de toe te wijzen bedragen vermeerderd moeten worden met de wettelijke rente, dat aan de verdachte de schadevergoedingsmaatregel moet worden opgelegd en voorts te bepalen dat het toe te wijzen bedrag hoofdelijk wordt opgelegd.
De verdediging
De raadsman heeft de materiële schadeposten niet betwist, met uitzondering van de gemaakte kosten voor het ophogen van de autoverzekering naar allrisk. Ten aanzien van deze post heeft de raadsman zich op het standpunt gesteld dat deze schade niet rechtstreeks voortvloeit uit het bewezenverklaarde feit. Verder heeft de raadsman gevraagd de gevorderde immateriële schade van alle benadeelde partijen te matigen.
Het oordeel van de rechtbank
Materiële schade [slachtoffer 1]
De rechtbank is van oordeel dat de reeds gemaakte kosten aan eigen risico voor de reparatie van de auto, de kosten voor drie beveiligingscamera’s en de kosten voor het kaartje van een gemist concert rechtstreeks voortvloeien uit het bewezenverklaarde feit en dat deze kosten ook voldoende zijn onderbouwd. Deze posten zijn door de verdediging niet betwist, zodat dit gedeelte van de vordering zal worden toegewezen.
Met betrekking tot de kosten die zijn gemaakt voor het ophogen van de autoverzekering naar een allriskverzekering is de rechtbank van oordeel dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk moet worden verklaard in zijn vordering. De rechtbank is van oordeel dat zij niet kan vaststellen dat deze kosten rechtstreeks verband houden met het strafbare feit. Desgewenst kan de benadeelde partij dit deel van de vordering bij de burgerlijke rechter aanbrengen.
Immateriële schade van alle benadeelde partijen
Ten aanzien van de immateriële schade overweegt de rechtbank als volgt. Gelet op artikel 6:106 van het Burgerlijk Wetboek (BW) ontstaat het recht op vergoeding van immateriële schade als gevolg van onrechtmatig handelen, onder meer in geval van aantasting in de persoon door het oplopen van lichamelijk letsel, door schade in de eer of goede naam of op andere wijze. De rechtbank stelt vast dat de benadeelde partij geen lichamelijk letsel heeft opgelopen.
Uit vaste rechtspraak blijkt dat van de aantasting in de persoon op andere wijze in ieder geval sprake is indien de benadeelde partij geestelijk letsel heeft opgelopen. Degene die zich hierop beroept, zal voldoende concrete gegevens moeten aanvoeren waaruit kan volgen dat in verband met de omstandigheden van het geval psychische schade is ontstaan. Daartoe is vereist dat naar objectieve maatstaven het bestaan van geestelijk letsel kan worden vastgesteld. Ook als het bestaan van geestelijk letsel niet kan worden aangenomen, is niet uitgesloten dat de aard en de ernst van de normschending en van de gevolgen daarvan voor de benadeelde, kunnen meebrengen dat van de in artikel 6:106, aanhef en onder b, BW bedoelde aantasting in zijn persoon ‘op andere wijze’ sprake is. In zo een geval zal degene die zich hierop beroept de aantasting in zijn persoon met concrete gegevens moeten onderbouwen. Dat is slechts anders indien de aard en de ernst van de normschending meebrengen dat de in dit verband relevante nadelige gevolgen daarvan voor de benadeelde zo voor de hand liggen, dat een aantasting in de persoon kan worden aangenomen.
Uit de toelichting op de vordering blijkt dat de ontploffing grote impact heeft gehad op de benadeelde partijen. De ontploffing vond midden in de nacht plaats terwijl het gezin lag te slapen. Uit het ter zitting uitgeoefende spreekrecht door de moeder van het gezin, blijkt bovendien dat direct na de ontploffing de kinderen alleen in de woning zijn achtergebleven terwijl hun ouders al buiten waren, omdat de politie aangaf dat niemand terug de woning in mocht vanwege de angst dat er nog een ontploffing zou kunnen volgen. Het gezin heeft na de twee ontploffingen bij hun woning twee weken lang niet in de woning geslapen. Het gezin voelt zich daarnaast nog altijd erg onveilig. Gelet op deze omstandigheden is de rechtbank van oordeel dat de aard en de ernst van de normschending meebrengen dat de in dit verband relevante nadelige gevolgen daarvan voor de benadeelden zo voor de hand liggen, dat een aantasting in de persoon kan worden aangenomen. Daarmee is er een wettelijke grondslag voor de vorderingen van de benadeelde partijen tot vergoeding van immateriële schade.
De rechtbank zal daarom overgaan tot het toekennen van een vergoeding van immateriële schade, begroot naar billijkheid. De rechtbank heeft daarbij acht geslagen op de Rotterdamse schaal en in het bijzonder de paragrafen 14.1 en 19.3. Op grond van de door de benadeelde partij gestelde omstandigheden en rekening houdend met vergoedingen die in (min of meer) soortgelijke zaken worden toegekend, begroot de rechtbank de immateriële schadevergoedingen naar billijkheid op een bedrag van € 1.500,00 per benadeelde partij. De rechtbank zal de vorderingen voor de overige immateriële schade afwijzen.
Conclusie
De vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1] zal dus gedeeltelijk worden toegewezen, namelijk tot een bedrag van € 2.056,65, bestaande uit € 556,65 materiële schade en € 1.500,00 immateriële schade. Dit bedrag wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 15 mei 2025 tot aan de dag der algehele voldoening. De vordering wordt voor het overige afgewezen.
De vorderingen van de benadeelde partijen [slachtoffer 2], [slachtoffer 3] en [slachtoffer 4] zullen dus gedeeltelijk worden toegewezen, namelijk tot een bedrag van € 1.500,00, bestaande uit immateriële schade. Dit bedrag wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 15 mei 2025 tot aan de dag der algehele voldoening. De vorderingen worden voor het overige afgewezen.
Schadevergoedingsmaatregel
De rechtbank legt de schadevergoedingsmaatregel aan de verdachte op, zodat (kort gezegd) de benadeelde partijen de schadevergoeding niet zelf bij de verdachte hoeven te incasseren, maar dat de Staat dit voor hen doet.
Hoofdelijk aansprakelijk
Omdat de verdachte de strafbare feiten waarvoor schadevergoeding wordt toegekend samen met een of meer mededaders heeft gepleegd, zijn zij daarvoor samen aansprakelijk (juridische term: hoofdelijk aansprakelijk). Voor zover een van de mededaders een bedrag aan de benadeelde partij heeft betaald, hoeft de verdachte dat deel van de schadevergoeding niet meer aan de benadeelde partij te betalen.
Proceskosten
Ten aanzien van de gevorderde kosten in verband met rechtsbijstand (proceskosten) geldt dat deze op grond van artikel 532 van het Wetboek van Strafvordering (Sv) voor vergoeding in aanmerking komen. Bij het bepalen van de hoogte van de proceskosten gaat de rechtbank niet uit van het gevorderde bedrag aan schadevergoeding, maar van het bedrag dat wordt toegekend. Daarbij gaat de rechtbank uit van een vergoeding van vier punten en een bedrag van € 339,- per punt. De rechtbank hanteert dezelfde maatstaf als in civiele procedures en stelt de toe te wijzen proceskosten van de benadeelde partij [slachtoffer 1], [slachtoffer 2], [slachtoffer 3] en [slachtoffer 4] vast op € 339,00 per persoon.
9. Toepasselijke wettelijke voorschriften
De volgende wetsartikelen zijn van toepassing:
9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 36f, 48, 49, 157 van het Wetboek van Strafrecht (Sr).
10. Beslissing
De rechtbank:
Verklaart niet bewezen wat aan de verdachte onder feit 1 primair en onder feit 2 primair en subsidiair ten laste is gelegd en spreekt hem daarvan vrij.
Verklaart bewezen dat de verdachte het onder feit 1 subsidiair ten laste gelegde feit heeft begaan zoals hiervoor onder 3.4 weergegeven.
Verklaart niet bewezen wat aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt hem daarvan vrij.
Bepaalt dat het bewezen verklaarde feit het hierboven onder 4. vermelde strafbare feit oplevert.
Verklaart de verdachte hiervoor strafbaar.
Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 480 (vierhonderdtachtig) dagen.
Beveelt dat van deze gevangenisstraf een gedeelte, groot 375 (driehonderdvijfenzeventig) dagen niet ten uitvoer zal worden gelegd en stelt daarbij een proeftijd vast van twee jaren.
Bepaalt dat de tijd die de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van dit vonnis in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van het onvoorwaardelijk deel van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.
Stelt als algemene voorwaarde dat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit.
Stelt als bijzondere voorwaarden dat de veroordeelde:
Geeft aan voornoemde reclasseringsinstelling de opdracht als bedoeld in artikel 14c, zesde lid, Sr te houden op de naleving van de voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden.
Voorwaarden daarbij zijn dat de veroordeelde gedurende de proeftijd:
Veroordeelt de verdachte tot het verrichten van 80 (tachtig) uren taakstraf die bestaat uit het verrichten van onbetaalde arbeid, bij het niet of niet naar behoren verrichten daarvan te vervangen door 40 (veertig) dagen hechtenis.
Ten aanzien van de vordering benadeelde partij [slachtoffer 1]
Wijst toe de vordering tot vergoeding van de door de benadeelde partij geleden schade tot een bedrag van € 2.056,65, bestaande uit € 556,65 als vergoeding voor de materiële en € 1.500,00 als vergoeding voor de immateriële schade, en veroordeelt verdachte tot betaling van dit bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 15 mei 2025 tot aan de dag der algehele voldoening, aan [slachtoffer 1] voornoemd, tegen behoorlijk bewijs van kwijting.
Verklaart de benadeelde partij voor de overig gevorderde materiële schade niet-ontvankelijk in de vordering.
Wijst af de overig gevorderde immateriële schade.
Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op € 339,00 ter zake van kosten rechtsbijstand.
Legt de verdachte als schadevergoedingsmaatregel ten behoeve van slachtoffer [slachtoffer 1] de verplichting op tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 2.056,65, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 30 dagen gijzeling en bepaalt dat het te betalen bedrag wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 15 mei 2025 tot aan de dag der algehele voldoening. De toepassing van de gijzeling heft de hiervoor opgelegde betalingsverplichting niet op.
Bepaalt dat indien genoemd bedrag of een gedeelte daarvan reeds door of namens een (van de) medeverdachte(n) aan de benadeelde partij en/of de Staat is betaald, in zoverre zal zijn bevrijd.
Bepaalt dat betalingen aan de benadeelde partij in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de Staat en dat betalingen aan de Staat in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij.
Ten aanzien van de vordering benadeelde partij [slachtoffer 2]
Wijst toe de vordering tot vergoeding van de door de benadeelde partij geleden schade tot een bedrag van € 1.500,00, bestaande uit immateriële schade, en veroordeelt verdachte tot betaling van dit bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 15 mei 2025 tot aan de dag der algehele voldoening, aan [slachtoffer 2] voornoemd, tegen behoorlijk bewijs van kwijting.
Wijst af de overig gevorderde immateriële schade.
Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op € 339,00 ter zake van kosten rechtsbijstand.
Legt de verdachte als schadevergoedingsmaatregel ten behoeve van slachtoffer [slachtoffer 2] de verplichting op tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 1.500,00, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 25 dagen gijzeling en bepaalt dat het te betalen bedrag wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 15 mei 2025 tot aan de dag der algehele voldoening. De toepassing van de gijzeling heft de hiervoor opgelegde betalingsverplichting niet op.
Bepaalt dat indien genoemd bedrag of een gedeelte daarvan reeds door of namens een (van de) medeverdachte(n) aan de benadeelde partij en/of de Staat is betaald, in zoverre zal zijn bevrijd.
Bepaalt dat betalingen aan de benadeelde partij in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de Staat en dat betalingen aan de Staat in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij.
Ten aanzien van de vordering benadeelde partij [slachtoffer 3]
Wijst toe de vordering tot vergoeding van de door de benadeelde partij geleden schade tot een bedrag van € 1.500,00, bestaande uit immateriële schade, en veroordeelt verdachte tot betaling van dit bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 15 mei 2025 tot aan de dag der algehele voldoening, aan [slachtoffer 3] voornoemd, tegen behoorlijk bewijs van kwijting.
Veroordeelt verdachte in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden vastgesteld op € 339,00 en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging alsnog te maken.
Wijst af de overig gevorderde immateriële schade.
Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op € 339,00 ter zake van kosten rechtsbijstand.
Legt de verdachte als schadevergoedingsmaatregel ten behoeve van slachtoffer [slachtoffer 3] de verplichting op tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 1.500,00, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 25 dagen gijzeling en bepaalt dat het te betalen bedrag wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 15 mei 2025 tot aan de dag der algehele voldoening. De toepassing van de gijzeling heft de hiervoor opgelegde betalingsverplichting niet op.
Bepaalt dat indien genoemd bedrag of een gedeelte daarvan reeds door of namens een (van de) medeverdachte(n) aan de benadeelde partij en/of de Staat is betaald, in zoverre zal zijn bevrijd.
Bepaalt dat betalingen aan de benadeelde partij in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de Staat en dat betalingen aan de Staat in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij.
Ten aanzien van de vordering benadeelde partij [slachtoffer 4]
Wijst toe de vordering tot vergoeding van de door de benadeelde partij geleden schade tot een bedrag van € 1.500,00, bestaande uit immateriële schade, en veroordeelt verdachte tot betaling van dit bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 15 mei 2025 tot aan de dag der algehele voldoening, aan [slachtoffer 4] voornoemd, tegen behoorlijk bewijs van kwijting.
Wijst af de overig gevorderde immateriële schade.
Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op € 339,00 ter zake van kosten rechtsbijstand.
Legt de verdachte als schadevergoedingsmaatregel ten behoeve van slachtoffer [slachtoffer 4] de verplichting op tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 1.500,00, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 25 dagen gijzeling en bepaalt dat het te betalen bedrag wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 15 mei 2025 tot aan de dag der algehele voldoening. De toepassing van de gijzeling heft de hiervoor opgelegde betalingsverplichting niet op.
Bepaalt dat indien genoemd bedrag of een gedeelte daarvan reeds door of namens een (van de) medeverdachte(n) aan de benadeelde partij en/of de Staat is betaald, in zoverre zal zijn bevrijd.
Bepaalt dat betalingen aan de benadeelde partij in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de Staat en dat betalingen aan de Staat in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij.
Beslag
Gelast de teruggave aan verdachte van de in beslag genomen Yamaha motorfiets (goednummer G1729997).
Voorlopige hechtenis
Heft op het reeds geschorste bevel tot voorlopige hechtenis.
Samenstelling rechtbank en uitspraakdatum
Dit vonnis is gewezen door
mr. C.M.A.V. van Kleef, voorzitter,
mr. M.E. Francke en mr. M. Rigter, rechters,
in tegenwoordigheid van de griffier mr. J.J. van der Velden,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 12 december 2025.