ECLI:NL:RBNHO:2025:15237

ECLI:NL:RBNHO:2025:15237, Rechtbank Noord-Holland, 31-12-2025, HAA 24/6889

Instantie Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak 31-12-2025
Datum publicatie 06-01-2026
Zaaknummer HAA 24/6889
Rechtsgebied Bestuursrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig

Samenvatting

Deze uitspraak gaat over afwijzing van eisers klacht/handhavingsverzoek op grond van de Algemene verordening gegevensbescherming (AVG). Eiser is het hier niet mee eens. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de AP het verzoek op toereikende gronden heeft afgewezen. Eiser krijgt dus geen gelijk en het beroep is dus ongegrond.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 31 december 2025 in de zaak tussen

[eiser], uit [plaats], eiser

Autoriteit persoonsgegevens, de AP

Samenvatting

Zittingsplaats Alkmaar

Bestuursrecht

zaaknummer: HAA 24/6889

en

gemachtigden: mr. N. Hmoumou en W. van Steenbergen, beiden in dienst van de AP.

Deze uitspraak gaat over afwijzing van eisers klacht/handhavingsverzoek op grond van de Algemene verordening gegevensbescherming (AVG). Eiser is het hier niet mee eens.

De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de AP het verzoek op toereikende gronden heeft afgewezen. Eiser krijgt dus geen gelijk en het beroep is dus ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2.

Op 20 november 2023 heeft eiser de AP verzocht om handhavend op te treden tegen camera’s van buurtbewoners. De AP heeft dit verzoek opgevat als een klacht als bedoeld in artikel 57 AVG en de ontvangst hiervan bevestigd.

Op 26 februari 2024 heeft eiser bezwaar gemaakt wegens het niet tijdig beslissen op zijn verzoek en heeft hij zijn verzoek uitgebreid. De AP heeft het bezwaar opgevat als een ingebrekestelling in verband met niet tijdig beslissen op het verzoek.

Bij primair besluit van 4 april 2024 heeft de AP besloten geen verder onderzoek te doen naar eisers klacht en dus het verzoek afgewezen. De AP heeft bij afzonderlijk besluit van 17 april 2024 aan eiser in verband met te laat beslissen de door haar verschuldigde dwangsom vastgesteld op € 637,-.

Op 14 mei 2024 heeft eiser beroep ingesteld tegen het besluit van 4 april 2024. Dat beroep heeft de rechtbank geregistreerd onder zaaknummer HAA 24/2639.

De rechtbank heeft het beroepschrift van eiser op 25 juni 2024 doorgezonden aan de AP ter behandeling als bezwaarschrift en dossier 24/2639 gesloten.

Met het bestreden besluit van 12 september 2024 op het bezwaar van eiser is de AP bij zijn besluit van 4 april 2024 gebleven.

Eiser heeft op 21 oktober 2024 beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.

De AP heeft op 13 maart 2025 op het beroep gereageerd met een verweerschrift.

Eiser heeft op 18 juli 2025 (door de rechtbank ontvangen op 21 juli 2025) op het verweerschrift gereageerd.

Op 28 juli 2025 heeft de AP nog nadere stukken overgelegd.

De rechtbank heeft het beroep op 6 augustus 2025, gelijktijdig met het beroep met zaaknummer HAA 25/2217, dat betrekking heeft op een Woo-verzoek van eiser, op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser en de gemachtigden van de AP.

Totstandkoming van het bestreden besluit

3.

Op 14 november 2023 heeft eiser de AP – samengevat – verzocht om handhavend op te treden tegen een aantal buurtbewoners die een camera aan de voorgevel gebruiken, gericht op de openbare straat, anders dan een cameradeurbel. Door het gebruik van deze apparatuur, zo stelt eiser, wordt zijn privacy, dat van zijn gezin en ook van medebewoners, zonder toereikende grondslag geschonden. Hij verwijst naar 17 adressen in 5 verschillende straten in zijn buurt waar camera’s hangen aan de buitenzijde van de woning, maar daarnaast ook in het algemeen een probleem te hebben met het gebruik van camera’s.

In zijn “bezwaar tegen het niet tijdig beslissen op zijn verzoek” heeft hij voornoemd verzoek verruimd. Hij verzoekt nu onder meer ook ‘het ontstane oerwoud aan deurbelcamera’s in de directe omgeving erbij te betrekken’.

De AP heeft eisers verzoek opgevat als een klacht in de zin van artikel 57 AVG en dus als een handhavingsverzoek naar Nederlands recht en op 4 april 2024 besloten na een “bureaubeoordeling” hiernaar geen verder onderzoek te doen. Daartoe overweegt de AP – samengevat – dat op basis van de meegestuurde informatie niet kan worden vastgesteld of een (gestelde) verwerking van eisers persoonsgegevens met die camera’s al dan niet rechtmatig is. Er zal inzicht nodig zijn in de specifieke situatie per verwerkingsverantwoordelijke. Daarbij zijn ook de instellingen van de camera zelf relevant. Eiser kan volgens de AP slechts klagen over de verwerking van zijn eigen persoonsgegevens. Doordat hij een veelheid aan adressen heeft opgegeven, is het de vraag of zijn gegevens wel verwerkt worden. Dit volgt niet uit zijn klacht. Een rechtsgeldige grondslag kan per verwerkingsverantwoordelijke verschillen. Gelet hierop dient een klacht gericht te zijn tegen één of een beperkt aantal personen en niet tegen eenieder die gebruik maakt van een beveiligings- en/of deurbelcamera. Volgens de AP is de klacht op gepaste wijze onderzocht en wordt hiernaar, gelet op het voorgaande, geen verder onderzoek gedaan.

Eiser is het hiermee oneens en heeft zich in zijn bezwaarschrift op 14 mei 2024, aangevuld op 11 en 23 juni 2024 – samengevat – op de volgende standpunten gesteld.- Volgens hem is sprake van een steeds erger wordend probleem van schending van de privacy en andere mensenrechten als gevolg van plaatsing van grote aantallen (deurbel)camera’s. - Het onderzoek naar zijn klacht is volgens hem niet toereikend geweest en heeft zich ten onrechte slechts beperkt tot bureau-onderzoek. Er is volgens hem geen blijk gegeven van een duidelijke afweging van belangen. Op de AP rust een verplichting om mensen te beschermen tegen inbreuken op mensenrechten. De AP voldoet aan deze verplichting niet. Zij hanteert ten onrechte een gedoogbeleid. Dit verergert het probleem.- Het is volgens eiser ondoenlijk om voor elk geval een apart verzoek om handhaving in te dienen. Dit zou ook zeer inefficiënt zijn. De AP mag het verzoek volgens hem verder niet afwijzen omdat wegens capaciteitsproblemen niet zou kunnen worden gehandhaafd. Ook kan niet worden volstaan met een algemene brief naar de mogelijke overtreders.

- Volgens eiser is er voor het opnemen van geluid en beeldmateriaal van zowel publiek als privéterrein door (deurbel)camera’s geen toereikende grondslag aanwezig als bedoeld in artikel 5 en 6 AVG. Eiser wijst verder op zijn recht op inzage van de door de verwerker verwerkte persoonsgegevens, het recht om te worden vergeten en de omstandigheid dat de informatie slechts gedurende een beperkte periode bewaard mag worden.

- De AP handelt volgens eiser in strijd met (mensen)rechten en met de wijze waarop zij volgens het EHRM moet handelen. Gelet op de toezichthoudende functie van de AP moet een actieve houding van haar worden verwacht. Handhaven is, gelet op de geldende jurisprudentie, als sprake is van een overtreding niet vrijblijvend. Van uitzonderingen hierop is in onderhavig geval volgens eiser geen sprake.

- Eiser wijst erop dat er een belangenafweging dient plaats te vinden tussen de bescherming van de persoonlijke levenssfeer en het recht van de gebruikers van de (deurbel)camera’s om hun eigendommen te beschermen. Eisers belangen wegens volgens hem zwaarder dan de belangen van de gebruikers van de camera's. De inperking van mensenrechten moet een legitiem doel dienen. Dat doel is er volgens eiser niet. Zeker niet in de wijk waar hij woont. Het algemeen recht op beveiliging van de eigen bezittingen en woning komt niet overeen met een ‘pressing social need’, wat zwaarder zou kunnen wegen. De AP dient te onderzoeken of er minder inbreuk makende alternatieven zijn. Dat is niet gebeurd.

Eiser concludeert dat door de situatie te gedogen sprake is van een toename van camera’s zonder dat daarbij rekening wordt gehouden met de geldende regels. Een gerechtvaardigd belang hiervoor is er volgens eiser niet. Het gebruik van camera’s is een kwestie geworden van handigheid en gemak. Dit zijn geen wettelijke grondslagen om persoonsgegevens te mogen verzamelen en te verwerken, laat staan opslaan. De camera’s maken dan ook een onevenredige inbreuk op zijn rechten zoals opgenomen in artikel 8 en artikel 9, van het Verdrag voor de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). Tevens maakt de AP volgens hem een inbreuk op artikel 6 en artikel 13 van het EVRM.

Bestreden besluit

4.

De AP heeft het bezwaar van eiser bij het bestreden besluit ongegrond verklaard. Volgens de AP heeft zij eisers klacht in gepaste mate onderzocht en heeft zij daarnaar geen verder onderzoek hoeven doen. Daartoe heeft de AP als volgt overwogen.

Een AVG klacht kan niet gericht zijn op iedereen die gebruik maakt van een deurbelcamera. Een verzoek moet voldoende concreet zijn. Zo niet, dan is geen sprake van een aanvraag en hoeft er geen besluit te worden genomen. Er zal dan ook duidelijk moeten worden gemaakt om welke adressen en camera’s het gaat. Eiser noemt in zijn bezwaarschrift bovendien andere huisnummers dan in zijn verzoek van 20 november 2023. Het is volgens de AP niet toegestaan de reikwijdte van een (handhavings)verzoek in bezwaart uit te breiden. Het geschil beperkt zich volgens de AP dan ook tot de camera’s van de adressen die hij in zijn verzoek concreet heeft aangeduid.

Volgens de AP is een overtreding van een wettelijk voorschrift niet vast komen te staan. Er is daarnaast een te uitgebreid onderzoek ter plaatse nodig om een overtreding van de AVG vast te stellen of uit te sluiten. Op basis van de beschikbare informatie kan dit niet. Er bestaan goede gronden om aan te nemen dat burgers die hun eigendommen beveiligen met camera’s en daarbij persoonsgegevens verwerken handelen op grond van een gerechtvaardigd belang. Dat hiervan geen sprake zou zijn, volgt uit de door eiser genoemde informatie niet. Daarbij komt dat de instellingen van de camera’s niet bekend zijn en ook sprake kan zijn van privacy vriendelijke instellingen.

Volgens de AP is op gepaste wijze onderzoek naar de klacht van eiser gedaan. De AP heeft een vaste werkwijze voor behandeling van een klacht. Het vertrekpunt daarbij is artikel 57, eerste lid, aanhef en onder f, AVG. Hieruit volgt dat de AP klachten behandelt en de inhoud daarvan onderzoekt in de mate waarin dat gepast is. In de rechtspraak is breed erkend dat de AP de ruimte heeft om de ene zaak intensiever te onderzoeken dan de andere. De AP geeft hierbij voorrang aan kwesties die zien op een van de focusgebieden zoals genoemd op haar website. Daarbij kijkt de AP onder andere naar de mate waarin zij in staat is om efficiënt en effectief op te treden. Zij is dus niet verplicht om naar aanleiding van elke klacht een uitgebreid onderzoek in te stellen.

De AP kan in eisers klacht, na deze eerste inhoudelijke beoordeling, onvoldoende aanknopingspunten voor een overtreding van de AVG vinden. Volgens vaste rechtspraak is het niet onredelijk dat de AP aan de hand van een globaal bureauonderzoek beoordeelt of zich een mogelijke overtreding heeft voorgedaan. Om een overtreding uit te sluiten of vast te kunnen stellen, zou de AP de klacht nader moeten onderzoeken.

Van belang is daarbij dat sprake is van een kwestie waar de AP onvoldoende efficiënt en effectief kan optreden. Zij acht het onwaarschijnlijk dat zij langdurig het door eiser gewenste effect kan bereiken, aangezien wijzigingen van de camera’s – en camera-instellingen – na handhaving makkelijk zijn te bewerkstelligen. Daarnaast is cameratoezicht onder bepaalde voorwaarden toegestaan vanwege een gerechtvaardigd belang. Cameratoezicht valt niet onder een van de focusgebieden van de AP. De klacht is volgens de AP in gepaste mate onderzocht.

Het dossier biedt geen aanknopingspunten om zwaarwichtige gronden aan te nemen op grond waarvan onderzoek alsnog zou moeten plaatsvinden. Wat eiser heeft aangevoerd leidt hiertoe niet. Eiser heeft ook nog niet zelf zijn buren benadert met de vraag of zij met hun camera’s ook de openbare weg filmen. Ook is niet geprobeerd om, eventueel met behulp van buurtbemiddeling of mediation, te kijken naar mogelijkheden om tot een oplossing te komen.

Volgens de AP handelt zij niet in strijd met de artikelen 6 en 13 EVRM en artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de EU door niet tot handhavend optreden over te gaan. De AP volgt eiser niet in zijn standpunt dat dit eisers rechten theoretisch en illusoir maakt. Eiser kan zich immers altijd wenden tot de civiele rechter. Hiermee beschikt hij over een doeltreffende voorziening in rechte om op te komen tegen camerabewaking in zijn buurt. Uit de door eiser genoemde bepalingen vloeit niet voort dat de AP verplicht is om uitgebreid te onderzoeken of sprake is van een overtreding van de AVG.

De AP wijst er daarbij op dat haar capaciteit begrensd is en zij niet in staat is om iedere klacht even intensief te onderzoeken. In vergelijkbare situaties stuurt de AP bijvoorbeeld normoverdragende brieven naar buurtbewoners. Eiser stelt hierop echter geen prijs en wil niet dat zijn adres bekend wordt. Hiervan heeft de AP dan ook afgezien. De AP doet haar best om via verschillende kanalen voorlichting te geven over de AVG, bewustwording te creëren en te bevorderen dat de regels wordt nageleefd. Ook doet zij haar best om betrokkenen in te lichten en probeert zij hen daarbij zo goed mogelijk in staat te stellen om hun rechten veilig te stellen.

Beroepsgronden

5. Eiser stelt zich – samengevat en voor zover van belang – op de volgende standpunten.- Allereerst acht hij zijn verzoek om handhaving voldoende geconcretiseerd. Van een ontoelaatbare uitbreiding van zijn verzoek is volgens hem geen sprake. -Volgens eiser heeft de AP verder ten onrechte geweigerd middels nader onderzoek vast te stellen of sprake is van overtredingen. Zolang de AP geen onderzoek verricht kan eiser geen handhaving afdwingen. Dat sprake is van overtredingen is volgens eiser overigens evident. De stelling van de AP dat er goede redenen zouden zijn voor plaatsing van de camera’s is slechts gebaseerd op veronderstellingen en hypotheses. Bovendien stelt de AP volgens hem, gelet op uitlatingen van de voorzitter in de media, zelf ook al vast dat sprake is van overtredingen. Er had dan ook op basis hiervan al nader onderzoek moeten worden verricht. - Handhavend optreden zou volgens hem een hogere prioriteit moeten krijgen. Nu wordt volgens hem willens en wetens geaccepteerd dat er grondrechten worden geschonden. De verwijzing naar de mogelijkheid om zich te wenden tot de civiele rechter acht eiser geen rechtvaardiging om van handhaving af te zien. De AP heeft een eigen verantwoordelijkheid op het gebied van het bestuursrecht. De AVG is leidend voor alle EER lidstaten. De AP is aangewezen als de autoriteit met bepaalde taken en verantwoordelijkheden. Een van die taken is handhavend optreden. - Eiser stelt tot slot een uitgebreide vordering op die – samengevat – inhoudt dat de rechter de AP moet opdragen om alle camera’s binnen 72 uur te verwijderen en verwijderd te houden op straffe van een dwangsom. Verweerschrift

6. De AP blijft – samengevat – bij haar conclusie dat er onvoldoende aanwijzing is voor jegens eiser gepleegde overtredingen van de AVG met camera’s in de buurt en dat er dus verder onderzoek nodig zou zijn naar de vraag of de buurtgenoten van eiser die gebruik maken van camera’s, de AVG hebben overtreden. Aan dit onderzoek komt zij niet toe, gelet op de vaste werkwijze die zij hanteert bij het behandelen van AVG-klachten. Hierbij acht zij ook van belang dat een optreden niet efficiënt en effectief zal zijn. Verder valt de vermeende overtreding niet onder de aandachtsgebieden waar de AP haar focus op richt. De klacht is volgens de AP op gepaste wijze onderzocht en zij heeft volgens haar kunnen besluiten om een nader onderzoek achterwege te laten.

Beoordeling door de rechtbank

1. Ter zitting heeft de rechtbank reeds toegelicht dat het eerste beroepsschrift van eiser, gericht tegen het primaire besluit, anders dan eiser nog had aangevoerd, terecht aan de AP is doorgezonden ter behandeling als bezwaar. De rechtbank ziet thans geen aanleiding op dat oordeel terug te komen.

8. De AP heeft eisers klacht op toereikende wijze beoordeeld en mogen besluiten om geen verder onderzoek te verrichten en dus geen aanleiding te zien om tot handhavingsmaatregelen jegens derden over te gaan. Daartoe overweegt de rechtbank als volgt.

9. De AP heeft op grond van artikel 57, eerste lid, onder f, AVG, aangehaald in voetnoot 1, beoordelingsruimte om een klacht al dan niet te onderzoeken. Hierin is bepaald dat de inhoud van de klacht wordt onderzocht in de mate waarin dat gepast is.

Op basis van de door de AP gehanteerde Beleidsregels Prioritering klachtenonderzoek, zoals deze golden ten tijde in geding, beoordeelt de AP eerst aan de hand van globaal bureauonderzoek of aannemelijk is dat zich een mogelijke overtreding heeft voortgedaan. Mede gelet op de tekst van artikel 57, eerste lid, aanhef en onder f, AVG is dat uitgangspunt niet onredelijk. De AP mag dan ook in het algemeen volstaan met globaal onderzoek als niet zonder meer aannemelijk is dat zich een overtreding heeft voorgedaan.

10. De AP heeft zich op het standpunt kunnen stellen dat niet (voldoende) aannemelijk is geworden dat sprake is van een overtreding, zodat gelet op dat kader geen nader onderzoek is vereist naar de vraag of handhavend optreden gerechtvaardigd is. Hoewel, zoals ter zitting door de AP is toegelicht, bij het gebruik van camera’s gericht op een persoon kennelijk wel altijd sprake is van verwerking van persoonsgegevens, heeft eiser aan zijn klacht onvoldoende concrete feiten ten grondslag gelegd dat in de door hem genoemde gevallen ook daadwerkelijk sprake zal zijn van onrechtmatige verwerking van deze gegevens. En daarmee heeft hij dus onvoldoende aannemelijk gemaakt dat sprake is van een of meer overtredingen die nader onderzoek rechtvaardigen. De enkele omstandigheid dat daartoe wel de mogelijkheid bestaat, betekent nog niet dat de AP tot zodanig nader onderzoek gehouden is. Ook de door de AP in de media gedane en door eiser aangehaalde algemene en niet geconcretiseerde uitlatingen over privacy schending door het gebruik van particuliere camera’s is onvoldoende om op basis van de klacht van eiser aan te moeten nemen dat er voldoende aanleiding is voor nader onderzoek. Dat de AP er voor waarschuwt dat cameragebruik in de publieke ruimte aan privacyregels is gebonden en zij heeft ervaren dat die regels niet steeds worden nageleefd, betekent nog niet dat in de door eiser niet nader geconcretiseerde gevallen ook evident een schending aan de orde is. Dat geldt ook voor het ter zitting besproken geval van de buurman die volgens eiser via een camera een parkeerplek voor zijn huis in de gaten zou houden omdat eiser die stelling ook onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt en niet in geschil is dat die buurman die parkeerplaats ook via zijn ramen in de gaten kan houden.

11. De AP heeft eisers klacht op gepaste wijze onderzocht en heeft gelet op het voorgaande kunnen volstaan met globaal onderzoek. Hierbij heeft de AP bovendien niet geheel ten onrechte gewezen op het bij de selectie van handhavingsverzoeken die wel of niet in aanmerking komen voor nader onderzoek gevoerde prioriteringsbeleid.

12. De overige door eiser aangevoerde beroepsgronden maken het voorgaande niet anders.

13. Voor zover eiser met zijn verzoek een maatschappelijk probleem aan de orde heeft willen stellen en betoogt dat de AP tegen alle (deurbel)camera’s in Nederland zou moeten optreden kan hij dat hiermee niet bereiken. Het door eiser genoemde maatschappelijke belang betreft immers geen eigen, persoonlijk belang.

Conclusie en gevolgen

1. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat het bestreden besluit stand kan houden. De AP hoeft eisers klacht niet verder te onderzoeken en niet op basis van de klacht tot handhaving over te gaan. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. R.H.M. Bruin, rechter, in aanwezigheid van F. Voskamp, griffier en uitgesproken in het openbaar op 31 december 2025.

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan in hoger beroep bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?