RECHTBANK NOORD-HOLLAND
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 18 december 2025 in de zaak tussen
[eiseres] , uit [plaats] , eiseres
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Alkmaar
Zittingsplaats Alkmaar
Bestuursrecht
zaaknummer: HAA 25/2646
en
gemachtigde: L. Dekker, ambtenaar in dienst van de gemeente.
Procesverloop
Eiseres heeft op 27 januari 2025 een verzoek gedaan bij het college op grond van de Wet open overheid (Woo), dat luidt:
“Ik wil graag weten hoe vaak de gemeente particulieren en ondernemers gesommeerd heeft om asbest te (laten) verwijderen in de periode januari 2020 tot en met december 2024.
In hoeveel gevallen werd er een dwangsom opgelegd?
Indien er een dwangsom was opgelegd, hoe hoog was deze dwangsom dan?
In hoeveel gevallen werd er een aanvullend bodemonderzoek gevraagd door de gemeente?
Wat was de reden of wettelijk kader om aanvullend bodemonderzoek te eisen?
Ik wil deze gegevens ontvangen binnen de wettelijke termijn van vier weken.”
Bij primair besluit van 21 februari 2025 heeft het college het Woo-verzoek afgewezen omdat geen documenten (anders dan al bij eiseres bekend) zijn aangetroffen die de opgevraagde informatie bevatten. Het college voert voorts aan dat het in het kader van een Woo-verzoek niet gehouden is een overzicht te maken van gegevens, zoals het de aanvraag heeft opgevat. Hier heeft eiseres bezwaar tegen gemaakt.
Bij het bestreden besluit van 24 april 2025 heeft het college de afwijzing van het Woo-verzoek in stand gelaten. Hier heeft eiseres beroep tegen ingesteld.
Het college heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
De rechtbank heeft het beroep op 18 december 2025 op zitting behandeld. Hieraan heeft de gemachtigde van het college deelgenomen. Eiseres heeft zich vlak voor de zitting (telefonisch) afgemeld.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.
De gronden van de beslissing
1. Het college heeft het Woo-verzoek, zoals het dat heeft opgevat, afgewezen omdat de gegevens waar eiseres om heeft gevraagd niet in bestaande documenten zijn neergelegd. Het college houdt, zo voert het aan, namelijk niet aantallen van gevallen bij, waarin een verplichting tot asbestsanering is opgelegd. Ook de overige informatie, waarnaar eiseres volgens het college heeft gevraagd, is niet vastgelegd in een bestaand document. Het verzoek was duidelijk en gaf geen ruimte voor interpretatie, zo stelt het college.
2. De rechtbank neemt in aanmerking dat gelet op de beroepsgronden van eiseres het verzoek ook anders kon zijn bedoeld en zij niet slechts heeft bedoeld te verzoeken om openbaarmaking van een lijst met hoe vaak is gesommeerd tot asbestverwijdering. Zij kan bijvoorbeeld ook hebben bedoeld te verzoeken om openbaarmaking van lasten onder dwangsom tot asbestverwijdering dan wel gevallen waarin het college aanvullend bodemonderzoek vanwege (mogelijke) asbestvervuiling heeft opgelegd. Omdat eiseres niet ter zitting is verschenen, heeft de rechtbank daarover echter geen uitsluitsel kunnen verkrijgen.
3. De rechtbank heeft op de zitting van de gemachtigde van het college echter vernomen dat eiseres na het bestreden besluit nieuwe Woo-verzoeken heeft gedaan waarin zij expliciet heeft verzocht om openbaarmaking van documenten waarin wordt gesommeerd om asbest te verwijderen. Het college heeft verklaard dat bij besluiten van 23 mei 2025 en 16 juli 2025 het college drie lasten onder dwangsom en bijlagen uit de gevraagde periode openbaar heeft gemaakt die zien op asbestsanering. Een daarbij ook gedaan nieuw Woo-verzoek van eiseres naar gevallen waarin aanvullend bodemonderzoek naar asbest is gelast, heeft het college, aldus de gemachtigde, op 31 juli 2025 afgewezen vanwege het ontbreken van dergelijke documenten.
4. Aangezien eiseres met die nieuwe Woo-verzoeken inhoudelijk reeds heeft bereikt wat zij mogelijk wenste te bereiken met onderhavig Woo-verzoek, heeft zij geen procesbelang meer bij een uitspraak over het in onderhavige procedure bestreden besluit. Ook anderszins is niet gebleken van procesbelang, nu eiseres haar beroep niet heeft toegelicht op de zitting.
5. Omdat eiseres geen procesbelang meer heeft, moet de rechtbank haar beroep alsnog niet-ontvankelijk verklaren. Aan een verdere inhoudelijke beoordeling van het beroep komt de rechtbank daarom niet toe. Er is geen grond voor een proceskostenveroordeling.
6. Partijen zijn gewezen op de mogelijkheid om tegen de mondelinge uitspraak in hoger beroep te gaan op de hieronder omschreven wijze.
De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 18 december 2025 door mr. R.H.M. Bruin, rechter, in aanwezigheid van mr. I.A. Bakker, griffier.
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan in hoger beroep bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.