RECHTBANK NOORD-HOLLAND
[verzoeker] , uit [plaats] , verzoeker
Zittingsplaats Haarlem
Bestuursrecht
zaaknummer: HAA 25/4773
proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de voorzieningenrechter van 9 december 2025 op het verzoek om voorlopige voorziening in de zaak tussen
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Haarlemmermeer, het college
gemachtigde: mr. J. Aznag, ambtenaar ten stadhuize.
Als derde-partijen nemen aan de zaak deel: [vergunninghouder 1] en [vergunninghouder 2] uit [plaats] (vergunninghouders)
gemachtigde: A. de Leeuw, werkzaam bij DAS rechtsbijstand.
Inleiding en procesverloop
Op 27 augustus 2025 heeft het college omgevingsvergunningen verleend voor het plaatsen van een dakopbouw op de bestaande garage op hun perceel aan de [adres] in [plaats] : een vergunning voor de omgevingsplanactiviteit “bouwwerken” (artikel 5.1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Omgevingswet en artikel 22.26 van het Omgevingsplan van de gemeente Haarlemmermeer) en een vergunning voor een bouwactiviteit (artikel 5.1, tweede lid, aanhef en onder a, van de Omgevingswet).
Verzoeker is achterbuurman van de vergunninghouders en is het niet eens met deze omgevingsvergunningen en heeft hiertegen bezwaar gemaakt. Hangende het bezwaar heeft verzoeker de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.
De voorzieningenrechter heeft dit verzoek op 9 december 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: verzoeker, de gemachtigde van het college en de vergunninghouders bijgestaan door hun gemachtigde.
Na afloop van de zitting heeft de voorzieningenrechter onmiddellijk uitspraak gedaan.
Beslissing
De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.
Beoordeling door de voorzieningenrechter
1. De voorzieningenrechter treft op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) alleen een voorlopige voorziening als onverwijlde spoed dat vereist. Daarbij beziet de voorzieningenrechter of verzoeker gebaat is bij het treffen van een voorziening. Ook weegt de voorzieningenrechter mee wat de kans van slagen van het bezwaar is.
2. Uit de foto’s die verzoeker bij zijn bezwaarschrift had gevoegd, blijkt dat de dakopbouw toen, bij het indienen van het bezwaar en dus ook bij indienen van de voorlopige voorziening, al voor een groot deel gerealiseerd was in die zin dat de opbouw al wind- en waterdicht was. Vergunninghouders en het college hebben dit op zitting ook bevestigd. Verzoeker heeft niet kunnen toelichten waarom hij er nu belang bij heeft om een voorlopige voorziening te treffen waaruit zou volgen dat de bouw van de dakopbouw zou moeten worden stopgezet totdat is beslist op zijn bezwaar. Schorsing van het besluit zou immers geen ander gevolg hebben en zou niet leiden tot het meteen moeten afbreken van hetgeen is gerealiseerd. De voorzieningenrechter is daarom van oordeel dat verzoeker bij het nu schorsen van het bestreden besluit geen spoedeisend belang heeft, omdat daarmee de feitelijke situatie niet kan veranderen. Dat neemt op zich niet weg dat de vergunninghouders in beginsel op eigen risico hebben gehandeld, omdat de vergunningen nog niet onherroepelijk zijn. De voorzieningenrechter merkt daar nog bij op, dat de stelling van verzoeker dat hij eerder al had laten weten het niet eens te zijn met de dakopbouw, nu geen grond is alsnog tot schorsing over te gaan.
3. Voorts heeft verzoeker niet aannemelijk gemaakt, en dus niet onderbouwd, waarom er getwijfeld moet worden aan de rechtmatigheid van de verleende omgevingsvergunningen. De gronden die verzoeker heeft aangevoerd zijn gebaseerd op stellingen over zijn recht op privacy en uitzicht. Die stellingen kunnen echter niet afdoen aan het standpunt van het college dat het bouwplan voldoet aan de eisen van het geldende omgevingsplan (en het daarvan deel uitmakende bestemmingsplan Hoofddorp woongebieden en Buitenkaag). De volgens het omgevingsplan maximale toegestane bouwhoogte op de garage wordt, zo is immers niet in geschil, niet overschreden met de dakopbouw. Dit betekent dat er geen grond is voor het college om de verzochte omgevingsvergunningen, en met name de omgevingsvergunning voor de omgevingsplanactiviteit “bouwwerken”, te weigeren. Omdat er geen strijd is met het omgevingsplan is het college ook niet gehouden een belangenafweging te maken waarin het beroep van verzoeker op privacy en uitzicht wordt betrokken. Het belang van verzoeker bij privacy en vrijwaring van inkijk in zijn woning vanaf de dakopbouw, kan dus geen reden vormen om de omgevingsvergunningen te weigeren. Het bezwaar heeft daarom naar het voorlopige oordeel van de voorzieningenrechter ook geen grote kans van slagen. Ook daarin is dus geen aanleiding gelegen om een voorziening te treffen.
Conclusie en gevolgen
4. De voorzieningenrechter wijst het verzoek daarom af. Dit betekent dat het bestreden besluit niet wordt geschorst en vergunninghouders vooralsnog met vergunningen hebben gebouwd, ook al zijn die nog niet onherroepelijk. Voor vergoeding van het griffierecht of een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
5. De voorzieningenrechter heeft partijen erop gewezen dat tegen deze uitspraak geen rechtsmiddel openstaat, zoals hieronder ook vermeld, maar dat op het bezwaar uiteraard nog moet worden beslist.
Deze uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 9 december 2025 door mr. R.H.M. Bruin, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. L.J. Besseling, griffier.
Een afschrift van dit proces-verbaal is verzonden aan partijen op: