vonnis
RECHTBANK NOORD-HOLLAND
Zittingsplaats Zaanstad
Zaaknummer: 11268459 EL 24-10
vonnis van de kantonrechter van 16 oktober 2025
in de zaak van
de besloten vennootschap DEXIA NEDERLAND B.V.,
gevestigd te Amsterdam,
eisende partij in conventie,
verwerende partij in reconventie,
gemachtigde: USG Legal Professionals,
tegen
1. [gedaagde 1]
2. [gedaagde 2]
beiden wonenden te [plaats],
gedaagden in conventie,
eisers in reconventie,
gemachtigde: mr. G. van Dijk, Leaseproces,
Gedaagden in conventie worden hierna gezamenlijk aangeduid als [gedaagden]. Eiseres in conventie wordt hierna aangeduid als Dexia.
1. 1. De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
de dagvaarding van 30 juli 2024;
de conclusie van antwoord in conventie en van eis in reconventie;
de conclusie van repliek in conventie en van antwoord in reconventie;
de conclusie van dupliek in conventie en van repliek in reconventie;
de conclusie van dupliek in reconventie, tevens akte uitlating producties.
Ten slotte is partijen meegedeeld dat vonnis wordt gewezen.
2. De feiten
[gedaagden] heeft de volgende leaseovereenkomsten ondertekend waarop hij als lessee stond vermeld, met als wederpartij (de rechtsvoorgangster van) Dexia:
Nr.
Contractnr.
Datum
Naam overeenkomst
I.
21691632
13-09-2000
Capital Effect Maandbetaling
II.
39285813
03-11-2000
AEX Plus Effect Vooruitbetaling
III.
39285814
03-11-2000
AEX Plus Effect Maandbetaling
IV
39285816
03-11-2000
AEX Plus Effect Vooruitbetaling
V
39287370
04-12-2000
AEX Plus Effect Maandbetaling
Dexia heeft met betrekking tot de overeenkomsten een eindafrekening opgesteld met het volgende resultaat:
Nr.
Datum eindafrekening
Resultaat
Betaald
I.
21691632
- € 878,59
Nee; deels verrekend
II.
39285813
- € 799,57
Nee; deels betaald met opbrengst contract 39285814
III.
39285814
+ € 16,04
Ja; verrekend
IV
39285816
- € 1.144,36
Nee
V
39287370
- € 851,25
Nee
Volgens opgave van Dexia heeft [gedaagden] op grond van de overeenkomsten – al dan niet bij wijze van vooruitbetaling – in totaal een bedrag van € 16.085,23 aan maandtermijnen en een bedrag van € 66,02 wegens restschuld aan Dexia betaald. Volgens die opgave heeft [gedaagden] € 428,96 aan dividenden ontvangen en € 348,39 aan fiscaal voordeel genoten.
De gemachtigde van [gedaagden], Leaseproces, heeft bij brief van 28 december 2005 de nietigheid, vernietiging, dan wel ontbinding van de overeenkomst ingeroepen op grond van misbruik van omstandigheden, wanprestatie, dwaling, onrechtmatige daad en/of misleidende reclame. Tevens wordt het recht voorbehouden daartoe ook andere gronden nog aan te voeren.
Bij brief van 6 juni 2024 heeft Dexia [gedaagden] een kleine coulancevergoeding aangeboden als minnelijke regeling om het geschil tussen partijen af te sluiten. Partijen zijn niet tot afronding van het dossier gekomen.
3. De vordering en het verweer in conventie en in reconventie
Dexia vordert dat de rechtbank bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:
[gedaagden] zal veroordelen tot betaling van een bedrag van € 1.158,57, te vermeerderen met de wettelijke rente,
zal verklaren voor recht dat Dexia met betrekking tot de overeenkomsten 21691632, 39285813, 39285814, 39285816, 39287370 aan al haar verplichtingen heeft voldaan en niets meer aan [gedaagden] verschuldigd is,
[gedaagden] zal veroordelen in de proceskosten.
[gedaagden] voert verweer tegen de vorderingen. Het verweer mondt uit in een tegenvordering waarbij [gedaagden] vordert samengevat dat de kantonrechter bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad:
voor recht zal verklaren dat Dexia onrechtmatig heeft gehandeld jegens [gedaagden] en/of toerekenbaar is tekort geschoten,
Dexia zal veroordelen om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan [gedaagden] te voldoen al hetgeen [gedaagden] aan Dexia ingevolge de litigieuze overeenkomsten heeft voldaan, vermeerderd met de wettelijke rente daarover telkens vanaf de dag van de betaling door [gedaagden] aan Dexia, althans een door de rechtbank in goede justitie te bepalen bedrag en ingangsdatum, tot aan de dag der algehele voldoening;
Dexia zal veroordelen in de proceskosten en de nakosten.
Op de stellingen en verweren van partijen zal voor zover nodig hierna nader worden ingegaan.
4. 4. Beoordeling van de vorderingen in conventie en in reconventie
algemeen 4.1. Het gaat in deze zaak om een financieel product dat tussen 1990 en 2003 in Nederland ongeveer één miljoen keer is verkocht, namelijk een effectenleaseovereenkomst. Kenmerk van dit product is, dat de afnemer van het product met geleend geld belegt. Na het instorten van de aandelenmarkt zijn vele afnemers geconfronteerd met restschulden en andere verliezen. In de afgelopen 15 à 20 jaar zijn in Nederland hierover duizenden procedures gevoerd, waarbij Dexia vaak één van de procespartijen was. Door belangenbehartigers van afnemers en vertegenwoordigers van aanbieders van deze producten is, in het kader van de WCAM, een regeling getroffen, die bij beschikking van het Gerechtshof Amsterdam van 25 januari 2007 algemeen verbindend is verklaard. Enkele tienduizenden afnemers hebben deze regeling niet geaccepteerd en tijdig een opt-out-verklaring ingediend, onder wie [gedaagden]
De procedures hebben geleid tot veel jurisprudentie, waaronder verschillende richtinggevende arresten van de Hoge Raad. Deze jurisprudentie is bij de gemachtigden van partijen bekend.Deze jurisprudentie wordt bij de beoordeling van de vorderingen als leidraad genomen. Door partijen zijn geen (althans onvoldoende) bijzondere omstandigheden gesteld die in deze zaak een afwijking daarvan rechtvaardigen.
Toepassing van deze jurisprudentie leidt in het onderhavige geval tot de volgende conclusies:
er is sprake van huurkoop;
er is geen sprake van dwaling, misleidende reclame en/of misbruik van omstandigheden; evenmin is er sprake van (ver)nietig(baar)heid krachtens de Wck;
Dexia heeft haar bijzondere zorgplichten geschonden, in elk geval de waarschuwingsplicht, en daardoor onrechtmatig gehandeld;
[gedaagden] heeft schade geleden, bestaande uit betaalde termijnen en restschuld;
er is voldoende causaal verband aanwezig tussen de hiervoor bedoelde schade en de onrechtmatige daad van Dexia.
de verklaring voor recht en afwachten van ontwikkelingen in de jurisprudentie
Dexia vordert onder meer een verklaring voor recht die ertoe strekt het niet-bestaan van een recht vast te stellen. In haar visie is zij niets meer aan [gedaagden] verschuldigd.
[gedaagden] meent nog een vordering op Dexia te hebben vanwege de advisering door een tussenpersoon en de schending van artikel 41 NR 1999 of artikel 25 NR 1995.
In beginsel is het aan de schuldeiser van een vordering om te bepalen of en op welk moment hij zijn vordering in rechte geldend wil maken. Anderzijds dient het procesrecht er ook toe om bescherming te bieden aan een schuldenaar die jarenlang wordt genoodzaakt rekening te houden met een onduidelijke, mogelijk nog jegens hem geldend te maken vordering. Daartoe is in dit geval de door Dexia gevraagde verklaring voor recht een geëigend middel, gelet op de huidige stand van de jurisprudentie. Voor zover [gedaagden] zich erop beroept dat nog verdere jurisprudentie moet worden afgewacht, wordt zij daarin niet gevolgd.
verjaring
Voor zover Dexia stelt dat een eventuele vordering van [gedaagden] inmiddels is verjaard, wordt dit verweer niet gevolgd. In de jurisprudentie zijn bestendige oordelen te vinden voor wat betreft de stellingen en verweren van partijen die zien op de verjaring. Voor zover in deze zaak geen andere, afwijkende standpunten zijn ingenomen door één van de partijen, wordt op de aan (de gemachtigden van) partijen bekende overwegingen, ook in deze zaak geoordeeld dat er geen reden is om aan te nemen dat de verweren omtrent de verjaring doel treffen.
tussenpersoon
[gedaagden] heeft de overeenkomsten met Dexia afgesloten via de tussenpersonen [bedrijf 1] en [bedrijf 2]. Tussen partijen is niet in geschil dat de tussenpersonen niet beschikte over de voor beleggingsadvieswerkzaamheden noodzakelijke vergunning. In de prejudiciële beslissing van 10 juni 2022 heeft de Hoge Raad uitgelegd in welke gevallen Dexia heeft gecontracteerd in strijd met het verbod van artikel 41 NR 1999 (dan wel met het daarmee materieel overeenkomende artikel 25 NR 1995). Daarvan is volgens de Hoge Raad sprake als de afnemer een effectenleaseovereenkomst is aangegaan nadat de daarbij optredende tussenpersoon (zonder te beschikken over de daarvoor benodigde vergunning), tevens – naar Dexia wist of behoorde te weten – als financieel adviseur is opgetreden door advies te geven. Dexia stelt dat het gegeven beleggingsadvies naar het destijds geldende Europese recht niet vergunningplichtig was. In het vonnis van de rechtbank Overijssel van 22 juni 2021 (ECLI:NL:RBOVE:2021:2548), dat heeft geleid tot de hiervoor genoemde prejudiciële beslissing van de Hoge Raad van 10 juni 2022, heeft de rechtbank toegelicht, onder verwijzing naar een arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 15 oktober 2019 (ECLI:NL:GHARL:2019:8462), dat en waarom geen sprake is van strijd met het toepasselijke Europese recht. Er is geen reden om thans anders te oordelen. De Hoge Raad heeft, zoals (de gemachtigden van) partijen bekend is, bepaald dat het moet gaan om een gepersonaliseerde aanbeveling, waarbij een aantal omstandigheden zijn genoemd, die bij de beoordeling daarvan van belang kunnen zijn. Ook indien niet wordt vastgesteld dat die omstandigheden zich voordoen, bestaat de mogelijkheid dat de tussenpersoon toch een gepersonaliseerde aanbeveling heeft gedaan als door de Hoge Raad bedoeld, namelijk een aanbeveling die is voorgesteld als geschikt voor de betrokken afnemer ook als dat onder omstandigheden als een ‘verkooppraatje’ kan worden gekarakteriseerd.
De stelplicht en bewijslast dat de tussenpersonen [gedaagden] heeft geadviseerd en dat Dexia wetenschap had of behoorde te hebben van het feit dat de tussenpersonen [gedaagden], anders dan in algemene zin, een persoonlijk en specifiek op dit product toegesneden advies hebben verstrekt, rusten op [gedaagden] als de partij die zich op de rechtsgevolgen van het onrechtmatig handelen van Dexia beroept. De door [gedaagden] gestelde feiten en omstandigheden dienen voldoende concreet te zijn en zo mogelijk voorzien van onderbouwing. Voor zover Dexia de gestelde feiten en omstandigheden betwist, dient die betwisting eveneens voldoende gemotiveerd te zijn.Bij de beoordeling of de stellingen voldoende concreet en onderbouwd zijn en of het verweer voldoende gemotiveerd is weegt mee dat beide partijen al zeer lange tijd – in elk geval sinds de opt-out door [gedaagden] in 2007 – weten dat over de totstandkoming van de overeenkomsten en de afwikkeling daarvan een gerechtelijke procedure gevoerd zal (kunnen) worden, zodat van hen verlangd mag worden de voor hun procespositie relevante informatie en stukken te hebben verzameld en bewaard.
[gedaagden] stelt over de feitelijke gang van zaken het volgende:
“Totstandkoming Capital Effect overeenkomst (overeenkomstnummer: 21691632)
Tijdens het huisbezoek, waar alleen [gedaagde 2] bij aanwezig was, hebben de adviseurs geïnformeerd naar de wensen en de financiële situatie van [gedaagde 2]. Zo is met de adviseurs afgesproken over het inkomen, het spaargeld en de gezinssituatie van [gedaagde 2]. [gedaagden] had op dat moment een thuiswonende dochter. Daarnaast is met de adviseurs gesproken over de wens van [gedaagden] om een financiële voorziening te vormen voor de studiekosten van zijn dochter. De adviseurs gaven aan dat het mogelijk was om dit doel te bereiken en dat zij hier een geschikt product voor wisten.
De adviseurs adviseerden [gedaagde 2] om een Capital Effect product van Bank Labouchere af te sluiten. Op Basis van de inkomensgegevens van [gedaagde 2] adviseerden de adviseurs om een Capital Effect overeenkomst met maandelijkse inleg van NLG 100,- af te sluiten. Volgens de adviseurs zou [gedaagde 2] op deze wijze aanzienlijk vermogen opbouwen, waardoor [gedaagde 2] na vijf jaar een mooie opbrengst uit de overeenkomst zou genieten. Deze opbrengst zou dienen als financiële voorziening voor de studiekosten van haar dochter.
De aanvraag voor de Capital Effect overeenkomst is door de adviseurs in orde gemaakt en de uiteindelijke overeenkomst is bij het volgende huisbezoek meegebracht door de adviseurs en daarbij ondertekend door [gedaagde 2]. [gedaagde 2] heeft een Capital Effect overeenkomst met maandelijkse inleg van NLG 98,37 afgesloten van Bank Labouchere.
Totstandkoming AEX Plus Effect overeenkomsten 39285816, 39285814 en 39285813
Later dat jaar is [gedaagden] in contact gekomen met adviseurs van [bedrijf 2] (hierna te noemen: ‘adviseurs’). Er hebben meerdere huisbezoeken plaatsgevonden.
Tijdens het huisbezoek, waar [gedaagden] aanwezig was, hebben de adviseurs geïnformeerd naar de wensen en de financiële situatie van [gedaagden] Hierbij zijn de financiële mogelijkheden van [gedaagden] besproken. Daarbij kwam ter sprake dat [gedaagden] een geldlening had afgesloten ter financiering van de nieuwe keuken. Van deze geldlening was na aanschaf en plaatsing van de keuken nog enig bedrag over. In het gesprek met de adviseurs werd de wens van [gedaagden] besproken om de openstaande geldlening versneld af te kunnen lossen. De adviseurs gaven aan dat het mogelijk was om dit doel te bereiken en dat zij hier een geschikt plan voor hadden. Dit advies was tweeledig.
De adviseurs adviseerden [gedaagden] ten eerste om twee AEX Plus Effect overeenkomsten met een totale vooruitbetaling van ongeveer NLG 12.000,- van Bank Labouchere af te sluiten. [gedaagden] kon het overgebleven bedrag uit de geldlening aanwenden voor de vooruitbetaling van de AEX Plus Effect overeenkomsten. Ten tweede adviseerden de adviseurs om een AEX Plus Effect overeenkomst van Bank Labouchere af te sluiten met een maandelijkse inleg van NLG 100,-. Volgens de adviseurs zou [gedaagden] op deze wijze aanzienlijk vermogen opbouwen, waardoor [gedaagden] de openstaande geldlening versneld af kon lossen.
De aanvraag voor de AEX Plus Effect overeenkomsten is door de adviseurs in orde gemaakt en de uiteindelijke overeenkomsten zijn bij het volgende huisbezoek meegebracht door de adviseurs en daarbij ondertekend door [gedaagden] heeft twee AEX Plus Effect overeenkomsten met een totale vooruitbetaling van NLG 12.000,52 en één AEX Plus Effect overeenkomst met een maandelijkse inleg van NLG 100,- afgesloten van Bank Labouchere.
Totstandkoming AEX Plus Effect overeenkomst 39287370
Tijdens het volgende huisbezoek, waar [gedaagden] aanwezig was, zijn de bovenstaande AEX Plus Effect overeenkomsten ondertekend. Daarnaast is met de adviseurs gesproken over de aanvullende wens van [gedaagden] om een financiële voorziening te vormen ter aanvulling van zijn pensioen. De adviseurs gaven aan dat het mogelijk was om dit doel te bereiken en dat zij hier een geschikt product voor wisten.
De adviseurs adviseerden [gedaagden] om nogmaals een AEX Plus Effect overeenkomst van Bank Labouchere af te sluiten. Op basis van de inkomensgegevens van [gedaagden] adviseerden de adviseurs om de AEX Plus Effect overeenkomst af te sluiten met een maandelijkse inleg van ongeveer NLG 150,-. Volgens de adviseurs zou [gedaagden] op deze wijze aanzienlijk vermogen opbouwen, waardoor [gedaagden] een voorziening kon vormen ter aanvulling van zijn pensioen.
De aanvraag voor de AEX Plus Effect overeenkomst is door de adviseurs in orde gemaakt en de uiteindelijke overeenkomst is op een later moment ondertekend. [gedaagden] heeft een AEX Plus Effect overeenkomst met een maandelijkse inleg van NLG 150,01 afgesloten van Bank Labouchere.
De adviseurs hebben [gedaagden] nooit geïnformeerd over de specifieke risico’s. Zo hebben zij er niet op gewezen dat met geleend geld werd belegd en dat bij tegenvallende koersontwikkelingen, de inleg geheel verloren kon gaan en er bovendien een schuld kon ontstaan uit hoofde van de effectenleaseovereenkomsten. Als [gedaagden] op deze risico’s gewezen was had hij de overeenkomsten nooit afgesloten.
[gedaagden] had geen ervaring met beleggen of kennis van complexe financiële producten en vertrouwde daarom volledig op de deskundigheid van de adviseurs en hun adviezen. Om deze reden heeft [gedaagden] de adviezen van de adviseurs opgevolgd.”
[gedaagden] heeft, ter onderbouwing van zijn stellingen, gewezen op de volgende stukken die in het geding zijn gebracht:- kopieën van de op 8 september 2000 en 29 november 2000 te Purmerend ondertekende aanvraagformulieren op naam van [gedaagden] voor de uiteindelijke gesloten overeenkomsten, waarop op een van de twee aanvraagformulieren het logo van de tussenpersoon ([bedrijf 2]) is voorgedrukt, respectievelijk ATP-nummers 1018 en 863 zijn ingevuld en bij ‘naam adviseur’ respectievelijk“[betrokkene 1]” en “[betrokkene 2]” zijn genoteerd;
- kopieën van de overeenkomsten AEX Plus Effect Vooruitbetaling en Maandbetaling van 3 november 2000 op naam van [gedaagden] met contractnummers 39285816, 39285813, 39285814 en 39287370 voorzien van de tekst “Adviseur: ATP00863- [bedrijf 2]” en bij twee van de vier overeenkomsten bij ‘adv naam’ “[betrokkene 2]” is genoteerd;
- een kopie van de overeenkomst Capital Effect Maandbetaling van 13 september 2000 op naam van [gedaagden] met contractnummer 21691632 en voorzien van de tekst “Adviseur: ATP01018- [bedrijf 1]”;
- een brief van [bedrijf 1] van 14 juli 2000 gericht aan [gedaagden], voorzien van het logo van [bedrijf 1], betreffende een korte uitleg over de inhoud van de brochure, waarin de voordelen van aandelen leasen uiteen worden gezet. Daarnaast wordt in de brief vermeld dat het risico van aandelen leasen zeer gering is
- een kopie van een uittreksel van de KvK van [bedrijf 1] met als beschrijving van de werkzaamheden ‘Financiële dienstverlening en het bemiddelen bij het verstrekken van kredieten’;
- een schermafdruk van de toenmalige website van de tussenpersoon, waarop – onder andere te lezen is:
“Welkom bij [bedrijf 1]
De activiteiten van [bedrijf 1] bestaan uit het adviseren in financiële zaken zoals verzekeren, hypotheken, pensioenen, financieringen, sparen, beleggen en vermogensbeheer.
Uw wensen staan bij ons centraal. Daarom durven wij te zeggen dat wij maatwerk-adviezen leveren, die specifiek op uw situatie zijn gebaseerd.
(…)
De financiële adviseurs van [bedrijf 1] hebben er hun vak van gemaakt om klanten te helpen bij het opzetten, uitwerken en invullen van een persoonlijk financieel plan.
Zoekt u een helder antwoord op uw vragen of wilt u een totaal advies voor een transparant en passend financieel geheel dan bent u bij ons aan het juiste adres.
(…)’’
-een schermafdruk van de toenmalige website van de tussenpersoon, waarop – onder andere - te lezen is:
“[bedrijf 2] is gespecialiseerd in het adviseren van goed renderende financiële producten die naadloos aansluiten bij uw persoonlijke situatie en wensen.”
en
“Een gesprek met een adviseur van [bedrijf 2] gaat niet zozeer over geld als wel over u. Want wat hij namelijk beoogt (…) is op een verhelderende manier uw positie op financiële schaal in te tekenen.
(…)
“Neem bijvoorbeeld het pensioen, uw pensioen. (…) In het gesprek zal onze adviseur u laten zien dat er vandaag de dag veel meer en veel profijtelijker wegen zijn die naar Rome leiden.”
Met deze feitelijke uiteenzetting en stukken heeft [gedaagden] voldoende onderbouwd gesteld dat sprake is geweest van vergunningplichtige advisering. Dexia heeft de door [gedaagden] geschetste gang van zaken slechts in algemene termen betwist. Dexia had echter meer concreet moeten maken dat en waarom volgens haar destijds geen sprake is geweest van advisering. Zo had Dexia moeten uiteenzetten op welke wijze de overeenkomsten in haar visie tot stand waren gekomen. Dexia heeft weliswaar erop gewezen dat zij op geen enkele wijze betrokken is geweest bij het contact tussen [gedaagden] en de adviseurs van de tussenpersonen, maar dat kan Dexia niet baten. Voor zover Dexia daardoor in bewijsnood is, komt dat voor haar rekening en risico. Niet alleen had zij zoals hiervoor is overwogen eerder bewijs kunnen verzamelen maar daarbij komt dat Dexia destijds ervan heeft afgezien om eigen voorlichting te geven aan potentiële klanten en gebruik heeft gemaakt van deze tussenpersonen voor de afzet van haar producten. Dit terwijl het voor haar als aan toezicht onderworpen effecteninstelling verboden was om van die tussenpersonen cliënten aan te nemen aan wie adviezen waren verstrekt. Het had op haar weg gelegen om daarop controle uit te oefenen en ervoor te zorgen dat zij wel over concrete informatie beschikte over de totstandkoming van een contract en de daarbij betrokken (medewerkers van de) tussenpersonen. Daarom wordt uitgegaan van de juistheid van de door [gedaagden] geschetste gang van zaken nu Dexia deze onvoldoende heeft weersproken. Aan bewijslevering wordt niet toegekomen.
wetenschap Dexia
[gedaagden] c.s stelt dat Dexia wist, althans behoorde te weten, dat de tussenpersoon een op de persoon van [gedaagden] toegesneden beleggingsadvies heeft gegeven. Dexia betwist dit. Uit diverse uitspraken volgt dat Dexia ermee bekend moet zijn geweest dat tussenpersonen op grote schaal individueel persoonlijk financieel advies gaven. Hoewel in dit geval niet is gebleken dat Dexia concrete wetenschap heeft gehad van de advisering van de tussenpersonen aan [gedaagden], had het op de weg van Dexia gelegen om bij de totstandkoming van de overeenkomst met [gedaagden], actief navraag te doen bij de tussenpersonen of de desbetreffende klant de overeenkomst is aangegaan op advies van de tussenpersoon, om te kunnen beoordelen of zij de overeenkomst met [gedaagden] kon en mocht aangaan. Dat Dexia in deze zaak enig concreet hierop gericht onderzoek heeft verricht is gesteld noch gebleken. Zij had derhalve behoren te weten dat [gedaagden] door de tussenpersonen is geadviseerd.
Dit geldt temeer nu [gedaagden] genoegzaam heeft aangetoond dat de tussenpersoon zich in haar algemene naar buiten toe gerichte publicaties profileerde als persoonlijk adviseur op maat.
aansprakelijkheid Dexia 4.14. Nu Dexia ondanks het voorgaande toch met [gedaagden] de overeenkomsten is aangegaan, heeft zij jegens [gedaagden] onrechtmatig gehandeld. Dit moet Dexia zwaar worden aangerekend. Weliswaar zijn aan [gedaagden] omstandigheden toerekenbaar die tot de schade hebben bijgedragen, maar vanwege de uiteenlopende ernst van de gemaakte fouten, eist de billijkheid in beginsel dat de vergoedingsplicht van Dexia geheel in stand blijft. Weliswaar kunnen er situaties zijn waarin voldoende reden is om een deel van de schade op grond van artikel 6:101 BW voor rekening van de afnemer te doen komen, maar in dit geval zijn dergelijke feiten en omstandigheden niet aanwezig. De schade komt dan ook geheel voor rekening van Dexia.
vorderingen van [gedaagden] 4.15. De door [gedaagden] gevorderde verklaring voor recht zal daarom worden toegewezen, in die zin dat voor recht wordt verklaard dat Dexia onrechtmatig jegens [gedaagden] heeft gehandeld door [gedaagden] als cliënt te accepteren terwijl zij behoorde te weten dat de tussenpersoon [gedaagden] niet alleen als klant aanbracht maar [gedaagden] tevens persoonlijk had geadviseerd en de tussenpersoon geen vergunning daarvoor bezat.
De als gevolg hiervan door [gedaagden] geleden schade kunnen partijen inmiddels berekenen. De voor vergoeding in aanmerking komende schade bestaat uit de door de afnemer betaalde inleg (termijnbetalingen en eventuele aflossingen) en het niet vergoede gedeelte van de (fictieve) restschuld. Daarnaast dient rekening gehouden te worden met te verrekenen genoten voordelen, waaronder daadwerkelijk ontvangen dividenduitkeringen, fiscale voordelen en een eventueel in aanmerking te nemen batig saldo uit voorgaande overeenkomsten. Een en ander volgens het door Dexia overgelegde financiële overzicht waarvan de juistheid door [gedaagden] niet of onvoldoende gemotiveerd is betwist. In het geval reeds eerder een schadevergoeding door Dexia is betaald, geldt ten aanzien van de verrekening daarvan hetgeen is overwogen in de beslissing van de Rechtbank Amsterdam van 25 november 2021 (ECLI:NL:RBAMS:2021:7910). De wettelijke rente is verschuldigd over het door Dexia te restitueren bedrag volgens de uitgangspunten als geformuleerd in HR 1 mei 2015 (ECLI:NL: HR:2015:1198) en HR 3 februari 2017 (ECLI:NL:HR:2017:164, r.o. 3.6.3).
[gedaagden] heeft in zijn conclusie van dupliek in conventie/conclusie van repliek in reconventie een schadeberekening gemaakt, waarbij hij enerzijds het verrekende dividend als betaalde restschuld heeft opgevoerd en anderzijds uitsluitend de daadwerkelijk ontvangen dividenden (exclusief de verrekende dividenden) als genoten voordeel heeft afgetrokken. Met Dexia is de kantonrechter van oordeel dat deze berekening onjuist is. Het bedrag aan betaalde restschuld is namelijk geen daadwerkelijk betaling van [gedaagden], maar een verrekening met (een deel van) het dividend. De juiste berekening is om het verrekende dividend als betaalde restschuld op te voeren en het totáál aan genoten dividend – dus het ontvangen dividend plus het verrekende dividend – als genoten voordeel af te trekken. Omdat hierbij het verrekende dividend en het tot hetzelfde bedrag ontvangen dividend tegen elkaar weggestreept kan worden, is de manier die Dexia hanteert in de conclusie van dupliek in reconventie ook juist; namelijk om alleen het daadwerkelijk ontvangen dividend als genoten voordeel af te trekken.
Een vergoeding voor buitengerechtelijke kosten is niet aan de orde. Niet gebleken is dat er meer of andere werkzaamheden aan de orde zijn geweest dan die, welke genoemd zijn in het arrest van de Hoge Raad van 12 april 2019, ECLI:NL:HR:2019:590.
Gelet op het voorgaande behoeven de andere door [gedaagden] aangevoerde gronden geen nadere bespreking.
[gedaagden] heeft nog verzocht Dexia op grond van artikel 22 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering te bevelen om afschriften te verstrekken van de aanvraagformulieren. Uit het voorgaande volgt dat [gedaagden] in het gelijk zal worden gesteld. Hij heeft dan ook geen belang meer bij deze stukken in deze procedure.
vorderingen Dexia
Gelet op de beoordeling in reconventie worden de vorderingen van Dexia afgewezen.
proceskosten
Omdat [gedaagden] in reconventie inhoudelijk gelijk krijgt, is Dexia aan te merken als de in het ongelijk te stellen partij. Dexia zal worden veroordeeld in de proceskosten (inclusief nakosten) aan de zijde van [gedaagden] gevallen. Omdat het partijdebat in conventie is samengevallen met het debat in reconventie worden de kosten in conventie tot op heden begroot op nihil. De proceskosten van [gedaagden] worden begroot op:
- salaris gemachtigde € 542,00 (2 x tarief € 271,00)
- nakosten € 135,00
Totaal € 677,00
5. Beslissing
De kantonrechter
in conventie
wijst de vorderingen af,
veroordeelt Dexia in de kosten van de procedure, aan de zijde van [gedaagden] gevallen, tot op heden begroot op nihil.
in reconventie
verklaart voor recht dat Dexia onrechtmatig jegens [gedaagden] heeft gehandeld door [gedaagden] als cliënt te accepteren terwijl zij behoorde te weten dat de tussenpersonen [gedaagden] niet alleen als klant aanbrachten maar [gedaagden] tevens persoonlijk hadden geadviseerd en de tussenpersonen geen vergunning daarvoor bezaten,
veroordeelt Dexia om aan [gedaagden] te betalen een bedrag van € 15.307,89, vermeerderd met de wettelijke rente daarover een en ander zoals weergegeven in r.o. 4.16,
veroordeelt Dexia in de proceskosten van € 677,00 te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe. Als Dexia niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend, dan moet Dexia ook de kosten van betekening betalen,
verklaart de veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad,
wijst het meer of anders gevorderde af,
Aldus gewezen door mr. M.W. Koenis, kantonrechter, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 16 oktober 2025 in tegenwoordigheid van de griffier.