ECLI:NL:RBNHO:2025:14887

ECLI:NL:RBNHO:2025:14887, Rechtbank Noord-Holland, 10-12-2025, HAA 25/1279

Instantie Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak 10-12-2025
Datum publicatie 22-01-2026
Zaaknummer HAA 25/1279
Rechtsgebied Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Haarlem

Samenvatting

Het gaat in deze zaak over de vraag of het Uwv terecht heeft geweigerd eiser een uitkering op grond van de Ziektewet (ZW) toe te kennen, omdat hij geen werknemer was in de zin van de ZW en daarom niet verzekerd was voor deze wet. Eiser heeft zorg verleend aan zijn moeder. Volgens het Uwv was er geen sprake van een gezagsverhouding tussen eiser en zijn moeder. Daarom was volgens het Uwv geen sprake van een privaatrechtelijke dienstbetrekking tussen eiser en zijn moeder. Eiser heeft zich op het standpunt gesteld dat wel sprake was van een gezagsverhouding tussen hem en zijn moeder. De rechtbank volgt dit standpunt niet en komt tot het oordeel dat het Uwv terecht geen ZW-uitkering heeft toegekend.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 10 december 2025 in de zaak tussen

[eiser] , uit Purmerend, eiser

Samenvatting

Zittingsplaats Haarlem

Bestuursrecht

zaaknummer: HAA 25/1279

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, het Uwv

(gemachtigde: S. Gootjes).

1. Het gaat in deze zaak over de vraag of het Uwv terecht heeft geweigerd eiser een uitkering op grond van de Ziektewet (ZW) toe te kennen, omdat hij geen werknemer was in de zin van de ZW en daarom niet verzekerd was voor deze wet. Eiser heeft zorg verleend aan zijn moeder. Volgens het Uwv was er geen sprake van een gezagsverhouding tussen eiser en zijn moeder. Daarom was volgens het Uwv geen sprake van een privaatrechtelijke dienstbetrekking tussen eiser en zijn moeder. Eiser heeft zich op het standpunt gesteld dat wel sprake was van een gezagsverhouding tussen hem en zijn moeder. De rechtbank volgt dit standpunt niet en komt tot het oordeel dat het Uwv terecht geen ZW-uitkering heeft toegekend.

Procesverloop

2. Eiser heeft een aanvraag ingediend voor een ZW-uitkering per 10 mei 2024. Het Uwv heeft deze aanvraag met het besluit van 13 augustus 2024 afgewezen. Met het bestreden besluit van 14 januari 2025 op het bezwaar van eiser is het Uwv bij de afwijzing van de aanvraag gebleven.

Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.

Het Uwv heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.

De rechtbank heeft het beroep op 17 september 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen eiser en de gemachtigde van het Uwv.

De feiten

3. Eiser werkte vanaf 4 mei 2017 als betaald zorgverlener voor zijn moeder, die houder was van een persoonsgebonden budget. Hij verleende de zorg op basis van een zogenoemde ‘modelzorgovereenkomst met een partner of familielid’. Eiser heeft na het overlijden van zijn moeder een ZW-uitkering aangevraagd. Dit heeft geleid tot de besluitvorming zoals genoemd onder ‘Procesverloop’.

Beoordeling door de rechtbank

4. De rechtbank beoordeelt of het Uwv terecht een ZW-uitkering aan eiser heeft geweigerd. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eiser.

De rechtbank komt tot het oordeel dat het beroep ongegrond is. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt.Toetsingskader

5. Uit de wet volgt dat iemand verzekerd moet zijn voor de ZW om in aanmerking te komen voor een ZW-uitkering. Dat is het geval als de aanvrager als werknemer kan worden beschouwd in de zin van artikel 3, eerste lid, van de ZW. Daarbij is het de vraag of sprake is geweest van een privaatrechtelijke dienstbetrekking. Voor het aannemen van een privaatrechtelijke dienstbetrekking moet onder meer sprake zijn van een gezagsverhouding.

Als maatstaf voor de vraag of sprake is van een gezagsverhouding geldt of kan worden gezegd dat degene die arbeid verricht aan een zeker gezag is onderworpen van de werkgever en dat de werkgever bevoegd is om opdrachten en instructies te geven en om controle uit te oefenen op de voortgang en de resultaten van het werk. De familierelatie is een element dat daarbij betrokken dient te worden.

De bewijslast rust op de aanvrager van de uitkering. Het is dus aan eiser om aan de hand van objectieve en controleerbare gegevens aannemelijk te maken dat er sprake was van een privaatrechtelijke dienstbetrekking.Standpunten van partijen

6. Volgens het Uwv komt eiser niet in aanmerking voor een ZW-uitkering, omdat hij geen werknemer is in de zin van de ZW. Het Uwv stelt zich op het standpunt dat er geen sprake was van een gezagsverhouding tussen eiser en zijn moeder. De 24-uurszorg en beschikbaarheid die eiser verleende aan zijn moeder ging veel verder dan waarin de zorgovereenkomst voorzag, namelijk vijf uur en 42/48 minuten zorg per dag gedurende zeven dagen per week. Daarnaast regelde eiser al haar privézaken, deed al haar administratie en bracht hij haar ook naar alle afspraken als begeleider en woordvoerder. Alleen bij uiterste nood kon hij een beroep doen op de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo) of zorgverzekering, wat betekent dat eiser zich niet zomaar kon laten vervangen. Ook had hij vanwege zijn gezondheid een eigen bed staan bij zijn moeder, zodat hij elke middag een uurtje kon slapen. De omstandigheden waaronder eiser de zorgtaken verrichtte zijn daarmee niet vergelijkbaar met de omstandigheden waaronder een professionele zorgverlener zijn werkzaamheden zou hebben verricht. Verder is in de zorgovereenkomst slechts in algemene bewoordingen vermeld dat eiser verantwoordelijk is voor de persoonlijke verzorging en begeleiding van zijn moeder en ontbreken daarin afspraken over essentiële onderwerpen van een arbeidsovereenkomst zoals onder meer werktijden, vakantiedagen, vakantietoeslag, de procedure rond ziekmelding en vervanging bij ziekte en verlof. Er was ook geen sprake van functioneringsgesprekken en verslagen daarvan, zodat niet gebleken is dat eiser ter verantwoording werd geroepen door zijn moeder over de wijze waarop hij zijn werkzaamheden uitvoerde. Verder blijkt ook uit de polisadministratie dat er geen sprake is van verzekering voor de ZW. Eiser was dus niet verzekerd voor de ZW.

7. Eiser is het hier niet mee eens en stelt - samengevat weergegeven - het volgende. Eiser was voor 40 uur per week in dienst bij zijn moeder. Hij verleende op basis van een zorgovereenkomst zorg, begeleiding en ondersteuning. Er waren duidelijke afspraken tussen eiser en zijn moeder en zijn moeder kon ook sturing geven. De eerste zorgovereenkomsten bevatten nog een gedetailleerde omschrijving van de werkzaamheden per dag. Bij de overgang naar een digitaal SVB-portaal in 2020 konden de schriftelijke afspraken hoogstwaarschijnlijk niet geheel worden overgezet naar het nieuwe platform. Dit is eiser niet aan te rekenen. Dat er geen vrije dagen of vakantie in de zorgovereenkomst stonden lag in de relatie tussen eiser en zijn moeder alsmede in de geestelijke gesteldheid van eiser. Zo nodig kon eisers moeder vervanging voor hem regelen via de Wmo. De zorgovereenkomst, de kwaliteit van de geleverde zorg en de boekhouding werden gecontroleerd door zowel het zorgkantoor als de SVB. Eiser wijst erop dat hij naast deze betaalde werkzaamheden ook nog voor ongeveer 32 uur per week als mantelzorger zijn moeder de verder noodzakelijke zorg verleende. In de hoedanigheid van mantelzorger ondersteunde hij zijn moeder (ook) onder meer met privé-zaken zoals telefoongesprekken en zaken van digitale aard. Eiser heeft het zorgkantoor verzocht om de verslagen van de huisbezoeken toe te sturen, maar dit was niet mogelijk. De wet voorziet erin dat eiser een ruimte had waar hij zich kon terugtrekken en eventueel een uur kon slapen. Eiser vraagt aandacht voor de positie van verzorgers als hij zelf. Hij meent dat sprake is van discriminatie van zorgverleners met een familiaire band. Deze zorgverleners hebben ook recht op een fatsoenlijk sociaal vangnet, omdat zij hetzelfde werk verrichten als formele zorgverleners. Verder wijst eiser op een uitspraak van de CRvB van 24 januari 2019 (ECLI:NL:CRVB:2019:252) omdat die zaak veel raakvlakken heeft met de zijne. Ook wijst eiser op artikel 5 van de ZW.

Was er sprake van een gezagsverhouding?

8. Tussen partijen is uitsluitend in geschil of sprake was van een gezagsverhouding tussen eiser en zijn moeder.

Het Uwv heeft zich naar het oordeel van de rechtbank terecht op het standpunt gesteld dat eiser niet kan worden aangemerkt als werknemer in de zin van de ZW en dus niet verzekerd was voor deze wet. Ter toelichting op dit oordeel overweegt de rechtbank als volgt.

De rechtbank stelt vast dat eiser al geruime tijd vóór het sluiten van de zorgovereenkomst de (zorg)taken voor zijn moeder verrichtte. Met de zorgovereenkomst werd beoogd dat eiser die werkzaamheden in het vervolg (deels) tegen betaling zou kunnen voortzetten. Dat eiser en zijn moeder de uitvoering van de zorgtaken met het sluiten van de zorgovereenkomst ook anderszins beoogden te wijzigen, in die zin dat die zorgtaken voortaan onder een gezagsverhouding zouden worden verricht, is de rechtbank niet gebleken. Immers, noch uit de zorgovereenkomst zelf noch uit de feitelijke gang van zaken blijkt dat eiser en zijn moeder een vorm van ondergeschiktheid voor ogen hadden of dat de moeder van eiser bindende aanwijzingen kon geven. Er zijn dus onvoldoende (controleerbare) aanknopingspunten om een gezagsverhouding tussen zijn moeder en eiser aan te nemen. Op grond van de stukken en wat op de zitting is besproken kan weliswaar worden aangenomen dat de moeder van eiser in enige mate aanwijzingen en instructies gaf over de uit te voeren werkzaamheden, maar dat is op zichzelf niet doorslaggevend voor het aannemen van een gezagsverhouding. Ook bij een overeenkomst van opdracht kan sprake zijn van een instructiebevoegdheid.

In de zorgovereenkomst is slechts in algemene bewoordingen vermeld dat eiser verantwoordelijk is voor de persoonlijke verzorging en individuele begeleiding van zijn moeder. De rechtbank acht het begrijpelijk dat in een situatie als deze niet alles tot in detail is vastgelegd. Er kan echter niet aan voorbij worden gezien dat in de zorgovereenkomst afspraken ontbreken over een aantal essentiële onderwerpen van een arbeidsovereenkomst, zoals onder meer werktijden en vakantiedagen, vakantietoeslag, de procedure rond ziekmelding en vervanging bij ziekte en verlof. Uit de stukken en het verhandelde ter zitting blijkt verder dat eiser in feite zorg aan zijn moeder verleende die veel verder ging dan op grond van de zorgovereenkomst, die voorzag in vijf uur en 42/48 minuten zorg per dag gedurende zeven dagen per week, verwacht mocht worden. Daarnaast duiden de omstandigheden dat hij al haar privézaken regelde en al haar administratie deed en haar ook als begeleider en woordvoerder naar alle afspraken bracht niet op een bij werknemers gebruikelijke gang van zaken. De omstandigheden waaronder eiser de zorgtaken verrichtte zijn daarmee niet vergelijkbaar met de omstandigheden waaronder een professionele zorgverlener zijn werkzaamheden zou hebben verricht.

De rechtbank is met het Uwv van oordeel dat de verhouding tussen eiser en zijn moeder anders was dan de verhouding tussen de moeder en dochter uit de uitspraak van de CRvB van 24 januari 2019. Uit voornoemde uitspraak volgt dat er voor de dochter, zijnde een professioneel zorgverlener, geen verschil was tussen de zorg voor haar moeder en de zorg die zij in het verleden aan andere cliënten heeft verleend en dat zij in de periode dat zij voor haar moeder zorgde werkzaam was onder omstandigheden waaronder een vergelijkbare buitenstaander werkzaam zou zijn geweest. Hiervan is in onderhavige situatie, onder meer gelet op wat onder 8.3. is overwogen, niet gebleken.

Naar het oordeel van de rechtbank blijkt dus uit zowel de inhoud van de zorgovereenkomst als uit de wijze waarop eiser en zijn moeder daaraan uitvoering hebben gegeven dat de arbeidsverhouding tussen eiser en zijn moeder in overwegende mate werden beheerst door hun familieverhouding. Er is daarom geen sprake van een gezagsverhouding en niet kan worden geoordeeld dat eiser ‘in dienst van’ zijn moeder was. Dat betekent dat tussen eiser en zijn moeder geen sprake was van een privaatrechtelijke dienstbetrekking.

Artikel 5 van de ZW bepaalt - voor zover hier van belang - dat bij of krachtens algemene maatregel van bestuur regels kunnen worden gesteld, op grond waarvan eveneens als dienstbetrekking wordt beschouwd de arbeidsverhouding van de persoon die tegen beloning persoonlijk arbeid verricht en wiens arbeidsverhouding niet reeds op grond van dit artikel en de voorgaande bepalingen als dienstbetrekking wordt beschouwd, doch hiermee maatschappelijk gelijk kan worden gesteld. Ter uitvoering van deze delegatiebepaling bepaalt artikel 8, eerste lid, aanhef en onderdeel e, van het Besluit aanwijzing gevallen waarin arbeidsverhouding als dienstbetrekking wordt beschouwd dat voor de toepassing van dit besluit niet als dienstbetrekking wordt beschouwd de arbeidsverhouding van de persoon die werkzaam is in een arbeidsverhouding, die in overwegende mate wordt beheerst door een familieverhouding. In 8.5. is geoordeeld dat de arbeidsverhouding tussen eiser en zijn moeder in overwegende mate werd beheerst door de familieverhouding. Gelet hierop is die arbeidsverhouding dan ook niet als fictieve dienstbetrekking als bedoeld in artikel 5 van de ZW aan te merken.

De rechtbank volgt eiser niet in zijn stelling dat sprake is van ongeoorloofde discriminatie tussen zorgverleners met familiebanden en zorgverleners met een arbeidsovereenkomst. De ZW-uitkering is geweigerd omdat geen sprake is van een privaatrechtelijke dienstbetrekking tussen eiser en zijn moeder. Artikel 3 van de ZW geldt voor iedere burger en maakt geen onderscheid naar ras, geslacht, leeftijd, handicap, geloof, seksuele gerichtheid, afkomst, nationaliteit, politieke gezindheid, burgerlijke staat en levensovertuiging. De groep waarbij sprake is van een privaatrechtelijke dienstbetrekking en de groep waarbij dat niet zo is verkeren in een andere rechtspositie. Reeds om die reden is er verder geen sprake van een gelijk geval. In de door eiser genoemde uitspraak van de CRvB van 30 maart 2023 is geoordeeld dat de uitzonderingsbepaling voor werknemersverzekeringen voor de zorghulp die minder dan vier dagen per week diensten verleent indirect discriminerend is, omdat deze een aanzienlijk hoger percentage vrouwen dan mannen treft en buiten toepassing moet worden gelaten. De uitspraak zegt derhalve niets over het al dan niet bestaan van een gezagsverhouding en leidt derhalve niet tot een ander oordeel.

Conclusie en gevolgen

9. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. I.M. Ludwig, rechter, in aanwezigheid van mr. M.H. Boomsma, griffier.

Uitgesproken in het openbaar op 10 december 2025.

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.

Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.

Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Zittende Magistratuur

Rechter

  • mr. I.M. Ludwig

Griffier

  • mr. M.H. Boomsma

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?