RECHTBANK NOORD-HOLLAND
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Alkmaar
Zaaknummer: 11176941 \ CV EXPL 24-2088 (SJ)
Vonnis van 10 december 2025
in de zaak van
1. de stichtingStichting Bedrijfstakpensioenfonds voor de Bouwnijverheid,
te Amsterdam,2. de stichting Stichting Opleidings- en Ontwikkelingsfonds Bouw & Infra,
te Harderwijk,3. de stichting Stichting Aanvullingsfonds Bouw & Infra,
te Harderwijk,
eisende partijen,
hierna samen te noemen: de Fondsen,en afzonderlijk te noemen: Bpf Bouw, O&O Fonds en het Aanvullingsfonds,
gemachtigden: mr. H.L. Doorn,
tegen
de besloten vennootschap [gedaagde],
te [plaats] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
gemachtigden: mr. F.A.M. ten Broeke.
De zaak in het kort
In deze zaak vordert een (bedrijfstak)pensioenfonds betaling van ruim € 800.000,00 aan premie van een werkgever. Volgens het pensioenfonds valt de werkgever onder de verplichte regelingen voor de bouwsector en is daarom premie verschuldigd. De kantonrechter oordeelt dat de werkgever vanaf (medio) 2016 inderdaad onder die verplichte regelingen valt en premie moet betalen. Voor de periode van 2007 tot (medio) 2016 is de kantonrechter van oordeel dat de werkgever terecht een beroep doet op de zogenoemde isolatie-uitzondering, waardoor de betreffende regelingen in die periode niet van toepassing zijn en de werkgever over die periode geen premie hoeft te betalen.
1. De procedure
De Fondsen hebben bij dagvaarding van 17 juni 2024 een vordering tegen [gedaagde] ingesteld. [gedaagde] heeft schriftelijk geantwoord.
Bij brief van 15 november 2024 heeft [gedaagde] nog stukken overgelegd.
Op 28 november 2024 heeft een zitting plaatsgevonden. De griffier heeft aantekeningen gemaakt van wat partijen ter toelichting van hun standpunten naar voren hebben gebracht. Partijen hebben gebruik gemaakt van pleitaantekeningen, die zijn overgelegd.
In een mondelinge uitspraak van 28 november 2024 heeft de kantonrechter partijen opdracht gegeven om nog stukken te overleggen, met een toelichting. Bij akte van 5 maart 2025 en 31 maart 2025 hebben partijen daarop gereageerd. In een brief van 2 oktober 2025 heeft [gedaagde] stukken overgelegd en met een akte van 9 oktober 2025 hebben de Fondsen stukken toegestuurd.
Op 14 oktober 2025 heeft een nadere zitting plaatsgevonden. De griffier heeft aantekeningen gemaakt van wat partijen ter toelichting van hun standpunten naar voren hebben gebracht. [gedaagde] heeft gebruik gemaakt van pleitaantekeningen, die zijn overgelegd.
2. De feiten
[gedaagde] is een onderneming die zich bezighoudt met asbestsanering.
Bpf Bouw is een door de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid verplicht gesteld bedrijfstakpensioenfonds in de zin van de Wet verplichte deelneming in een bedrijfstakpensioenfonds 2000.
De Fondsen zijn belast met de uitvoering en naleving van de collectieve arbeidsovereenkomst voor de Bouwnijverheid, thans de collectieve arbeidsovereenkomst voor de Bouw & Infra (hierna: CAO Bouw), en de collectieve arbeidsovereenkomst voor de Bedrijfstakeigen regelingen (hierna: CAO BTER). Ook zijn de Fondsen belast met de uitvoering van besluiten van de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid inzake de verplichtstelling tot deelneming in het bedrijfstakpensioenfonds voor de bouwnijverheid (hierna: verplichtstellingsbesluiten). De verplichtstellingsbesluiten, de CAO Bouw en de CAO BTER worden hierna gezamenlijk genoemd ‘de Bouwregelingen’.
De uitvoering van de uit de Bouwregelingen voortvloeiende verplichting tot betaling van premie is door de Fondsen uitbesteed aan Algemene Pensioen Groep N.V. (hierna: APG).
Artikel 1A, lid 2a, aanhef en sub 17 van de verschillende verplichtstellingsbesluiten zoals die golden in de periode van 2007 tot 15 juli 2016 luidt, voor zover hier van belang:
“De deelneming in de Stichting Bedrijfstakpensioenfonds voor de Bouwnijverheid is verplicht gesteld voor: (…)
de ondernemingen, waarvan het bedrijf gericht is op productie voor derden op het gebied van (…) asbestverwijdering aan of op bouwwerken, met uitzondering van asbestverwijdering als voorbehandeling ten behoeve van het aanbrengen, herstellen, bekleden, afwerken en/of onderhouden van isolerende materialen; (…)”.
Uit de hiervoor aangehaalde bepaling in de verplichtstellingsbesluiten volgt dat tot 15 juli 2016 voor ondernemingen die zich bezighielden met asbestverwijdering een uitzondering gold voor de verplichte deelneming in het bedrijfstakpensioenfonds, als die onderneming zich bezighield met “asbestverwijdering als voorbehandeling ten behoeve van het aanbrengen, herstellen, bekleden, afwerken en/of onderhouden van isolerende materialen.”
Deze uitzondering in de verplichtstellingsbesluiten wordt ook wel aangeduid als ‘de isolatie-uitzondering’. Deze isolatie-uitzondering stond van 2007 tot 2016 ook in de CAO Bouw en de CAO BTER.
De isolatie-uitzondering is vervallen in de verplichtstellingsbesluiten zoals die op en na 15 juli 2016 gelden. De isolatie-uitzondering is per 8 april 2016 ook vervallen in de CAO Bouw en per 1 januari 2016 vervallen in de CAO BTER.
Op 7 mei 2014 heeft APG een onderzoek bij [gedaagde] verricht en geconcludeerd dat de onderneming van [gedaagde] in hoofdzaak is gericht op asbestverwijdering uit woningen en kantoorpanden, zodat [gedaagde] gebonden is aan de Bouwregelingen. Op 21 januari 2015 heeft [gedaagde] daartegen bezwaar gemaakt bij de Commissie werkingssfeer. Op 27 oktober 2015 heeft de Commissie werkingssfeer het bezwaar ongegrond verklaard.
De Fondsen hebben [gedaagde] in 2019, 2023 en 2024 aangemaand om premie te betalen. Met brieven in 2024 heeft [gedaagde] de vordering van de Fondsen betwist.
3. Het geschil
De Fondsen vorderen dat de kantonrechter voor recht verklaart dat [gedaagde] vanaf 1 januari 2007 gebonden is aan de Bouwregelingen en dat [gedaagde] wordt veroordeeld tot betaling van € 841.980,76 aan premie, te vermeerderen met de wettelijke (handels)rente en kosten. De Fondsen stellen – samengevat – dat [gedaagde] onder de werkingssfeer van de Bouwregelingen valt en daarom premie moet betalen aan de Fondsen. Volgens de Fondsen valt [gedaagde] niet onder de werkingssfeer van een andere collectieve arbeidsovereenkomst en gold de isolatie-uitzondering niet voor [gedaagde] . De Fondsen wijzen er ook op dat de isolatie-uitzondering in 2016 is vervallen, zodat [gedaagde] in ieder geval vanaf dat moment onder de werkingssfeer van de Bouwregelingen valt en premie verschuldigd is.
[gedaagde] voert aan – kort weergegeven – dat zij niet onder de Bouwregelingen valt, omdat een andere collectieve arbeidsovereenkomst op haar onderneming van toepassing is, en dat [gedaagde] ook een beroep kan doen op de isolatie-uitzondering in de Bouwregelingen. Volgens [gedaagde] geldt voor haar de zogeheten CAO Orsima. Verder stelt [gedaagde] dat de Fondsen een onjuiste uitleg geven aan de tekst van de isolatie-uitzondering. Daarnaast heeft [gedaagde] voor zover nodig de juistheid van de premiefacturen van de Fondsen betwist en heeft zij een beroep gedaan op verjaring.
4. De beoordeling
Het gaat in deze zaak om de vraag of voor recht moet worden verklaard dat [gedaagde] vanaf 1 januari 2007 gebonden is aan de Bouwregelingen en of [gedaagde] moet worden veroordeeld tot betaling van € 841.980,76 aan premie.
Geen aanhouding
[gedaagde] heeft verzocht om deze procedure aan te houden, totdat is beslist op het hoger beroep tegen een vonnis van de rechtbank Den Haag over de geldigheid van de Bouwregelingen. De kantonrechter ziet geen aanleiding voor aanhouding en verwijst daarvoor naar de bij partijen bekende uitspraak van het Gerechtshof Amsterdam, waarin is geoordeeld dat de Bouwregelingen rechtsgeldig tot stand zijn gekomen. Verder volgt uit een uitspraak van de Hoge Raad dat indien achteraf bezien de wettelijk vereiste representativiteit bij de totstandkoming van een verplichtstellingsbesluit zou hebben ontbroken, dit niet betekent dat een verplichtstellingsbesluit buiten toepassing moet blijven. De Bouwregelingen moeten dus rechtsgeldig worden geacht.
Beoordelingskader
De kantonrechter moet beoordelen of [gedaagde] onder de werkingssfeer van de Bouwregelingen valt. De beoordeling ziet op twee periodes, namelijk de periode tot (medio) 2016 waarin de isolatie-uitzondering gold, en de periode daarna waarin de isolatie-uitzondering is vervallen. Daarbij gaat het met name om de uitleg van de bepalingen in de Bouwregelingen over asbestverwijdering en de isolatie-uitzondering.
Stelplicht en bewijslast
In deze zaak vorderen de Fondsen een verklaring voor recht dat [gedaagde] onder de werkingssfeer van de Bouwregelingen valt. Omdat de Fondsen zich beroepen op het rechtsgevolg van deze stelling, namelijk de verplichting tot premiebetaling door [gedaagde] , is het aan de Fondsen om te stellen en zo nodig te bewijzen dat [gedaagde] onder de werkingssfeer van de Bouwregelingen valt. Daarin ligt ook besloten dat het aan de Fondsen is om te stellen en te bewijzen dat de isolatie-uitzondering niet van toepassing is. Het standpunt van de Fondsen dat [gedaagde] dit laatste moet bewijzen, volgt de kantonrechter dan ook niet.
Voor [gedaagde] geldt een zogenoemde ‘verzwaarde betwistplicht’. Dat wil zeggen dat [gedaagde] de betwisting van het standpunt van de Fondsen voldoende moet motiveren en onderbouwen aan de hand van gegevens over haar onderneming en haar activiteiten. [gedaagde] heeft immers de beschikking over de gegevens die haar onderneming betreffen, de Fondsen niet.
De Bouwregelingen zijn van toepassing, niet de CAO Orsima
De kantonrechter overweegt dat asbestverwijdering in de Bouwregelingen als specifieke bouwactiviteit is opgenomen dan wel wordt aangemerkt als of gelijkgesteld met het begrip ‘bouwwerken’ of ‘bouwactiviteiten’ in die regelingen. Het gaat om een ruim begrip waaronder blijkens de definitiebepalingen van de Bouwregelingen tal van constructies van bouwkundige aard vallen. Ook het verwijderen van asbest dan wel asbesthoudende materialen die zich bevinden aan of op een bouwwerk, zonder daarvan onderdeel uit te maken, vallen onder de Bouwregelingen. De kantonrechter verwijst daarvoor mede naar een uitspraak van het Gerechtshof Amsterdam.
De kantonrechter is van oordeel dat de Fondsen voldoende hebben gemotiveerd en onderbouwd, mede aan de hand van de overgelegde stukken en de toelichting op de zitting, dat [gedaagde] in overwegende mate werkzaamheden heeft verricht op het gebied van asbestverwijdering op of aan bouwwerken en dat [gedaagde] daarom onder de hoofdregel van de werkingssfeer van de Bouwregelingen valt.
Het standpunt van [gedaagde] dat zij onder de CAO Orsima valt en niet onder de Bouwregelingen, volgt de kantonrechter niet. De CAO Orsima is van toepassing op ondernemingen die zich bezighouden met onderhoud en reiniging in scheepvaart, industrie en milieu en aanverwante activiteiten. In de CAO Orsima wordt asbestsanering als activiteit genoemd, maar alleen in het kader van milieuonderhoud. Dat [gedaagde] asbest verwijdert in het kader van milieuonderhoud is niet gebleken. De werkzaamheden die [gedaagde] heeft genoemd die volgens haar als activiteiten in de zin van de CAO Orsima moeten worden aangemerkt, zien blijkens de door [gedaagde] overgelegde stukken op asbestsanering bij en rondom bouwwerken. Daarmee staat voor de kantonrechter vast dat ook die werkzaamheden van [gedaagde] zijn gerelateerd aan bouwactiviteiten die vallen onder de Bouwregelingen. Verder verwijst de kantonrechter naar een uitspraak van het Gerechtshof Amsterdam, waarin is geoordeeld dat de CAO Orsima niet kan afdoen aan de werking van de Bouwregelingen, alleen al niet omdat de Bouwregelingen geen uitzondering kennen voor asbestsanering in de zin van de CAO Orsima.
De kantonrechter komt dus tot de conclusie dat [gedaagde] over de periode op en na1 januari 2007 onder de hoofdregel van de werkingssfeer van de Bouwregelingen valt.
De uitleg van de isolatie-uitzondering
Vervolgens moet worden beoordeeld of [gedaagde] valt onder de isolatie-uitzondering die tot (medio) 2016 in de werkingssfeerbepalingen van de Bouwregelingen was opgenomen, zoals door [gedaagde] is gesteld en door de Fondsen is betwist. Daarbij is in de eerste plaats van belang hoe de isolatie-uitzondering moet worden uitgelegd.
De werkingssfeerbepaling van de Bouwregelingen moet worden uitgelegd aan de hand van de zogenoemde cao-norm. Deze norm houdt in dat aan een bepaling van een collectieve arbeidsovereenkomst (of een verplichtstellingsbesluit) een uitleg naar objectieve maatstaven moet worden gegeven, waarbij in beginsel de bewoordingen van die bepaling, gelezen in het licht van de gehele tekst van de collectieve arbeidsovereenkomst, van doorslaggevende betekenis zijn. Het komt dus aan op de betekenis die naar objectieve maatstaven volgt uit de bewoordingen waarin de collectieve arbeidsovereenkomst is gesteld.
Zoals hiervoor is vermeld, volgt uit de Bouwregelingen zoals die golden tot (medio) 2016 dat ondernemingen die zich bezighouden met asbestverwijdering aan of op bouwwerken onder die regelingen vallen, “met uitzondering van asbestverwijdering als voorbehandeling ten behoeve van het aanbrengen, herstellen, bekleden, afwerken en/of onderhouden van isolerende materialen”.
Uit de bewoordingen “voorbehandeling ten behoeve van” moet worden afgeleid dat voor de toepasselijkheid van de isolatie-uitzondering vereist is dat tussen het verwijderen van asbest en het aanbrengen van isolerende materialen in ieder geval een zeker verband bestaat. De term “voorbehandeling” wijst op een functionele band tussen de asbestverwijdering en een specifiek doel, te weten het vervolgens (kunnen) aanbrengen van isolatie.
De Fondsen stellen dat de isolatie-uitzondering zo moet worden uitgelegd, dat die uitzondering zich alleen kan voordoen als het asbestmateriaal dat wordt verwijderd ook een isolerende werking had en vervolgens nieuw isolerend materiaal wordt teruggeplaatst. Met [gedaagde] is de kantonrechter van oordeel dat deze uitleg niet uit de bewoordingen van de Bouwregelingen kan worden afgeleid.
Uit die bewoordingen blijkt immers dat de isolatie-uitzondering ook geldt als asbest wordt verwijderd om het aanbrengen, bekleden en afwerken van isolerende materialen mogelijk te maken. Daaruit volgt niet dat het te verwijderen asbestmateriaal (ook) een isolerende werking moet hebben (gehad). Deze bewoordingen van de isolatie-uitzondering kunnen niet anders betekenen dan dat uitsluitend het nieuw te plaatsen materiaal een isolerende werking moet hebben. Die conclusie wordt bevestigd doordat in de opsomming van opvolgende werkzaamheden in de isolatie-uitzondering het herstellen van isolerende materialen als slechts één van de mogelijkheden wordt genoemd. Daaruit volgt temeer dat de isolatie-uitzondering niet alleen van toepassing is als het verwijderde asbestmateriaal een isolerende werking had en die functie wordt ‘hersteld’ door het aanbrengen van nieuwe isolerende materialen, maar ook ziet op andere gevallen dan ‘herstellen’, te weten het aanbrengen, bekleden en afwerken van isolerende materalen.
De juistheid van het standpunt van de Fondsen kan, anders dan de Fondsen stellen, niet worden afgeleid uit de door de Fondsen genoemde uitspraak van het Gerechtshof Amsterdam. In die uitspraak is overwogen dat de isolatie-uitzondering in dat geval van toepassing was, omdat de ondernemer had gesteld dat door haar (asbest)isolerend materiaal werd gesaneerd en de Fondsen hier niets tegenover hebben gesteld. Daaruit blijkt niet dat de door de Fondsen gestelde uitleg van de isolatie-uitzondering moet worden gevolgd.
De isolatie-uitzondering is van toepassing in de periode van 2007 tot 2016
De volgende vraag is of de isolatie-uitzondering van toepassing is in de periode van 2007 tot 2016. Daarvoor is bepalend of de werkzaamheden van [gedaagde] in het kader van asbestverwijdering zijn opgevolgd door werkzaamheden met een isolerend doel en karakter, dat wil zeggen of tussen het verwijderen van asbest en het aanbrengen van isolerende materialen een voldoende verband bestaat.
Gelet op de door [gedaagde] overgelegde gegevens en haar toelichting daarop, is de kantonrechter van oordeel dat [gedaagde] voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat haar activiteiten overwegend onder de isolatie-uitzondering vallen. Daarbij is het volgende van belang.
Partijen hebben op de zitting van 28 november 2024 afgesproken om de jaren 2013 en 2014 als uitgangspunt te nemen bij de beoordeling of sprake is van de isolatie-uitzondering, omdat er in omvang en soort projecten geen wezenlijke verschillen zijn ten aanzien van de jaren vóór en na 2013 en 2014. De kantonrechter volgt partijen daarin en gaat hier ook van uit.
[gedaagde] heeft ter onderbouwing van haar standpunt dat zij onder de isolatie-uitzon-dering valt, een overzicht van de door haar verrichte projecten in 2013 en 2014 overgelegd, met de daarbij behorende facturen en onderliggende stukken, zoals werkrapporten, correspondentie en asbest-inventarisatierapporten. Weliswaar heeft [gedaagde] niet alle door haar verrichte projecten van een dergelijke onderbouwing voorzien, maar de gemachtigde van de Fondsen heeft op de zitting verklaard op zich niet te twijfelen aan de juistheid van de gegevens en het overzicht ten aanzien van de verschillende genoemde projecten. De kantonrechter gaat er daarom vanuit dat die gegevens juist zijn.
Uit het overzicht blijkt voldoende dat [gedaagde] deels werkzaamheden heeft verricht waarvan onbetwist is dat het verwijderde asbest werd gebruikt vanwege de isolerende werking daarvan, zoals bij asbestzeil op de vloer, bij leidingisolatie, (gevel)beplating en vloerluiken. Ten aanzien van deze werkzaamheden kan er dus in ieder geval van wordt uitgegaan dat deze onder de isolatie-uitzondering vallen. Daarbij merkt de kantonrechter op dat uit de Bouwregelingen niet volgt dat de isolatie-uitzondering alleen ziet op thermische isolatie.
Verder blijkt uit het overzicht van [gedaagde] ook voldoende dat veel andere projecten van [gedaagde] zagen op het verwijderen van asbestverwijdering dat werd opgevolgd door werkzaamheden met een isolerend doel en karakter. Daar waar het veelal gaat om renovatieprojecten, zoals bijvoorbeeld het project Sterflats in Hoorn en het project E-blokken in Hoorn, is aannemelijk dat het verwijderen van asbest wordt gevolgd door het aanbrengen van isolerende materialen. Aangenomen mag worden dat bijvoorbeeld het verwijderen van asbest uit een vensterbank, vloer, plafond of golfplaten dak, wordt opgevolgd door het aanbrengen van materialen met een isolerende werking. Dit is door [gedaagde] ook voldoende toegelicht, onder andere door verwijzing naar de destijds geldende Bouwbesluiten, op grond waarvan niet mag worden gerenoveerd zonder isolerende materialen aan te brengen. Ook heeft [gedaagde] dit onderbouwd met een verklaring van een opdrachtgever, waaruit blijkt dat het project Sterflats een renovatieproject was waarbij werkzaamheden zijn uitgevoerd ten behoeve van het aanbrengen van isolerende materialen om verduurzaming uit te kunnen voeren.
De Fondsen hebben de juistheid van het overzicht van [gedaagde] wel ter discussie gesteld waar het gaat om het ontbreken van facturen ten aanzien van de projecten met een grote financiële omvang, met name het project Sterflats en het project E-blokken. De kantonrechter stelt vast dat [gedaagde] inderdaad geen facturen ten aanzien van deze projecten heeft overgelegd, maar [gedaagde] heeft met een verklaring van de opdrachtgever wel onderbouwd wat de aard was van de werkzaamheden bij het project Sterflats. Zoals hiervoor al is overwogen, blijkt uit die verklaring dat het ging om een renovatieproject waarbij werkzaamheden zijn uitgevoerd ten behoeve van het aanbrengen van isolerende materialen. Daarbij heeft [gedaagde] op de zitting onweersproken verklaard dat het project E-blokken onderdeel uitmaakte van het project Sterflats. Deze onderbouwing acht de kantonrechter toereikend, zodat de omstandigheid dat de facturen van deze projecten ontbreken niet van belang is.
Verder neemt de kantonrechter in aanmerking dat een groot deel van de projecten die [gedaagde] niet heeft onderbouwd of heeft kunnen onderbouwen, ziet op projecten die blijkens de omschrijving daarvan gelijksoortige werkzaamheden betreffen als de projecten waarvoor wel een onderbouwing is gegeven. Daarmee is aannemelijk dat die projecten eenzelfde aard en karakter hebben. Daarbij weegt mee dat niet is weersproken dat [gedaagde] al in 2014 een overzicht van de verschillende projecten met de toen nog beschikbare facturen en onderliggende stukken aan de Fondsen heeft verstrekt, zodat de Fondsen daar destijds kennis van hebben kunnen nemen.
Het standpunt van de Fondsen dat [gedaagde] met het overzicht niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij onder de isolatie-uitzondering valt, omdat hieruit niet blijkt dat asbestmateriaal is verwijderd dat een isolerende werking heeft, volgt de kantonrechter niet. De kantonrechter wijst op hetgeen daarover hiervoor onder 4.10 tot 4.16 is overwogen.
Het is dan vervolgens aan de Fondsen om aan te tonen dat [gedaagde] niet onder de isolatie-uitzondering valt. Daarin zijn de Fondsen niet geslaagd. Uit het werkingssfeeronder-zoek dat APG namens de Fondsen heeft gedaan, kan niet worden afgeleid dat is beoordeeld of de isolatie-uitzondering van toepassing is. Uit de beslissing van de Commissie werkingssfeer blijkt dat ervan is uitgegaan dat de isolatie-uitzondering alleen van toepassing is als de onderneming die de asbest heeft verwijderd ook zelf de daaropvolgende isolatie-werkzaamheden verricht. Dat betekent dat zowel de APG, de Commissie werkingssfeer als de Fondsen een onjuiste maatstaf hebben gebruikt bij de vraag of de isolatie-uitzondering van toepassing is, zoals volgt uit wat hiervoor is overwogen.
De Fondsen hebben dus ook in het kader van deze procedure de door [gedaagde] overgelegde gegevens aan een onjuiste maatstaf getoetst. De kantonrechter ziet geen aanleiding om de Fondsen in dit stadium van de procedure alsnog gelegenheid te bieden de werkzaamheden van [gedaagde] te toetsen aan de juiste maatstaf.
De kantonrechter komt dus tot het oordeel dat [gedaagde] onder de isolatie-uitzondering valt in de periode van 1 januari 2007 tot (medio) 2016.
De vordering van de Fondsen over 2007 tot 2016 wordt afgewezen
De conclusie van het voorgaande is dat de vordering van de Fondsen om voor recht te verklaren dat [gedaagde] vanaf 1 januari 2007 gebonden is aan de Bouwregelingen en moet worden veroordeeld tot betaling van premie, ten aanzien van de periode van 1 januari 2007 tot (medio) 2016 wordt afgewezen.
Dit betekent ook dat het beroep van [gedaagde] op verjaring, zoals op de zitting is gedaan, onbesproken kan blijven en dat het niet nodig is om [gedaagde] , zoals zij op de zitting heeft verzocht, nog in de gelegenheid te stellen om schriftelijk te reageren op de akte van de Fondsen van 9 oktober 2025.
[gedaagde] is over de periode na (medio) 2016 wel gebonden aan de Bouwregelingen
Hiervoor is al overwogen dat [gedaagde] onder de hoofdregel van de werkingssfeer van de Bouwregelingen valt. Dat is niet anders voor de periode na (medio) 2016.
Vast staat vast dat de isolatie-uitzondering in de Bouwregelingen is vervallen in 2016. De uitzondering is per 1 januari 2016 vervallen in de CAO BTER, per 8 april 2016 vervallen in de CAO Bouw, en per 15 juli 2016 vervallen in de verplichtstellingsbesluiten.
De door de Fondsen gevorderde verklaring voor recht dat [gedaagde] ten aanzien van de periode vanaf (medio) 2016 is gebonden aan de Bouwregelingen zal dan ook met inachtneming van deze data worden toegewezen.
[gedaagde] moet na (medio) 2016 premie betalen, na herberekening daarvan
Dit betekent ook dat [gedaagde] vanaf 2016 en de genoemde data premie moet betalen aan de Fondsen.
Aan de stelling van [gedaagde] dat onduidelijk is hoe de vorderingen van de Fondsen zijn opgebouwd, gaat de kantonrechter voorbij. Met de gegevens die de Fondsen in de akte van 9 maart 2025 hebben overgelegd, hebben zij voldoende inzichtelijk gemaakt van welke gegevens is uitgegaan. Bovendien heeft [gedaagde] op de zitting verklaard dat zij alle premienota’s heeft ontvangen en bewaard.
Wat betreft de hoogte van de verschuldigde premie is door de Fondsen op de zitting erkend dat in de premienota’s geen rekening is gehouden met de isolatie-uitzondering en geen onderscheid is gemaakt ten aanzien van het vervallen van die uitzondering per respectievelijk 1 januari 2016, 8 april 2016 en 15 juli 2016. Dit betekent dat de Fondsen de door [gedaagde] verschuldigde premie nog opnieuw moeten berekenen en vaststellen met inachtneming van deze data.
[gedaagde] zal gelet op het voorgaande worden veroordeeld tot betaling van het bedrag aan premie na herberekening. Vast staat dat [gedaagde] de verschuldigde premie niet heeft betaald, zodat de door de Fondsen gevorderde rente over het na herberekening verschuldigde bedrag aan premie zal worden toegewezen.
De buitengerechtelijke kosten
De vordering van de Fondsen om [gedaagde] te veroordelen tot betaling van buitengerechtelijke kosten wijst de kantonrechter af. Onvoldoende is gesteld of gebleken dat de Fondsen kosten hebben gemaakt die betrekking hebben op werkzaamheden die een vergoeding daarvoor rechtvaardigen.
De proceskosten
Omdat beide partijen op punten ongelijk krijgen, zal worden bepaald dat partijen ieder de eigen kosten moeten dragen.
Uitvoerbaarheid bij voorraad 4.40. [gedaagde] heeft verzocht om een veroordelend vonnis niet uitvoerbaar bij voorraad te ontzeggen, omdat dit het faillissement van [gedaagde] kan betekenen. Deze stelling heeft [gedaagde] niet onderbouwd, zodat de kantonrechter hieraan voorbij gaat. De aard van de verklaring voor recht staat er in dit geval niet aan in de weg dat deze uitvoerbaar bij voorraad wordt verklaard.
5. De beslissing
De kantonrechter:
verklaart voor recht dat [gedaagde] vanaf 15 juli 2016 is gebonden aan de statuten, reglementen en de besluiten van het bestuur van Bpf Bouw, vanaf 8 april 2016 aan de algemeen verbindend verklaarde CAO Bouw, en vanaf 1 januari 2016 aan de CAO BTER;
veroordeelt [gedaagde] tot betaling aan de Fondsen van premie na herberekening, met inachtneming van de verschillende data genoemd in 5.1, te vermeerderen met de wettelijke (handels)rente vanaf twee weken nadat de premie betaald had moeten zijn tot de dag van algehele betaling;
bepaalt dat partijen ieder de eigen kosten dragen;
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;
wijst de vordering voor het overige af.
Dit vonnis is gewezen door mr. P.J. Jansen, kantonrechter, in samenwerking met mr. S.C. Jacobs, juridisch adviseur/griffier, en in het openbaar uitgesproken op 10 december 2025.
de griffier de rechter