ECLI:NL:RBNHO:2025:15259

ECLI:NL:RBNHO:2025:15259, Rechtbank Noord-Holland, 26-11-2025, 11269275

Instantie Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak 26-11-2025
Datum publicatie 06-01-2026
Zaaknummer 11269275
Rechtsgebied Civiel recht; Verbintenissenrecht
Procedure Bodemzaak
Zittingsplaats Haarlem

Samenvatting

Effectenleasezaak. Dexia heeft onrechtmatig tegenover afnemer gehandeld door afnemer als cliënt te accepteren terwijl zij behoorde te weten dat de tussenpersoon afnemer niet alleen als klant aanbracht maar hem tevens persoonlijk had geadviseerd en de tussenpersoon geen vergunning daarvoor bezat. Dexia dient de door afnemer geleden schade, vermeerderd met rente te vergoeden.

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Zittingsplaats Haarlem

Zaaknummer: 11269275 EL 24-11

vonnis van de kantonrechter van 26 november 2025

in de zaak van

de besloten vennootschap DEXIA NEDERLAND B.V.,

gevestigd te Amsterdam,

eisende partij in conventie,

verwerende partij in reconventie,

gemachtigde: USG Legal Professionals,

tegen

[gedaagde],

wonende te [plaats],

gedaagde partij in conventie,

eisende partij in reconventie,

gemachtigde: mr. G. van Dijk, Leaseproces.

Partijen worden hierna Dexia en [gedaagde] genoemd.

1. 1. De procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit:

de dagvaarding van 29 juli 2024;

de conclusie van antwoord in conventie en van eis in reconventie;

de conclusie van repliek in conventie en van antwoord in reconventie, tevens houdende akte (voorwaardelijke) wijziging eis;

de conclusie van dupliek in conventie en van repliek in reconventie,

de conclusie van dupliek in reconventie.

Ten slotte is partijen meegedeeld dat vonnis wordt gewezen.

2. 2. De feiten

[gedaagde] heeft de volgende leaseovereenkomst ondertekend waarop zij als lessee stond vermeld, met als wederpartij (de rechtsvoorgangster van) Dexia:

Nr.

Contractnr.

Datum

Naam overeenkomst

I.

56001274

11-11-1999

Profit Effect

Dexia heeft met betrekking tot de overeenkomst een eindafrekening opgesteld met het volgende resultaat:

Nr.

Datum eindafrekening

Resultaat

Betaald

I.

17-05-2006

- € 2.455,77

Ja, door [gedaagde]

Volgens opgave van Dexia heeft [gedaagde] op grond van de overeenkomst – al dan niet bij wijze van vooruitbetaling – in totaal een bedrag van € 2.988,70 aan maandtermijnen en een bedrag van € 2.455,77 wegens restschuld aan Dexia betaald. Volgens die opgave heeft [gedaagde] € 498,40 aan dividenden ontvangen en € 488,48 aan fiscaal voordeel genoten.

De gemachtigde van [gedaagde], Leaseproces, heeft bij brief van 4 oktober 2005 de nietigheid, vernietiging, dan wel ontbinding van de overeenkomst ingeroepen op grond van misbruik van omstandigheden, wanprestatie, dwaling, onrechtmatige daad en/of misleidende reclame. Tevens wordt het recht voorbehouden daartoe ook andere gronden nog aan te voeren.

Bij brief van 6 juni 2024 heeft Dexia [gedaagde] een kleine coulancevergoeding aangeboden als minnelijke regeling om het geschil tussen partijen af te sluiten. Partijen zijn niet tot afronding van het dossier gekomen.

3. De vordering en het verweer in conventie en in reconventie

Dexia vordert, na (voorwaardelijke) wijziging van eis, in conventie dat de rechtbank bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad voor wat betreft de proceskosten:

zal verklaren voor recht dat Dexia met betrekking tot de tussen haar en [gedaagde] gesloten Overeenkomst van effectenlease met nummer 56001211 na betaling van een door uw Rechtbank in goede justitie vast te stellen bedrag, aan al haar verbintenissen heeft voldaan, daaronder begrepen schadevergoedingsverbintenissen, en derhalve niets meer aan [gedaagde] verschuldigd is, met veroordeling van [gedaagde] in de kosten van het geding.

[gedaagde] voert verweer tegen de vorderingen. Het verweer mondt uit in een tegenvordering waarbij [gedaagde] vordert samengevat dat de kantonrechter bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad:

voor recht zal verklaren dat Dexia onrechtmatig heeft gehandeld jegens [gedaagde] en/of toerekenbaar is tekort geschoten, althans haar zorgplicht heeft geschonden jegens [gedaagde];

het beding/de bedingen vernietigt op grond waarvan Dexia de resterende termijnen in rekening heeft gebracht op de eindafrekening van de overeenkomst 56001274;

Dexia zal veroordelen om het bedrag van € 1.771,66 als zijnde onverschuldigd betaald aan [gedaagde] te restitueren, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 8 oktober 2012 tot de dag der algehele voldoening, althans een in goede justitie door de rechtbank te bepalen bedrag en ingangsdatum van de wettelijke rente;

Dexia zal veroordelen om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan [gedaagde] te voldoen al hetgeen [gedaagde] aan Dexia ingevolgde de litigieuze overeenkomsten heeft voldaan, vermeerderd met de wettelijke rente daarover telkens vanaf de dag van de betaling door [gedaagde] s aan Dexia, althans een door de rechtbank in goede justitie te bepalen bedrag , tot aan de dag der algehele voldoening;

Dexia zal veroordelen in de kosten van het geding, alsmede in de nakosten;

Op de stellingen en verweren van partijen zal voor zover nodig hierna nader worden ingegaan.

4. 4. Beoordeling van de vorderingen in conventie en in reconventie algemeen4.1. Het gaat in deze zaak om een financieel product dat tussen 1990 en 2003 in Nederland ongeveer één miljoen keer is verkocht, namelijk een effectenleaseovereenkomst. Kenmerk van dit product is, dat de afnemer van het product met geleend geld belegt. Na het instorten van de aandelenmarkt zijn vele afnemers geconfronteerd met restschulden en andere verliezen. In de afgelopen 15 à 20 jaar zijn in Nederland hierover duizenden procedures gevoerd, waarbij Dexia vaak één van de procespartijen was. Door belangenbehartigers van afnemers en vertegenwoordigers van aanbieders van deze producten is, in het kader van de WCAM, een regeling getroffen, die bij beschikking van het Gerechtshof Amsterdam van 25 januari 2007 algemeen verbindend is verklaard. Enkele tienduizenden afnemers hebben deze regeling niet geaccepteerd en tijdig een opt-out-verklaring ingediend, onder wie [gedaagde].

De procedures hebben geleid tot veel jurisprudentie, waaronder verschillende richtinggevende arresten van de Hoge Raad. Deze jurisprudentie is bij de gemachtigden van partijen bekend.Deze jurisprudentie wordt bij de beoordeling van de vorderingen als leidraad genomen. Door partijen zijn geen (althans onvoldoende) bijzondere omstandigheden gesteld die in deze zaak een afwijking daarvan rechtvaardigen.

Toepassing van deze jurisprudentie leidt in het onderhavige geval tot de volgende conclusies:

er is sprake van huurkoop;

er is geen sprake van dwaling, misleidende reclame en/of misbruik van omstandigheden; evenmin is er sprake van (ver)nietig(baar)heid krachtens de Wck;

Dexia heeft haar bijzondere zorgplichten geschonden, in elk geval de waarschuwingsplicht, en daardoor onrechtmatig gehandeld;

[gedaagde] heeft schade geleden, bestaande uit betaalde termijnen en restschuld;

er is voldoende causaal verband aanwezig tussen de hiervoor bedoelde schade en de onrechtmatige daad van Dexia.

de verklaring voor recht en afwachten van ontwikkelingen in de jurisprudentie

Dexia vordert onder meer een verklaring voor recht die ertoe strekt het niet-bestaan van een recht vast te stellen. In haar visie is zij niets meer aan [gedaagde] verschuldigd, na betaling van een in goede justitie vast te stellen bedrag.

[gedaagde] meent nog een vordering op Dexia te hebben vanwege de advisering door een tussenpersoon en de schending van artikel 41 NR 1999 of artikel 25 NR 1995. Verder stelt [gedaagde] dat Dexia nog een vergoeding dient te betalen in verband met in rekening gebrachte resterende termijnen. Ook stelt [gedaagde] dat Dexia een vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten verschuldigd is.

In beginsel is het aan de schuldeiser van een vordering om te bepalen of en op welk moment hij zijn vordering in rechte geldend wil maken. Anderzijds dient het procesrecht er ook toe om bescherming te bieden aan een schuldenaar die jarenlang wordt genoodzaakt rekening te houden met een onduidelijke, mogelijk nog jegens hem geldend te maken vordering. Daartoe is in dit geval de door Dexia gevraagde verklaring voor recht een geëigend middel, gelet op de huidige stand van de jurisprudentie. Voor zover [gedaagde] zich erop beroept dat nog verdere jurisprudentie moet worden afgewacht, wordt zij daarin niet gevolgd.

verjaring

Voor zover Dexia stelt dat een eventuele vordering van [gedaagde] inmiddels is verjaard, wordt dit verweer niet gevolgd. In de jurisprudentie zijn bestendige oordelen te vinden voor wat betreft de stellingen en verweren van partijen die zien op de verjaring. Voor zover in deze zaak geen andere, afwijkende standpunten zijn ingenomen door één van de partijen, wordt op de aan (de gemachtigden van) partijen bekende overwegingen, ook in deze zaak geoordeeld dat er geen reden is om aan te nemen dat de verweren omtrent de verjaring doel treffen.

tussenpersoon

[gedaagde] heeft de overeenkomst met Dexia afgesloten via de tussenpersoon [bedrijf]. Tussen partijen is niet in geschil dat de tussenpersoon niet beschikte over de voor beleggingsadvieswerkzaamheden noodzakelijke vergunning. In de prejudiciële beslissing van 10 juni 2022 heeft de Hoge Raad uitgelegd in welke gevallen Dexia heeft gecontracteerd in strijd met het verbod van artikel 41 NR 1999 (dan wel met het daarmee materieel overeenkomende artikel 25 NR 1995). Daarvan is volgens de Hoge Raad sprake als de afnemer een effectenleaseovereenkomst is aangegaan nadat de daarbij optredende tussenpersoon (zonder te beschikken over de daarvoor benodigde vergunning), tevens – naar Dexia wist of behoorde te weten – als financieel adviseur is opgetreden door advies te geven. Dexia stelt dat het gegeven beleggingsadvies naar het destijds geldende Europese recht niet vergunningplichtig was. In het vonnis van de rechtbank Overijssel van 22 juni 2021 (ECLI:NL:RBOVE:2021:2548), dat heeft geleid tot de hiervoor genoemde prejudiciële beslissing van de Hoge Raad van 10 juni 2022, heeft de rechtbank toegelicht, onder verwijzing naar een arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 15 oktober 2019 (ECLI:NL:GHARL:2019:8462), dat en waarom geen sprake is van strijd met het toepasselijke Europese recht. Er is geen reden om thans anders te oordelen. De Hoge Raad heeft, zoals (de gemachtigden van) partijen bekend is, bepaald dat het moet gaan om een gepersonaliseerde aanbeveling, waarbij een aantal omstandigheden zijn genoemd, die bij de beoordeling daarvan van belang kunnen zijn. Ook indien niet wordt vastgesteld dat die omstandigheden zich voordoen, bestaat de mogelijkheid dat de tussenpersoon toch een gepersonaliseerde aanbeveling heeft gedaan als door de Hoge Raad bedoeld, namelijk een aanbeveling die is voorgesteld als geschikt voor de betrokken afnemer ook als dat onder omstandigheden als een ‘verkooppraatje’ kan worden gekarakteriseerd.

De stelplicht en bewijslast dat de tussenpersoon [gedaagde] heeft geadviseerd en dat Dexia wetenschap had of behoorde te hebben van het feit dat de tussenpersoon [gedaagde], anders dan in algemene zin, een persoonlijk en specifiek op dit product toegesneden advies heeft verstrekt, rusten op [gedaagde] als de partij die zich op de rechtsgevolgen van het onrechtmatig handelen van Dexia beroept. De door [gedaagde] gestelde feiten en omstandigheden dienen voldoende concreet te zijn en zo mogelijk voorzien van onderbouwing. Voor zover Dexia de gestelde feiten en omstandigheden betwist, dient die betwisting eveneens voldoende gemotiveerd te zijn.Bij de beoordeling of de stellingen voldoende concreet en onderbouwd zijn en of het verweer voldoende gemotiveerd is weegt mee dat beide partijen al zeer lange tijd – in elk geval sinds de opt-out door [gedaagde] in 2007 – weten dat over de totstandkoming van de overeenkomst en de afwikkeling daarvan een gerechtelijke procedure gevoerd zal (kunnen) worden, zodat van hen verlangd mag worden de voor hun procespositie relevante informatie en stukken te hebben verzameld en bewaard.

[gedaagde] stelt over de feitelijke gang van zaken het volgende:

‘[gedaagde] is geadviseerd over de onderhavige overeenkomst toen zij bij haar ouders op bezoek was en de adviseur van [bedrijf] daar was. De adviseur was bij haar ouders om met haar vader de verzekeringen door te spreken. [gedaagde] werd betrokken bij het gesprek en haar persoonlijke situatie en doelstelling kwam ter sprake.

[gedaagde] had na een scheiding een nieuwe relatie en woonde met haar nieuwe partner samen. Vanwege de eerdere scheiding wist zij hoe het was er financieel alleen voor komen te staan. [gedaagde] wilde voorkomen weer in zo’n situatie terecht te komen als het onverhoopt mis zou gaan met haar nieuwe relatie. [gedaagde] wilde daarom een financiële buffer opbouwen om een financieel vangnet te hebben. [gedaagde] wilde daarover advies. De adviseur gaf aan haar te kunnen adviseren en een geschikt product voor haar te hebben.

De adviseur adviseerde [gedaagde] om een Profit Effect van Bank Labouchere aan te gaan om daarmee vermogen op te bouwen als financiële buffer. Het Profit Effect was volgens de adviseur een heel mooi product. Het was een zekere manier van beleggen volgens de adviseur. Volgens de adviseur moest [gedaagde] het beschouwen als een manier van sparen, maar dan met een veel beter rendement dan op een normale spaarrekening.

De adviseur liet met behulp van rekenvoorbeelden zien tot welke vermogensopbouw [gedaagde] kon komen na verschillende looptijden. Dat waren zeer rooskleurige bedragen. Er werden louter positieve vooruitzichten voorgehouden. Dat er ook, bij een tegenvallende beurs, een scenario mogelijk was waarbij [gedaagde] al haar ingelegde geld kon verliezen en zelfs een restschuld kon overhouden werd niet duidelijk gemaakt door de adviseur. [gedaagde] was zich van die risico’s niet bewust.

[gedaagde], werkzaal als drogist, was niet thuis in financiële zaken en beleggen en vertrouwde op het advies van de adviseur. De adviseur gaf aan dat [gedaagde] per maand NLG 100,- moest investeren in het Profit Effect om in te kunnen stappen. Dat bedrag was behapbaar voor [gedaagde] en zij ging ermee akkoord. [gedaagde] volgde het advies op. De aanvraag werd in orde gemaakt. De overeenkomst is daarna in goed vertrouwen door [gedaagde] getekend.

Het advies heeft tot financiële achteruitgang geleid. Het ingelegde geld is verloren gegaan. [gedaagde] werd met een restschuld geconfronteerd. De restschuld heeft [gedaagde] betaald.’

[gedaagde] heeft, ter onderbouwing van haar stellingen, gewezen op de volgende stukken die in het geding zijn gebracht:

- een kopie van de overeenkomst van 11 november 1999 met contractnummer 56001274 op naam van [gedaagde], genaamd ‘Profit Effect met maandbetaling, met vermelding ‘Adviseur: ATP00361-[bedrijf] B.V.’;

- een kopie van een uittreksel uit het handelsregister van de KvK van [bedrijf] met als beschrijving van de werkzaamheden “Het ontwikkelen van beleggingsaktiviteiten en het geven van beleggingsadviezen (direkt of indirekt).’’.

Met deze feitelijke uiteenzetting en stukken heeft [gedaagde] voldoende onderbouwd gesteld dat sprake is geweest van vergunningplichtige advisering. Dexia heeft de door [gedaagde] geschetste gang van zaken slechts in algemene termen betwist. Dexia had echter meer concreet moeten maken dat en waarom volgens haar destijds geen sprake is geweest van advisering. Zo had Dexia moeten uiteenzetten op welke wijze de overeenkomst in haar visie tot stand was gekomen. Dexia heeft weliswaar erop gewezen dat zij op geen enkele wijze betrokken is geweest bij het contact tussen [gedaagde] en de adviseur van de tussenpersoon, maar dat kan Dexia niet baten. Voor zover Dexia daardoor in bewijsnood is, komt dat voor haar rekening en risico. Niet alleen had zij zoals hiervoor is overwogen eerder bewijs kunnen verzamelen maar daarbij komt dat Dexia destijds ervan heeft afgezien om eigen voorlichting te geven aan potentiële klanten en gebruik heeft gemaakt van deze tussenpersoon voor de afzet van haar producten. Dit terwijl het voor haar als aan toezicht onderworpen effecteninstelling verboden was om van die tussenpersoon cliënten aan te nemen aan wie adviezen waren verstrekt. Het had op haar weg gelegen om daarop controle uit te oefenen en ervoor te zorgen dat zij wel over concrete informatie beschikte over de totstandkoming van een contract en de daarbij betrokken (medewerker van de) tussenpersoon. Daarom wordt uitgegaan van de juistheid van de door [gedaagde] geschetste gang van zaken nu Dexia deze onvoldoende heeft weersproken. Aan bewijslevering wordt niet toegekomen.

wetenschap Dexia

[gedaagde] stelt dat Dexia wist, althans behoorde te weten, dat de tussenpersoon een op de persoon van [gedaagde] toegesneden beleggingsadvies heeft gegeven. Dexia betwist dit. Uit diverse uitspraken volgt dat Dexia ermee bekend moet zijn geweest dat tussenpersonen op grote schaal individueel persoonlijk financieel advies gaven. Hoewel in dit geval niet is gebleken dat Dexia concrete wetenschap heeft gehad van de advisering van de tussenpersoon aan [gedaagde], had het op de weg van Dexia gelegen om bij de totstandkoming van de overeenkomst met [gedaagde], actief navraag te doen bij de tussenpersoon of de desbetreffende klant de overeenkomst is aangegaan op advies van de tussenpersoon, om te kunnen beoordelen of zij de overeenkomst met [gedaagde] kon en mocht aangaan. Dat Dexia in deze zaak enig concreet hierop gericht onderzoek heeft verricht is gesteld noch gebleken. Zij had derhalve behoren te weten dat [gedaagde] door de tussenpersoon is geadviseerd.

aansprakelijkheid Dexia 4.14. Nu Dexia ondanks het voorgaande toch met [gedaagde] de overeenkomst is aangegaan, heeft zij jegens [gedaagde] onrechtmatig gehandeld. Dit moet Dexia zwaar worden aangerekend. Weliswaar zijn aan [gedaagde] omstandigheden toerekenbaar die tot de schade hebben bijgedragen, maar vanwege de uiteenlopende ernst van de gemaakte fouten, eist de billijkheid in beginsel dat de vergoedingsplicht van Dexia geheel in stand blijft. Weliswaar kunnen er situaties zijn waarin voldoende reden is om een deel van de schade op grond van artikel 6:101 BW voor rekening van de afnemer te doen komen, maar in dit geval zijn dergelijke feiten en omstandigheden niet aanwezig. De schade komt dan ook geheel voor rekening van Dexia.

vorderingen van [gedaagde] 4.15. De door [gedaagde] gevorderde verklaring voor recht zal daarom worden toegewezen, in die zin dat voor recht wordt verklaard dat Dexia onrechtmatig jegens [gedaagde] heeft gehandeld door [gedaagde] als cliënt te accepteren terwijl zij behoorde te weten dat de tussenpersoon [gedaagde] niet alleen als klant aanbracht maar [gedaagde] tevens persoonlijk had geadviseerd en de tussenpersoon geen vergunning daarvoor bezat.

De als gevolg hiervan door [gedaagde] geleden schade kunnen partijen inmiddels berekenen. De voor vergoeding in aanmerking komende schade bestaat uit de door de afnemer betaalde inleg (termijnbetalingen en eventuele aflossingen) en het niet vergoede gedeelte van de (fictieve) restschuld. Daarnaast dient rekening gehouden te worden met te verrekenen genoten voordelen, waaronder daadwerkelijk ontvangen dividenduitkeringen, fiscale voordelen en een eventueel in aanmerking te nemen batig saldo uit voorgaande overeenkomsten. Een en ander volgens het door Dexia overgelegde financiële overzicht waarvan de juistheid door [gedaagde] niet of onvoldoende gemotiveerd is betwist. In het geval reeds eerder een schadevergoeding door Dexia is betaald, geldt ten aanzien van de verrekening daarvan hetgeen is overwogen in de beslissing van de Rechtbank Amsterdam van 25 november 2021 (ECLI:NL:RBAMS:2021:7910). De wettelijke rente is verschuldigd over het door Dexia te restitueren bedrag volgens de uitgangspunten als geformuleerd in HR 1 mei 2015 (ECLI:NL: HR:2015:1198) en HR 3 februari 2017 (ECLI:NL:HR:2017:164, r.o. 3.6.3). [gedaagde] heeft aan de hand van het door Dexia beschikbaar gestelde financiële overzicht in de conclusie van dupliek in conventie/repliek in reconventie de schade berekend op € 4.358,93. Omdat Dexia de berekening van [gedaagde] niet heeft betwist, zal de kantonrechter uitgaan van dit bedrag. Hij tekent daarbij aan dat het (hogere) fiscaal voordeel dat Dexia noemt in de conclusie van dupliek in reconventie afkomstig is uit de bijlage die zij bij dagvaarding heeft overgelegd. Deze bijlage heeft geen betrekking op het dossier van [gedaagde].

Een vergoeding voor buitengerechtelijke kosten is niet aan de orde. Niet gebleken is dat er meer of andere werkzaamheden aan de orde zijn geweest dan die, welke genoemd zijn in het arrest van de Hoge Raad van 12 april 2019, ECLI:NL:HR:2019:590.

Gelet op het voorgaande behoeven de andere door [gedaagde] aangevoerde gronden geen nadere bespreking.

Het verzoek ex artikel 22 Rv van [gedaagde]

verzoekt Dexia op te dragen om een afschrift te verstrekken van het aanvraagformulier. Uit het voorgaande volgt dat [gedaagde] in het gelijk zal worden gesteld. Zij heeft dan ook geen belang meer bij deze stukken in deze procedure, zodat het verzoek zal worden afgewezen.

vorderingen Dexia

Gelet op de beoordeling in reconventie worden de vorderingen van Dexia afgewezen.

proceskosten

Omdat [gedaagde] in reconventie inhoudelijk gelijk krijgt, is Dexia aan te merken als de in het ongelijk te stellen partij. Dexia zal worden veroordeeld in de proceskosten (inclusief nakosten) aan de zijde van [gedaagde] gevallen. Omdat het partijdebat in conventie is samengevallen met het debat in reconventie worden de kosten in conventie tot op heden begroot op nihil. De proceskosten van [gedaagde] worden begroot op:

- salaris gemachtigde € 542,00 (2 x tarief € 271,00)

- nakosten € 135,00

Totaal € 677,00

5. Beslissing

De kantonrechter

in conventie

wijst de vorderingen af,

veroordeelt Dexia in de kosten van de procedure, aan de zijde van [gedaagde] gevallen, tot op heden begroot op nihil.

in reconventie

verklaart voor recht dat Dexia onrechtmatig jegens [gedaagde] heeft gehandeld door [gedaagde] als cliënt te accepteren terwijl zij behoorde te weten dat de tussenpersoon [gedaagde] niet alleen als klant aanbracht maar [gedaagde] tevens persoonlijk had geadviseerd en de tussenpersoon geen vergunning daarvoor bezat,

verklaart voor recht dat [gedaagde] schade heeft geleden als gevolg van het onrechtmatig handelen van Dexia en Dexia gehouden is die schade te vergoeden,

veroordeelt Dexia om aan [gedaagde] te betalen te betalen een bedrag van € 4.358,93, vermeerderd met de wettelijke rente daarover een en ander zoals weergegeven in r.o. 4.16.,

veroordeelt Dexia in de proceskosten van € 677,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe. Als Dexia niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend, dan moet Dexia ook de kosten van betekening betalen,

in conventie en reconventie

verklaart de veroordelingen onder 5.5 en 5.6 uitvoerbaar bij voorraad,

wijst het meer of anders gevorderde af.

Aldus gewezen door mr. M.W. Koenis, kantonrechter, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 26 november 2025 in tegenwoordigheid van de griffier.

Zittende Magistratuur

Rechter

  • mr. M.W. Koenis

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?