RECHTBANK NOORD-HOLLAND
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Alkmaar
Zaaknummer: 11351766 \ CV EXPL 24-3394 TB
Vonnis van 29 oktober 2025
in de zaak van
[eiser] ,
te [plaats 1] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [eiser] ,
gemachtigde: mr. J.F.M. Verheij,
tegen
[gedaagde] ,
te [plaats 2] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
gemachtigde: mr. D.C. Soetens.
De zaak in het kort
[eiser] heeft een tweedehands auto gekocht van [gedaagde] . Volgens [eiser] heeft de auto gebreken en is deze non-conform. [eiser] wil daarom prijsvermindering. De kantonrechter oordeelt dat de vordering moet worden afgewezen omdat [eiser] [gedaagde] niet voldoende gelegenheid tot herstel heeft geboden.
1. De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 7 oktober 2024
- de conclusie van antwoord van 11 december 2024
- het tussenvonnis van 5 maart 2025
- de akte overlegging aanvullende productie van [gedaagde] van 22 augustus 2025
- de mondelinge behandeling van 2 oktober 2025, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt.
Ten slotte is vonnis bepaald.
2. De feiten
Op 2 maart 2024 heeft [eiser] een tweedehands auto van het merk Mazda type 3 (hierna: de auto) gekocht van [gedaagde] voor € 9.500,00.
Voorafgaand aan de koop is op 1 maart 2024 de auto APK gekeurd.
Op 4 maart 2024 heeft [eiser] bij WhatsApp bericht aan [gedaagde] laten weten het lampje van het motormanagement brandde. De volgende dag heeft [eiser] de auto ter reparatie bij [gedaagde] gebracht. De auto is uitgelezen en het roetfilter is schoongemaakt.
[eiser] heeft op 8 maart 2024 de auto opgehaald bij [gedaagde] .
Enkele dagen later heeft [eiser] opnieuw problemen met de auto waarna [eiser] de auto op 19 maart 2024 ter reparatie bij [gedaagde] heeft gebracht.
Op 25 maart 2024 heeft (de moeder van) [eiser] de auto weer opgehaald bij [gedaagde] .
Op 5 april 2024 is de auto door een sleepdienst bij autogarage [naam] afgeleverd.
[naam] heeft op of omstreeks 18 april 2024 reparaties aan de auto uitgevoerd voor € 6.489,81. Dit betrof onder meer een nieuw DPF en een nieuwe turbo.
Bij brief van 8 augustus 2024 heeft [eiser] [gedaagde] laten weten geen vertrouwen meer in hem te hebben en dat hij de auto bij een andere autogarage heeft laten maken. [eiser] wil dat [gedaagde] de reparatiekosten van € 6.489,81 aan hem vergoed.
3. Het geschil
[eiser] vordert - samengevat - veroordeling van Zeaiter tot betaling van € 6.789,81, vermeerderd met rente en kosten.
[eiser] legt aan zijn vordering ten grondslag dat de auto niet aan de koopovereenkomst beantwoordt, omdat die gebreken vertoont. Volgens [eiser] is de auto non-conform. Reparatie is door [gedaagde] niet binnen een redelijke termijn en zonder ernstige overlast gebeurd. Omdat [gedaagde] dat heeft nagelaten, mocht [eiser] de koopovereenkomst ontbinden of de prijs verminderen in evenredigheid met de mate van afwijking van het overeengekomene.
Zeaiter voert verweer. Hij betwist in de eerste plaats dat vanaf begin april 2024 sprake is van gebreken. [eiser] heeft nagelaten te onderbouwen dat de auto na herstel door [gedaagde] gebreken had. Voor het geval vast komt te staan dat er begin april 2024 sprake was van gebreken aan het DPF en de turbo, dan betwist [gedaagde] dat deze gebreken ten tijde van de aflevering van de auto aanwezig waren. Er is geen sprake van non-conformiteit. Verder is [gedaagde] van mening dat [eiser] niet heeft voldaan aan zijn klachtplicht doordat hij niet binnen bekwame tijd op de hoogte is gesteld van de vermeende lekkage van de turbo. [eiser] heeft pas vier maanden na het vermeende feit geklaagd over de problemen met de turbo. Daardoor heeft hij het voor [gedaagde] onmogelijk gemaakt de klachten te onderzoeken en te betwisten. Ook daarom kan [eiser] geen beroep doen op de stelling dat de auto niet aan de overeenkomst beantwoordde. Tot slot voert [gedaagde] aan dat [eiser] hem geen mogelijkheid tot herstel heeft geboden. [gedaagde] is nooit aangemaand om de auto binnen een redelijke termijn te herstellen. [gedaagde] is altijd welwillend geweest om de auto te herstellen.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.
4. De beoordeling
Vast staat dat [eiser] de auto als consument heeft aangeschaft en dat sprake is van een consumentenkoop in de zin van artikel 7:5 van het Burgerlijk Wetboek (BW). Ter beantwoording ligt de vraag voor of [eiser] als consument aanspraak kan maken op prijsvermindering en aanvullende schadevergoeding op grond van non-conformiteit dan wel wanprestatie aan de zijde van [gedaagde] . De kantonrechter is van oordeel dat [eiser] geen aanspraak kan maken op prijsvermindering en aanvullende schadevergoeding. Dat oordeel wordt hierna uitgelegd.
In het midden kan blijven of het vermeende gebrek aan de auto non-conformiteit oplevert en of [gedaagde] tekort is geschoten in de nakoming van haar verbintenissen voortvloeiende uit de koopovereenkomst, omdat reeds aan de vereisten voor het recht op prijsvermindering niet is voldaan. Daartoe is het volgende redengevend.
Uit artikel 7:22 lid 1 sub b BW volgt dat de koper, indien sprake is van non-conformiteit, de bevoegdheid heeft om de prijs te verminderen in evenredigheid met de mate van afwijking van het hetgeen is overeengekomen. Deze bevoegdheid ontstaat pas indien herstel en vervanging onmogelijk waren of van de verkoper niet gevergd kunnen worden of wanneer de koper al om herstel of vervanging heeft gevraagd maar niet heeft gekregen.
Dit ‘getrapte stelsel’ brengt mee dat de koper eerst de weg van nakoming moet bewandelen en hij pas daarna prijsvermindering kan vorderen. Indien hij de verkoper niet of niet voldoende gelegenheid tot herstel heeft geboden, verspeelt hij ook het recht op prijsvermindering.
Tussen partijen is niet in geschil is dat [eiser] [gedaagde] niet in gebreke heeft gesteld. Immers heeft hij de auto door een derde laten repareren zonder [gedaagde] daarvan op de hoogte te stellen. [eiser] beroept zich ter onderbouwing van zijn vordering op artikel 7:22 lid 1 onder b BW. Daarbij voert hij aan dat de tekortkomingen aan de auto zo ernstig waren, dat een onmiddellijke prijsvermindering gerechtvaardigd was zonder [gedaagde] in de gelegenheid te stellen het gebrek te herstellen. De kantonrechter is echter van oordeel dat [eiser] niet aannemelijk heeft gemaakt dat de auto zodanige gebreken had dat van hem niet gevergd kon worden [gedaagde] in de gelegenheid te stellen tot herstel over te gaan. Vast staat dat wegens het branden van het motormanagementlampje de auto in de eerste week van maart 2024 ter reparatie is aangeboden, welke reparatie volgens [gedaagde] op 8 maart 2024 was voltooid. Kennelijk is er op 16 maart 2024 weer een probleem met de auto ontstaan. [eiser] heeft echter niets gesteld over welk probleem zich toen voordeed en wat daar het gevolg van was voor het rijden met de auto. De dagvaarding vermeldt daarover letterlijk niet meer dan dat [eiser] op 9 maart 2024 “andermaal problemen met de auto (motor en roetfilter)” ondervond. Hierop heeft [gedaagde] reparatiewerkzaamheden laten verrichten, waarna de auto op 25 maart 2024 door de moeder van [eiser] is opgehaald. Kennelijk heeft [eiser] hierna opnieuw pech ondervonden, gelet op het feit dat hij op 5 april 2024 met een takeldienst de auto heeft moeten laten verslepen. Deze gang van zaken, ook in onderlinge samenhang bezien, kan de kantonrechter niet tot het oordeel brengen dat de vermeende gebreken aan de auto zo ernstig waren dat [eiser] de auto buiten medeweten en zonder enig overleg door een derde heeft laten herstellen. Zeker omdat vast staat dat tot op dat moment de reparatiewerkzaamheden van [gedaagde] onder de garantie kosteloos hadden plaatsgevonden. Dat herstel onmogelijk was of van [gedaagde] niet kon worden gevergd valt aldus niet in te zien. [eiser] heeft dan ook geen recht op prijsvermindering van de koopsom.
[eiser] vordert voorts (vervangende) schadevergoeding op grond van artikel 7:24 lid 1 BW dan wel artikel 6:74 BW. Om die vordering te kunnen toewijzen moet er sprake zijn van verzuim. Daarvan is echter niet gebleken. Vaststaat immers dat [eiser] [gedaagde] niet bij schriftelijke aanmaning in gebreke heeft gesteld en [gedaagde] een redelijke termijn voor nakoming heeft gegeven, zodat [gedaagde] niet op de in artikel 6:82 lid 1 BW bedoelde wijze in verzuim is geraakt.
Het voorgaande leidt tot de conclusie dat de vorderingen worden afgewezen.
[eiser] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [gedaagde] worden begroot op:
- salaris gemachtigde
€
678,00
(2 punt × € 339,00)
- nakosten
€
135,00
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
€
813,00
5. De beslissing
De kantonrechter
wijst de vorderingen van [eiser] af,
veroordeelt [eiser] in de proceskosten van € 813,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [eiser] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
verklaart dit vonnis wat betreft de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. J.S. Reid en in het openbaar uitgesproken op 29 oktober 2025.