RECHTBANK NOORD-HOLLAND
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 19 juni 2025 in de zaak tussen
[eiser] , uit [plaats] , eiser
Samenvatting
Bestuursrecht
zaaknummer: HAA 24/3000
(gemachtigden: mr. G.J. Mulder en mr. M.J.K. Rosman),
en
de raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen, verweerder
(gemachtigde: mr. D. Brandt).
1. Deze uitspraak gaat over de invordering van € 1.345,37 te veel ontvangen uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA). Eiser is het daarmee niet eens. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank of verweerder tot invordering mocht overgaan.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat verweerder terecht tot invordering is overgegaan. De rechtbank stelt vast dat tegen de terugvordering geen bezwaar is gemaakt zodat die in rechte is vast komen te staan. Aan de behandeling van de gronden gericht tegen de terugvordering komt de rechtbank daarom niet toe. De rechtbank is van oordeel dat verweerder niet van invordering hoefde af te zien. Eiser krijgt dus geen gelijk en het beroep is dus ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
2. Met het bestreden besluit van 13 maart 2024 – om € 1.345,37 in te vorderen – op het bezwaar van eiser is verweerder bij het besluit van 14 augustus 2023 gebleven.
Verweerder heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
De rechtbank heeft het beroep op 12 november 2024 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigden van eiser en de gemachtigde van verweerder.
Na de behandeling op zitting heeft de rechtbank aanleiding gezien het onderzoek te heropenen. Met de heropeningsbeslissing van 23 december 2024 (de heropeningsbeslissing) heeft de rechtbank verweerder in de gelegenheid gesteld om binnen vier weken na verzending van de heropeningsbeslissing toe te lichten hoe het bedrag van de invordering is opgebouwd en eventuele eerdere brieven daarover aan eiser aan de gedingstukken toe te voegen.
Verweerder heeft op 7 januari 2025 van die gelegenheid gebruik gemaakt. Eiser heeft op 3 februari 2025 schriftelijk gereageerd.
Eiser heeft, na daartoe in de gelegenheid te zijn gesteld, aangegeven geen prijs te stellen op een nadere behandeling ter zitting. Verweerder heeft niet gereageerd, zodat de rechtbank ervanuit gaat dat hij geen prijs stelt op een nadere behandeling ter zitting.
Totstandkoming van het besluit
3. In de heropeningsbeslissing heeft de rechtbank, kort gezegd, vastgesteld dat eiser in de periode 4 juli 2019 tot en met 31 oktober 2019 ten onrechte € 3.831,82 bruto WIA-uitkering heeft ontvangen. In dezelfde periode had eiser recht op een uitkering op grond van de Werkloosheidswet (WW) van € 2.551,30 bruto. Met het besluit van 29 november 2019 heeft verweerder deze uitkeringen met elkaar verrekend. Eiser moest derhalve € 1.280,52 bruto terugbetalen. Met de brief van 10 december 2019 heeft verweerder eiser € 1.191,60 netto bij eiser ingevorderd. Op 27 januari 2020 heeft verweerder eiser een aanmaning gezonden, waaruit volgt dat eiser op dat moment het brutobedrag van de terugvordering was verschuldigd, vermeerderd met € 16,00 aanmaningskosten, in totaal € 1.296,52.
Uit de toelichting en de nadere stukken van verweerder naar aanleiding van de heropeningsbeslissing volgt dat verweerder eiser op 15 augustus 2022 een dwangbevel heeft gestuurd. In dat dwangbevel is opgesomd dat eiser de hoofdsom van € 1.280,52 bruto is verschuldigd, vermeerderd met € 16,00 aanmaningskosten zoals volgt uit de brief van 27 januari 2020 en vermeerderd met de wettelijke rente tot 15 augustus 2022 van € 48,85, zodat de totale vordering op dat moment € 1.345,37 bedroeg.
Op 21 juni 2023 heeft verweerder eiser per brief laten weten dat zijn afloscapaciteit op dat moment nihil was en dat het verschuldigde bedrag op dat moment € 1.345,37 bedroeg.
Met de brief van 14 augustus 2023 heeft verweerder eiser te kennen gegeven dat hij het bedrag van € 1.345,37 in één keer moet terugbetalen. Over dit besluit gaat het in beroep.
Beoordeling door de rechtbank
Zijn de aanvullende stukken te laat ingediend?
4. Eiser voert aan dat verweerder te laat stukken heeft ingediend en verzoekt deze stukken niet toe te laten tot de procedure. De brief van 15 augustus 2022 die verweerder na de heropeningsbeslissing in het geding heeft gebracht, had al veel eerder aan het dossier kunnen worden toegevoegd. Juist omdat het een belastend besluit betreft, moet verweerder een zorgvuldig besluit nemen en ervoor zorgen dat het dossier compleet is.
De rechtbank wijst dit verzoek af. In de heropeningsbeslissing heeft de rechtbank overwogen dat de precieze opbouw van het invorderingsbedrag de rechtbank niet duidelijk was. Die duidelijkheid is van belang, omdat het gaat om het bedrag dat eiser volgens verweerder zou moeten terugbetalen. Met de heropeningsbeslissing is verweerder in de gelegenheid gesteld aanvullende stukken en een toelichting in het geding te brengen, van welke gelegenheid verweerder gebruik heeft gemaakt. Eiser heeft gelegenheid gehad en gebruik gemaakt van de mogelijkheid daarop schriftelijk te reageren. Op die manier heeft eiser zich nog kunnen uitlaten over de stukken die eerder niet aan het dossier waren toegevoegd. Eiser is dus niet in zijn procesbelang geschaad. Met de aanvullende stukken van verweerder is de rechtbank duidelijk geworden op welke wijze het invorderingsbedrag tot stand is gekomen. Deze stukken ontbraken eerder aan het dossier, maar dat maakt niet dat de besluitvorming onzorgvuldig is geweest. De rechtbank heeft geen aanleiding eraan te twijfelen dat het dwangbevel van 15 augustus 2022 destijds aan eiser is verzonden, ook al kan eiser zich, zoals hij stelt, het lezen van die brief niet herinneren. Daarvoor heeft eiser onvoldoende gesteld. De rechtbank betrekt de stukken daarom in de beoordeling.
Kloppen de aanmaningskosten en wettelijke rente?
5. Eiser voert aan dat ook na de nadere toelichting van verweerder nog steeds onduidelijk blijft hoe het invorderingsbedrag is opgebouwd. Het is eiser onduidelijk waarom € 16,00 aanmaningskosten in rekening worden gebracht en hoe de rente over het invorderingsbedrag is berekend.
De rechtbank stelt vast dat deze beroepsgronden niet eerder zijn aangevoerd. De goede procesorde verzet zich er naar het oordeel van de rechtbank tegen om deze beroepsgronden in de beoordeling te betrekken. Verweerder heeft namelijk niet op deze beroepsgronden kunnen reageren. Daar komt bij dat de nieuwe beroepsgronden betrekking hebben op de wettelijk rente zoals vastgesteld in het besluit van 15 augustus 2022. Dat besluit ligt in deze procedure niet aan de rechtbank voor. Met betrekking tot de aanmaningskosten uit de brief van 15 augustus 2022 is niet de bestuursrechter, maar de civiele rechter bevoegd over de juistheid daarvan te oordelen. De rechtbank laat deze beroepsgronden daarom onbesproken.
Moet ook naar het besluit tot terugvordering worden gekeken?
6. Eiser voert aan dat de terugvordering en de invordering onlosmakelijk met elkaar zijn verbonden. Het standpunt van verweerder dat eiser geen bezwaar heeft gemaakt tegen de terugvordering, zodat deze in rechte vaststaat, is uiterst formalistisch, aldus eiser. Een redelijke benadering zou zijn dat met bezwaar tegen de invordering ook wordt gekeken naar de juistheid van de terugvordering. Eiser stelt daarnaast dat verweerder geen duidelijk onderscheid maakt tussen terugvordering en invordering in de besluiten. Eiser wijst op de tendens in de jurisprudentie dat burgers sneller ontvankelijk zijn in hun bezwaren en voert aan dat daarom ook naar het terugvorderingsbesluit had moeten worden gekeken. Eiser heeft op 12 december 2019 gebeld met verweerder en dit had wellicht als bezwaar moeten worden aangemerkt, zo voert eiser aan. Eiser had bovendien geen juridische bijstand voor het besluit tot terugvordering. Tot slot wijst eiser erop dat verweerder lang over de besluitvorming heeft gedaan, waardoor eiser ervan uitging dat de kwestie was afgerond.
Bij de beoordeling van de rechtbank heeft als uitgangspunt te gelden dat bezwaar schriftelijk moet worden gemaakt, zo volgt uit artikel 6:4, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). De wet bepaalt daarnaast in artikel 4:125, tweede lid, van de Awb dat als bezwaar is gemaakt of beroep is ingesteld tegen een besluit waarin een geldschuld is vastgesteld, dan bezwaar of beroep mede betrekking heeft op een bijkomende beschikking van hetzelfde bestuursorgaan.
Tussen partijen staat vast dat eiser tegen het terugvorderingsbesluit van 29 november 2019 geen schriftelijk bezwaar heeft gemaakt. De rechtbank is van oordeel dat het telefonisch contact dat eiser met verweerder heeft gehad op 12 december 2019 evenmin kan worden aangemerkt als bezwaar tegen het terugvorderingsbesluit, omdat dat niet voldoet aan de vereisten die de wet aan bezwaar stelt. Als eiser in dat telefoongesprek bedenkingen tegen het besluit van 29 november 2019 heeft geuit, dan zijn die bezwaren niet op schrift gesteld, zoals artikel 6:4, eerste lid, van de Awb vereist. Dat eiser in die periode nog niet werd bijgestaan door een gemachtigde, zoals eiser naar voren brengt, verandert het oordeel van de rechtbank niet. Eiser heeft op 13 november 2019 zonder juridische bijstand bezwaar gemaakt tegen de afwijzing van zijn WIA-uitkering. Daaruit volgt dat eiser in staat was ook zonder hulp op de juiste wijze bezwaar te maken tegen een besluit.
De rechtbank is daarnaast van oordeel dat verweerder terecht onderscheid heeft gemaakt tussen bezwaargronden gericht tegen de terugvordering en bezwaargronden gericht tegen de invordering. Het terugvorderingsbesluit van 29 november 2019 is door het verstrijken van de bezwaartermijn in rechte komen vast te staan. Dat betekent dat het besluit niet meer kan worden aangevochten. De wet en jurisprudentie bieden geen aanknopingspunten voor de stelling van eiser dat bij bezwaar tegen de invordering ook de achterliggende terugvordering tegen het licht moet worden gehouden. De wet bepaalt weliswaar uitdrukkelijk dat bezwaar gemaakt tegen een beschikking waarin een geldschuld wordt vastgelegd, zich ook richt tegen de bijkomende beschikking van bijvoorbeeld de verrekening of de invordering. Maar voor de omgekeerde conclusie, zoals eiser die voorstaat, is geen grondslag. Ook de stelling dat verweerder lang over de besluitvorming heeft gedaan, maakt het oordeel van de rechtbank niet anders. Verweerder heeft ter zitting toegelicht te hebben gewacht met verdere invordering totdat duidelijkheid bestond over het resultaat van de bezwaarprocedure naar aanleiding van de afwijzing van de WIA-aanvraag. Daarmee is verweerder tegemoetgekomen aan de belangen van eiser. De beroepsgrond slaagt daarom niet.
Moest verweerder van invordering afzien?
7. Eiser voert aan dat verweerder van invordering moet afzien. Eiser doet een beroep op het vertrouwensbeginsel. Hij wijst op het persbericht van 30 augustus 2021 waarin is aangekondigd dat vanaf 1 januari 2020 verstrekte WIA-voorschotten niet meer zouden worden teruggevorderd. Eiser doet ook een beroep op het gelijkheidsbeginsel. Eiser valt net buiten de boot van de regeling in het persbericht, maar de grenzen zijn arbitrair. Daarnaast kon eiser er niets aan doen dat de WIA-keuring lange tijd op zich heeft laten wachten, zo brengt eiser naar voren. Nu het hier gaat om een belastend besluit, moet verweerder grotere terughoudendheid en zorgvuldigheid betrachten jegens eiser. Strikte toepassing van het beleid leidt tot een evidente onredelijkheid. Het gaat om een relatief klein bedrag, maar de beslissing leidt tot veel stress bij eiser, die al sinds het stopzetten van de uitkering van een bijstandsuitkering leeft. Eiser doet ook een beroep op dringende redenen om van invordering af te zien.
De rechtbank overweegt als volgt. In artikel 76, eerste lid, sub c, van de Wet WIA is bepaald dat verweerder een beschikking waarbij een uitkering ten onrechte of tot een te hoog bedrag is vastgesteld, moet herzien. Het bedrag dat daardoor teveel is betaald, wordt teruggevorderd zo volgt uit artikel 77, eerste lid van de Wet WIA, tenzij dringende redenen bestaan om geheel of gedeeltelijk van terugvordering af te zien. Dat staat in artikel 77, zesde lid van de Wet WIA. In recente jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep is geoordeeld dat een bestuursorgaan dient na te gaan of terugvordering evenredig is, gelet op de gevolgen die dat heeft voor betrokkene en de oorzaak van de noodzaak tot terugvordering.
De rechtbank is van oordeel dat eiser geen beroep toekomt op het vertrouwensbeginsel en gelijkheidsbeginsel. De verwijzing van eiser naar het persbericht van 30 augustus 2021 is daarvoor onvoldoende. In dit persbericht wordt uiteengezet dat ontvangers van een WIA-voorschot op of na 1 januari 2020 dat voorschot niet meer hoeven terug te betalen omdat zij als gevolg van een tekort aan verzekeringsartsen en de coronamaatregelen lang op een beoordeling door verweerder hebben moeten wachten. De WIA-uitkering van eiser is al vóór 1 januari 2020, namelijk per 31 oktober 2019, beëindigd. Het beleid van verweerder is dus niet op eiser van toepassing, zodat hij aan dit persbericht ook geen vertrouwen kan hebben ontleend. Een beroep op het gelijkheidsbeginsel slaagt evenmin, nu eiser niet nader heeft toegelicht waarom de beleidskeuze van verweerder om een bepaalde ingangsdatum te kiezen zou leiden tot ongelijke behandeling van gelijke gevallen.
De rechtbank is daarnaast van oordeel dat verweerder niet hoeft af te zien van invordering op grond van dringende redenen. De vraag of dringende redenen zich voordoen speelt een rol bij de vraag of van terugvordering moet worden afgezien. Die vraag ligt echter niet aan de rechtbank voor, nu eiser bezwaar heeft gemaakt en beroep heeft ingesteld tegen de invordering. Voor een bredere toepassing van de dringende redenen-jurisprudentie zoals eiser voorstaat, bieden de wet en de jurisprudentie geen grondslag. In de wet is immers in artikel 77, zesde lid, van de Wet WIA bepaald dat verweerder van terugvordering af kan zien in verband met dringende redenen. Een vergelijkbaar artikel bestaat niet voor de invordering. Ook in de genoemde jurisprudentie van de CRvB is onderscheid gemaakt tussen terugvordering en invordering. Ten aanzien van de invordering is overwogen dat een afbetalingsregeling moet worden getroffen die recht doet aan de financiële omstandigheden en aflossingscapaciteit van eiser, waarbij eiser de bescherming van de beslagvrije voet geniet. Uit het feit dat eiser op dit moment niet aflost, volgt dat met zijn aflossingscapaciteit voldoende rekening wordt gehouden. Verweerder heeft daarom terecht niet afgezien van invordering.
Moet verweerder de vordering kwijtschelden?
8. Eiser voert aan dat de vordering uit het primaire besluit is ontstaan op 29 november 2019, zodat inmiddels vijf jaar is verstreken. Eiser wil graag een definitief einde aan deze kwestie en wil geen apart verzoek om kwijtschelding doen. Eiser verzoekt daarom verweerder onder toepassing van artikel 77 van de Wet WIA te gelasten af te zien van verdere invordering.
De rechtbank overweegt als volgt. Uit artikel 77, derde lid, aanhef en onder c, van de Wet WIA volgt dat verweerder van terugvordering kan afzien als eiser gedurende vijf jaar geen betalingen heeft verricht en ook niet aannemelijk is dat eiser op enig moment betalingen zal gaan verrichten. Uit dit artikel volgt dat het aan verweerder is om te beslissen of wordt afgezien van terugvordering, waarbij een inschatting moet worden gemaakt over de aannemelijkheid van terugbetaling in de toekomst. Deze bevoegdheid komt de rechtbank niet toe. Het verzoek om verweerder te gelasten af te zien van verdere invordering wijst de rechtbank daarom af.
Conclusie en gevolgen
9. Uit het voorgaande volgt dat het beroep ongegrond is. Dat betekent dat eiser de teveel ontvangen WIA-uitkering moet terugbetalen. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.
Beslissing
De rechtbank:
Deze uitspraak is gedaan door mr. L.M. Mons, rechter, in aanwezigheid van mr. J.H. Bosveld, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 19 juni 2025.
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak en de tussenuitspraak/tussenuitspraken, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak en de tussenuitspraak/tussenuitspraken. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.