RECHTBANK NOORD-HOLLAND
Samenvatting
Zittingsplaats Haarlem
Bestuursrecht
zaaknummers: HAA 25/4999 (voorlopige voorziening) en 25/5000 (beroep)
uitspraak van de voorzieningenrechter van 24 december 2025 op het beroep en het verzoek om voorlopige voorziening in de zaak tussen
allen uit [plaats] , eisers
gemachtigde: mr. C. Ravesteijn, advocaat te Amsterdam,
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Haarlemmermeer, het college
gemachtigde: mr. V. van Toledo, zzp-er.
Deze uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening gaat over de lasten onder dwangsom die het college aan eisers heeft opgelegd waarbij hen is gelast het gebruik van gronden als tuin te staken. Eisers zijn het niet eens met deze lasten onder dwangsom, in de eerste plaats omdat zij vinden dat zij eigenaar zijn geworden van de desbetreffende stukken grond.
Omdat de voorzieningenrechter na afloop van de zitting tot de conclusie is gekomen dat nader onderzoek niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak beslist hij meteen op het beroep van eisers. Omdat de voorzieningenrechter uitspraak doet op het beroep, wijst hij het verzoek om een voorlopige voorziening af.
De voorzieningenrechter komt in deze uitspraak tot het oordeel dat [eiser 3] niet langer in staat is de last uit te voeren omdat hij sinds 16 juli 2024 geen eigenaar meer is van het perceel aan de [adres] . Als gevolg hiervan kan aan hem geen last onder dwangsom meer worden opgelegd. Voor wat betreft de andere eisers is sprake van een overtreding omdat het gebruik als tuin en de bebouwing van de desbetreffende stukken grond in strijd is met het omgevingsplan (waar het oude bestemmingsplan onderdeel van is geworden). Dit betekent dat het college in beginsel handhavend kan optreden. Het standpunt van eisers dat zij door verjaring eigenaar zijn geworden van de desbetreffende stukken grond is niet relevant voor de vraag of het college kan handhaven wegens strijd met het omgevingsplan.
De voorzieningenrechter is dus van oordeel dat [eiser 3] gelijk krijgt, de andere eisers niet. Het beroep van [eiser 3] is dus gegrond. Het beroep van de anderen niet. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. De voorzieningenrechter doet ook nog een suggestie voor een andere oplossing van het geschil.
Feiten en procesverloop
2. [eiser 3] was, tot 16 juli 2025, en de andere eisers zijn appartementseigenaaar van respectievelijk de appartementen op de begane grond van een appartementencomplex met de adressen [adres] , [huisnummer 1] , [huisnummer 2] en [huisnummer 3] in [plaats] . Deel van hun appartement(srecht) bestaat uit een tuin. Rechtsvoorgangers van eisers hebben aan de achterzijde van de tuinen een deel van de achter hun tuinen gelegen grond die in eigendom toebehoort (of toebehoorde) aan de gemeente Haarlemmermeer, over de gehele breedte van elke tuin bij de verschillende tuinen getrokken (hierna: litigieuze gronden). De bij de tuin getrokken grond varieert in diepte van 3,75 tot 7,75 m. Behoudens de tuin van nr. [huisnummer 3] die 15,20 m breed is, zijn de tuinen 8,0 m breed. Eisers (of hun rechtsvoorgangers) hebben om hun tuin, inclusief de bij de tuin getrokken grond, schuttingen (met poort) geplaatst. De bij de tuin getrokken stukken grond zijn (deels) bestraat en deels beplant. Op nummer [huisnummer 1] is op dat stuk grond (ook) een bouwwerk geplaatst.
3. Volgens het van het Omgevingsplan van de gemeente Haarlemmermeer onderdeel uitmakende bestemmingsplan Badhoevedorp Lijnden-Oost is de bestemming van de litigieuze gronden: ‘Groen’.
4. Op 19 juli, 26 juli en 13 september 2024 hebben toezichthouders van de gemeente controles uitgevoerd op de percelen van eisers aan de [adres] , [huisnummer 1] , [huisnummer 2] en [huisnummer 3] in [plaats] . Hierbij is het hiervoor beschreven gebruik van de gronden bij de percelen van eisers geconstateerd.
Op 1 danwel 15 november 2024 heeft het college aan eisers het voornemen geuit om aan ieder van hen een last onder dwangsom op te leggen. De aangekondigde last zou gaan inhouden dat eisers de omheiningen, bijgebouw(en), terreinverharding en tuinmeubels op de litigieuze gronden moesten verwijderen en de litigieuze gronden in de oorspronkelijke staat terugbrengen.
Op 22 november 2024 hebben eisers gezamenlijk een zienswijze ingediend. Op 11 december 2024 hebben ze hun zienswijze aangevuld.
Op 27 mei 2025 heeft het college de lasten onder dwangsom aan eisers opgelegd. De dwangsommen zijn verschillend naar gelang de door het college onderscheiden overtredingen en omvang daarvan.
Op 3 juli 2025 hebben eisers gezamenlijk een bezwaarschrift ingediend.
De begunstigingstermijn heeft het college op 7 juli 2025 verlengd tot 6 weken na de beslissing op het bezwaar.
Met één besluit van 17 oktober 2025 (het bestreden besluit) heeft het college op de bezwaren van eisers beslist. Het college is bij de aan eisers opgelegde lasten onder dwangsom gebleven.
Eisers hebben hiertegen beroep ingesteld en de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen.
Het college heeft op het verzoek om een voorlopige voorziening gereageerd met een verweerschrift.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 9 december 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: [eiser 2] , de gemachtigde van eisers en de gemachtigde van het college.
Ter zitting heeft het college bevestigd dat het niet tot executie van de last onder dwangsom overgaat voordat op het verzoek om voorlopige voorziening is beslist.
5. Omdat de voorzieningenrechter na afloop van de zitting tot de conclusie is gekomen dat nader onderzoek niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak, beslist hij ook op het beroep van eisers.
Beoordeling door de voorzieningenrechter
Het bestreden besluit: standpunt van het college
6. Het college stelt zich op het standpunt dat sprake is van een overtreding omdat het gebruik en de bebouwing van de litigieuze stukken grond in strijd is met het Omgevingsplan van de gemeente Haarlemmermeer (hierna: het omgevingsplan), waarvan de regels uit het (oude) bestemmingsplan ‘ Badhoevedorp Lijnden-Oost’ deel van uitmaken (bij de verwijzing naar die regels zal de voorzieningenrechter verwijzen naar: het bestemmingsplan). Volgens het bestemmingsplan geldt op de betreffende stukken grond de bestemming ‘Groen’. Volgens het college is het niet toegestaan deze gronden te gebruiken ten behoeve van een tuin. Verder is de desbetreffende strook volgens het college aan te merken als een openbare plaats waardoor het op grond van artikel 6.1 van de Verordening fysiek domein Haarlemmermeer 2024 niet is toegestaan om deze gronden te gebruiken op een wijze die niet overeenkomt met de publieke functie ervan. Het gebruik van de strook als tuin is volgens het college niet in overeenstemming met de publieke functie. De vraag of verzoekers door verjaring of op een andere manier eigenaar zijn geworden van de gronden, doet volgens het college niet af aan de bestemming. Het college zit daarin geen reden om af te zien van handhaving. Er is volgens het college ook geen concreet zicht op legalisatie omdat de gemeente als eigenaar daar niet aan wil meewerken. Tot slot acht het college de last en de dwangsommen evenredig en voldoende duidelijk.
Toetsingskader
Bestemmingsplan ‘ Badhoevedorp Lijnden-Oost’
7. Volgens artikel 18.1 van het bestemmingsplan zijn de voor ‘Groen’ aangewezen gronden bestemd voor:
a. groenvoorzieningen;
b. ter plaatse van de aanduiding ‘ontsluiting’ tevens voor een verkeersontsluiting;
c. ter plaatse van de aanduiding ‘parkeerterrein’ tevens voor een parkeerterrein;
d. ter plaatse van de aanduiding ‘specifieke vorm van groen – water’ uitsluitend voor een (hoofd)watergang;
met daaraan ondergeschikt:
e. wandel- en fietspaden;
f. speelvoorzieningen;
g. bergbezinkbassins;
h. water en waterhuishoudkundige voorzieningen;
i. in -en uitritten ten behoeve van aangrenzende bestemmingen;
met daarbij behorend(e):
j. kunstwerken;
k. kunstobjecten;
l. nutsvoorzieningen.
Volgens artikel 18.2.1 onder het kopje “Bouwregels” gelden voor het bouwen van gebouwen de volgende bepalingen:
a. gebouwen dienen binnen een bouwvlak te worden gebouwd, met uitzondering van bergbezinkbassins en gebouwen ten behoeve van speelvoorzieningen;
b. ter plaatse van de aanduiding 'maximale bouwhoogte (m)' is de aangegeven maximale bouwhoogte toegestaan;
c. de hoogte van gebouwen ten behoeve van speelvoorzieningen mag niet meer zijn dan 4 meter;
d. de oppervlakte van gebouwen ten behoeve van speelvoorzieningen mag niet meer zijn dan 10 m²;
e. de diepte van bergbezinkbassins mag niet meer zijn dan 4 meter.
Volgens artikel 18.2.2 gelden voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, de volgende bepalingen:
a. de hoogte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, mag niet meer zijn dan 8 meter.
Verordening fysiek domein Haarlemmermeer 2024
8. Volgens artikel 6.1, eerste lid, van die verordening is het verboden zonder vergunning een openbare plaats anders te gebruiken dan overeenkomstig de publieke functie daarvan.
Het beroep van eiser [eiser 3] : kan de aan hem opgelegde last worden gehandhaafd nu hij inmiddels is verhuisd?
9. [eiser 3] heeft aangevoerd dat hij sinds 4 juni 2025 (koopovereenkomst), althans 16 juli 2025 (levering), geen eigenaar meer is van het appartement met tuin aan de [adres] waardoor het college hem geen last onder dwangsom meer kan opleggen.
Deze grond slaagt. Een last onder dwangsom kan uitsluitend worden opgelegd aan de overtreder die het in zijn macht heeft - dat wil zeggen in staat is - de last uit te (doen) voeren. Sedert het moment dat [eiser 3] niet langer eigenaar is van het perceel kan hij ook niet meer voldoen aan een last ten aanzien van een overtreding op dat perceel. Het college stelt zich in het bestreden besluit wel terecht op het standpunt dat [eiser 3] op het moment van het opleggen van de last nog eigenaar was en als overtreder kon worden aangemerkt. Volgens artikel 7:11 van de Algemene wet bestuursrecht dient in de bezwaarfase echter een volledige heroverweging plaatsvinden. Als de omstandigheden in de tussentijd zijn veranderd, kan dit het college nopen om terug te komen van een aanvankelijk terecht genomen besluit, omdat betrokkene geen overtreder meer is. In dit geval leidt het feit dat eiser ten tijde van het bestreden besluit niet langer eigenaar was van het perceel waarop de last onder dwangsom ziet, ertoe dat hij niet langer als overtreder kan worden aangemerkt. Nu niet is gesteld of gebleken dat de last is overgegaan op de opvolgend appartementseigenaar, kan de last niet in stand blijven. Ten overvloede merkt de voorzieningenrechter nog op, dat [eiser 3] vòòr de verkoop en levering ook geen dwangsom heeft kunnen verbeuren, omdat de begunstigingstermijn ten tijde van de levering nog niet was verstreken. Het bezwaar had daarom gegrond moeten worden verklaard en de last moeten worden herroepen. Op dit punt komt het bestreden besluit dus in aanmerking voor vernietiging.
Kan het gepretendeerde eigendom van de litigieuze gronden aan oplegging van de lasten in de weg staan?
10. Eisers voeren – kort samengevat – aan dat zij door verjaring eigenaar zijn geworden van de desbetreffende stukken grond die bij de percelen aan de [adres] , [huisnummer 1] , [huisnummer 2] en [huisnummer 3] zijn getrokken. Volgens eisers zijn deze stukken gronden namelijk al sinds 1977 in gebruik als tuin bij hun percelen.
Deze grond slaagt niet. De rechtbank stelt ten eerste vast dat de vraag of eisers de gronden in strijd met het omgevingsplan (zonder de daarvoor vereiste omgevingsvergunning) gebruiken en bebouwd hebben, niet beïnvloed wordt door de vraag wie eigenaar is van de litigieuze gronden, omdat de bestemmingsregels algemeen geldende regels zijn, waarvan de invulling niet verschilt naar gelang van de eigendom. De voorzieningenrechter merkt daarbij – in wezen ten overvloede – op dat de vraag of eisers eigenaar zijn (geworden) van de bij hen in gebruik zijnde litigieuze gronden achter hun percelen niet door de bestuursrechter kan worden beantwoord. Dit is een civielrechtelijke aangelegenheid die uitsluitend door de civiele rechter in een civiele procedure kan worden beoordeeld.
Is er sprake van een overtreding?
11. Tussen partijen is niet in geschil dat op de litigieuze stukken gronden de bestemming ‘Groen’ rust. Volgens artikel 18.1 van het bestemmingsplan ‘ Badhoevedorp Lijnden-Oost’ zijn deze gronden aangewezen voor groenvoorzieningen, met daaraan ondergeschikt wandel- en fietspaden, speelvoorzieningen, bergbezinkbassins, water en waterhuishoudkundige voorzieningen en in- en uitritten ten behoeve van aangrenzende bestemmingen. Anders dan eisers niet nader gemotiveerd aanvoeren, stelt het college terecht dat het gebruik van de litigieuze gronden als privétuin bij hun appartementen in strijd is met deze bestemming. Hoewel in een tuin ook “groenvoorzieningen” en “verhardingen voor fiets- en wandelpaden” kunnen worden aangebracht, is evident dat met de bestemming groenvoorziening – min of meer voor publiek toegankelijke – parkachtig gebruik van grond wordt bedoeld en niet een door een schutting omheinde privétuin met verhard terras en eventueel een tuinhuis. Daarom is sprake van met het bestemmingsplan strijdig gebruik (en bebouwing).
Beroep op overgangsrecht uit het bestemmingsplan?
12. Ook stellen eisers dat, voor zover al sprake is van strijdig gebruik, op grond van het overgangsrecht in artikel 48.2 van het bestemmingsplan, niet handhavend mag worden opgetreden. Die grond gaat niet op, reeds omdat eisers, op wie de bewijslast ligt, niet hebben gesteld, laat staan onderbouwd, dat ten tijde van de inbezitneming het gebruik als tuin op grond van het toenmalige bestemmingsplan was toegestaan.
Optreden tegen overtreding?
13. Uit hetgeen hiervoor is overwogen, volgt dat sprake is van een overtreding van het omgevingsplan. Het college kan dus in beginsel handhavend optreden. In de voorgeschiedenis hoefde het college geen aanleiding te zien van oplegging van de lasten af te zien. Eisers hebben ook overigens geen gronden aangevoerd, die meebrengen dat van handhaving of oplegging van de lasten in deze vorm moest worden afgezien. Hoe ver de overtreding precies strekt, te weten tot de litigieuze gronden, is voldoende duidelijk.
14. Aan een bespreking van de (beroepsgronden gericht tegen de) gestelde overtreding van artikel 6.1 van de Verordening fysiek domein Haarlemmermeer 2024, wat daar ook van zij, komt de voorzieningenrechter niet toe.
Conclusie en gevolgen
15. Het beroep van [eiser 3] is gegrond. De voorzieningenrechter vernietigt daarom het bestreden besluit voor zover het bezwaar van [eiser 3] ongegrond is verklaard. De aan hem opgelegde last kan niet in stand blijven. De voorzieningenrechter neemt met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder b, van de Algemene wet bestuursrecht nu zelf een beslissing en bepaalt dat het bezwaar van [eiser 3] gegrond is en de last onder dwangsom die aan hem is opgelegd, wordt herroepen.
16. Het beroep van de andere eisers is ongegrond. De aan hen opgelegde lasten blijven dus in stand en de begunstigingstermijn is in beginsel verstreken. Het is wel redelijk dat het college nog een redelijke nadere termijn voor nakoming van de last stelt.
17. Omdat op het beroep wordt beslist, worden het verzoek om voorlopige voorziening afgewezen.
18. De voorzieningenrechter merkt nog wel op, zoals ter zitting al is geconstateerd, dat er een redelijker oplossing van het geschil tussen partijen voorhanden lijkt. Het college heeft immers ter zitting bevestigd dat het zeer wel bereid is de eigendom van de litigieuze gronden aan eisers te laten en de gebruiksbepalingen in het omgevingsplan voor de litigieuze gronden aan die wijziging aan te passen. Het college stuurt dus niet aan op blijvend gebruik van de litigieuze gronden – als gemeente-eigendom – als (openbaar) groen. In dat licht kunnen vraagtekens geplaatst worden bij de geoorloofdheid van de inzet van het publiekrechtelijke handhavingsinstrumentarium. Het college heeft daar echter wel terecht tegenover gesteld dat eisers nog geen toereikende stappen hebben gezet om het geschil via (overgang van) eigendom en aanpassing van het omgevingsplan correct op te lossen. Verjaring is niet zomaar aan de orde en een redelijke vergoeding voor de gronden is – zelfs als een beroep op verjaring zou kunnen slagen - realistisch, waarbij zowel oog dient te zijn voor de waarde van publiek groen als het relatief beperkte voordeel voor eisers, dat er natuurlijk wel is, bij het verkrijgen van grond. Het kan daarbij een rol spelen dat de vereniging van eigenaren niet bereid is gebleken de litigieuze gronden voor het collectief te willen verwerven, zodat sprake zal zijn van eigendom van losse kleinere stukjes grond met daardoor wellicht een beperktere waarde. De gebruiksmogelijkheden kunnen planologisch ook nog worden beperkt. De reeds verschuldigde dwangsommen kunnen voorts in de onderhandeling worden betrokken. Die oplossing vergt van beide kanten wel coöperatieve medewerking en een realistische en redelijke opstelling.
19. Omdat het beroep van [eiser 3] gegrond is, moet het college het griffierecht voor het verzoek en het beroep vergoeden en is ook een vergoeding van zijn proceskosten op zijn plaats. Aangezien eisers gezamenlijk hebben geprocedeerd, komt die vergoeding hen feitelijk tezamen toe. Proceskostenvergoeding voor de bezwaarfase heeft het college aan eisers reeds toegekend, omdat het bezwaar van een medebezwaarde doel had getroffen en ten aanzien van hem of haar de last reeds was ingetrokken, zodat vergoeding van de kosten voor de bezwaarfase niet meer aan de orde is. Deze vergoeding bedraagt op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht € 2.721,- omdat de gemachtigde van eisers als beroepsmatige rechtsbijstandverlener een verzoekschrift en een beroepschrift heeft ingediend en aan de zitting heeft deelgenomen. Het college moet de vergoeding betalen. Verder zijn geen kosten opgegeven die vergoed kunnen worden.
Beslissing
De voorzieningenrechter:
- verklaart het beroep van [eiser 3] gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit voor zover daarin is beslist op het bezwaar van [eiser 3] ;
- herroept het primaire besluit waarbij een last onder dwangsom is opgelegd aan [eiser 3] ;
- bepaalt dat deze uitspraak in de plaats komt van het vernietigde gedeelte van het besluit;
- verklaart het beroep van de andere eisers ongegrond;
- wijst het verzoek om voorlopige voorziening af;
- bepaalt dat het college het griffierecht van tweemaal € 194,- (= € 388,-) aan eisers moet vergoeden;
- veroordeelt het college tot betaling van € 2.721,- aan proceskosten aan eisers.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R.H.M. Bruin, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. L.J. Besseling, griffier en uitgesproken in het openbaar op 24 december 2025.
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak voor zover deze gaat over het beroep, kan in hoger beroep bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. Tegen deze uitspraak voor zover deze gaat over de voorlopige voorziening staat geen hoger beroep open.