ECLI:NL:RBNHO:2025:15478

ECLI:NL:RBNHO:2025:15478, Rechtbank Noord-Holland, 26-11-2025, 11733352 \ CV EXPL 25-3481

Instantie Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak 26-11-2025
Datum publicatie 13-01-2026
Zaaknummer 11733352 \ CV EXPL 25-3481
Rechtsgebied Civiel recht; Verbintenissenrecht
Procedure Bodemzaak
Zittingsplaats Haarlem

Samenvatting

Aanneming van werk. {Shalan} vordert vervangende schadevergoeding. Deze vordering is - tot een bedrag van € 2.303,40 - toewijsbaar. De schadevergoeding wordt verrekend met de nog door {Shalan} aan {gedaagde} te betalen derde termijn van € 467,50. De in reconventie gevorderde voorrechtverklaringen zijn gelet op de beoordelingen in conventie niet toewijsbaar. De vordering tot betaling van de btw is evenmin toewijsbaar; de kantonrechter is van oordeel dat partijen een prijs van € 9.350,00 inclusief btw zijn overeengekomen. De gevorderde vergoeding voor het meerwerk is verder onvoldoende onderbouwd, zodat ook deze vordering zal worden afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Civiel recht

Kantonrechter

Zittingsplaats Haarlem

Zaaknummer: 11733352 \ CV EXPL 25-3481

Vonnis van 26 november 2025

in de zaak van

[eiser] ,

te [plaats],

eisende partij in conventie,

verwerende partij in reconventie,

hierna te noemen: [eiser],

gemachtigde: mr. H.H. Renkema,

tegen

[gedaagde] , handelend onder de naam [bedrijf 1],

te [plaats],

gedaagde partij in conventie,

eisende partij in reconventie,

hierna te noemen: [gedaagde],

gemachtigde: mr. R.J. van de Leur.

De zaak in het kort Partijen zijn overeengekomen dat [gedaagde] werkzaamheden in de woning van [eiser] zou uitvoeren. Volgens [eiser] heeft [gedaagde] de werkzaamheden (1) niet correct uitgevoerd en (2) niet afgemaakt. [eiser] vordert in conventie vervangende schadevergoeding. Het verweer van [gedaagde] dat sprake is van opzegging en schuldeisersverzuim slaagt niet. De kantonrechter is verder van oordeel dat [gedaagde] in verzuim is komen te verkeren. De gevorderde schadevergoeding is – tot een bedrag van in totaal € 2.303,40 – toewijsbaar. De toegewezen schadevergoeding wordt verrekend met de nog door [eiser] aan [gedaagde] te betalen derde termijn van € 467,50.De in reconventie gevorderde voorrechtverklaringen zijn gelet op de beoordelingen in conventie, niet toewijsbaar. Verder vordert [gedaagde] betaling van het btw-bedrag, zoals uiteengezet in de offerte van 28 mei 2024, en het meerwerk. De kantonrechter is van oordeel dat partijen een prijs van € 9.350,00 inclusief btw zijn overeengekomen. Verder heeft [gedaagde] de gevorderde meerwerkkosten onvoldoende onderbouwd en is niet gebleken dat hij [eiser] voorafgaand aan die werkzaamheden schriftelijk heeft geïnformeerd over de prijs van het meerwerk. Ook deze vorderingen worden daarom afgewezen.

1. De procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit:- de dagvaarding van 19 mei 2025 - de conclusie van antwoord tevens eis in reconventie van 9 juli 2025 - de conclusie van antwoord in reconventie, binnengekomen op 18 september 2025

- het tussenvonnis van 23 juli 2025

- de mondelinge behandeling van 30 september 2025, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt- de pleitaantekeningen die door [gedaagde] zijn overgelegd.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De feiten

[eiser] en [gedaagde] zijn overeengekomen dat [gedaagde] werkzaamheden in de woning van [eiser] zou uitvoeren.

In de Whatsappberichten tussen partijen in de periode april - mei 2024 staat, voor zover van belang: “[24-04-2024, 08:20:56] [eiser]: Goedemorgen, Het gaat er om badkamer eerste verdieping en toilet begane grond. De was machine gaat naar de zolder en wordt door u afvoer en stopcontact aangesloten.(…)[24.04:2024, 13:15:26] [eiser]: Ik zie graag de prijs indicatie tegemoet. De oude badkamer en toilet worden gesloopt en u plaatst een nieuwe(…)

[28-05-2024, 13:41:39] [eiser]: (…) Kan je eind volgende week beginnen?

[28.05.2024, 16:32:14] +31 6 86365633: Goedemiddag niet volgende week die week daarop kunnen we

(…)[28-05-2024, 17:25:41] +31 6 86365633: Ik maak zo de overeenkomst incl btw[28-05-2024. 17:26:06] +31 6 86365633: En dan hebben wij 3 termijnen 1 voor de werkzaamheden 2e tijdens 3e slot

(…)[28-05-2024, 17:34:28] +31 6 86365633: 1e termijn = 7.012,50 aanbetaling voor de werkzaamheden beginnen 2e termijn = 1.870,- bij de sloopwerkzaamheden3e termijn = 467,50 slot termijn(…) [28-05-2024, 20:40:38] +31 6 86365633: 1e termijn = 7.012,50 aanbetaling voor de werkzaamheden beginnen 2e termijn = 1.870,- bij de sloopwerkzaamheden3e termijn = 467,50 slot termijn [28-05-2024, 20:44:00] [eiser]: Is goed, ik heb vertrouwen op dat alles goed zal verlopen. [28-05-2024, 20:56:10] +31 6 86365633: [nummer].pdf (…)”.

In de offerte gedagtekend 23 mei 2024, welke op 28 mei 2024 is ondertekend door partijen, staat:“[bedrijf 1] (…)Naam: [eiser](…)Omschrijving van de uit te voeren opdrachtInzake Renovatie Badkamer(…)Subtotaal 9.350,00Btw 21% 1.963,50Totale aanneemsom 11.313,50(…)De termijnen zijn als volgt: 1e termijn: 75% = 8.485,13 Uiterlijk 30 werkdagen voor de aanvang van de werkzaamheden.2e termijn: 20% = 2.262,70 Bij het verwijderen van tegels3e termijn: 5% = 565,68 Bij het opleveren(…)Voor akkoord opdrachtgever: Voor akkoord opdrachtnemer:28 mei 2024 28 Mei, Home4all[eiser]”.

In de Whatsappberichten tussen partijen van 2 juni 2024 staat, voor zover van belang:

[02-06-2024, 10:48:53] [eiser]: Goedemorgen, Hoe veel tijd heb je nodig om voor de afgesproken klus?

[02-06-2024, 10:49:32] +31 6 86365633: Minimaal 2 weken

[02-06-2024, 10:48:53] [eiser]: Okay, dank je wel!(…)”

Op 3 juni 2024 heeft [eiser] een bedrag van € 7.012,50 betaald. [gedaagde] is op 10 juni 2024 begonnen met de sloopwerkzaamheden. Op 11 juni 2024 heeft [eiser] € 1.870,00 betaald.

In de Whatsappberichten tussen partijen van 30 juni 2024 staat, voor zover van belang:

“[30-06-2024, 13:29:35] [eiser]: Hi [gedaagde], De vierde week zit erop.(…) Mijn vraag aan jou om de badkamer af te maken voor woensdag.(…)Ook hebben we van meerdere mensen te horen gekregen dat het werk niet helemaal goed gelegd en de muur niet goed gelijk is gemaakt beneden in de wc. Ook in de badkamer hebben we te horen gekregen dat er kans is dat water overstroomt bij de douchecabine omdat de vloer gelijk loopt met de rest.

(…)

[30-06-2024, 13:33:40] +31 6 86365633: (…) Bij deze dus maak ik de plateau bij de wc en monteer ik de spullen in de badkamer zet de plafond erin en dan kunnen jou stucers de plafond gelijk stucen (…)

[30-06-2024, 13:48:26] +31 6 86365633: (…) Ik ga hiet niet verder op in en zal gewoon verder gaan met de badkamer zoals de overeenkomst (…)

Met dagtekening 5 juli 2024 heeft [eiser] [gedaagde] een brief gestuurd, waarin onder meer staat: “(…)

Ingebrekestelling

(…)Via deze brief geef ik u een laatste kans om u aan de afspraken te houden. En de koste van de huidig Schade over te maken naar mijn rekening. Als je morgen ochtend om 8 uur niet komt de bad kamer af te maken, ben ik genoodzaakt dit te laten doen via een andere bedrijf en dit kost € 1200.Voor de WC heb je tot de volgende week vrijdag 12 juli de tijd om af te maken. (…)Als u het er niet mee eens bent, hoor ik graag schriftelijk. Binnen een week. (…)”.

Op 11 juli 2024 heeft [eiser] [gedaagde] een ingebrekestelling gestuurd. Daarin staat: “Tweede ingebrekestelling (…)Hierbij stel ik u in gebreke en eis ik het volgende: 1. Oplevering badkamer:- U dient de werkzaamheden aan de badkamer uiterlijk maandag 15 juli 2024 af te ronden.(…)2. Oplevering WC:- U krijgt tot vrijdag 19 juli 2024 de tijd om de WC af te maken. (…)”.

In de Whatsappberichten van [gedaagde] van 12 juli 2024 staat, voor zover van belang:

“[12-07-2024, 16:43:36] +31 6 86365633: Ik accepteer niet jullie gechanteer en gescheld etc

[12-07-2024, 16:43:38] +31 6 86365633: Dus bij deze verwacht ik de termijnen inc btw en niet exvlusief”

Op 15 juli 2025 heeft [gedaagde] een viertal facturen verzonden aan [eiser]. Factuur 20200105 en 20200103 zien op meerwerk, waarvoor in totaal een bedrag van € 4.459,88 inclusief BTW in rekening wordt gebracht. De overige twee facturen zien op de eerste en de tweede betalingstermijn van de oorspronkelijke opdracht, waarvoor respectievelijk € 8.485,13 (€ 7.012,50 + € 1.472,63 BTW) en € 2.262,70 (€ 1.870,00 + € 392,70 BTW) in rekening wordt gebracht.

Op 10 augustus 2024 heeft Klussenbedrijf [bedrijf 2] (hierna: [bedrijf 2]) een offerte aan [eiser] uitgebracht voor een toiletrenovatie voor een bedrag van € 2.770,90 inclusief BTW. [eiser] heeft deze offerte op 21 augustus 2024 geaccordeerd en het bedrag betaald.

Bij brief van 28 augustus 2024 is [gedaagde] door (de gemachtigde van) [eiser] gesommeerd tot nakoming van de overeenkomst over te gaan. In die sommatie staat: “(…) Ik verzoek u mij vóór maandag 2 september a.s. te laten weten dat u het werk weer hervat en binnen twee weken na 2 september a.s. zult opleveren. Indien ik niet of negatief van u verneem dan gaat cliënte ervan uit dat u niet zult nakomen. Zij houdt u in dat geval aansprakelijk voor de schade ten gevolge van uw weigering uw verplichtingen na te komen. (…)”.

[bedrijf 2] heeft op 1 september 2024 een factuur aan [eiser] verzonden van € 8.050,13 voor herstel van de badkamer. [eiser] heeft deze factuur betaald.

In de brief van (de gemachtigde van) [eiser] aan [gedaagde] van 18 september 2024 staat: “(…) U verkeert in verzuim en cliënte zet haar vordering tot nakoming dan ook om in een vordering tot vervangende schadevergoeding op grond van artikel 6:87 BW. De kosten die gepaard zijn gegaan met het afmaken van het werk komen voor uw rekening. (…)”.

[eiser] heeft TOP Expertise verzocht om het werk aan het toilet en de badkamer te beoordelen. Op 14 februari 2025 heeft een inspectie plaatsgevonden, waarbij [gedaagde] niet aanwezig was. In het rapport van 26 maart 2025 dat aan de hand van die inspectie en op basis van stukken, foto’s en video’s is opgesteld, staat: “(…) Ter plaatse: Zoals vermeld hebben derden de werkzaamheden in het toilet uitgevoerd en die in de badkamer hersteld/verbeterd. Toilet begane grond: Wederpartij heeft slechts het wand- en vloertegelwerk gesloopt en afgevoerd (…)Een derde partij, Klussenbedrijf [bedrijf 2], heeft de toiletruimte gerenoveerd/verbouwd, zie foto 3. De uitgevoerde werkzaamheden in het toilet zien er redelijk uit. Badkamer eerste verdieping: Op basis van ontvangen foto’s en video’s van de, door wederpartij, achtergelaten situatie en de huidige situatie, na herstel door derden, berichten wij als volgt.(…)1. Wat is de aard en omvang van de door u geconstateerde gebreken/schade inclusief een toelichtende omschrijving en uw oordeel over de schadeoorzaak? Onder verwijzing naar het onder bevindingen vermelde en op basis van de door cliënten overgelegde stukken, foto’s en video’s zijn wij van mening dat de door cliënten geconstateerde gebreken en tekortkomingen aan de, door wederpartij, uitgevoerde werkzaamheden terecht zijn en dat cliënten er goed aan hebben gedaan om dit door een derde partij te laten herstellen/verbeteren. Helaas heeft die derde partij het werk niet zo opgeleverd als van een vakbekwaam vakgenoot verwacht mocht worden en kleven er gebreken en tekortkomingen aan het uitgevoerde herstelwerk.(…) Indien wederpartij het werk correct zou hebben uitgevoerd komt het gehele werk, inclusief meer- en minderwerk uit op een bedrag van € 12.978,25 inclusief btw. Zijnde € 11.313,50 en 696,75 en € 968,--.

Niet uitgevoerd: koof om mv-unit en toilet begane grond waarvan wij de kosten hebben geraamd op € 3.133,90 inclusief btw. Hiermee komt het bedrag uit op € 9.844,35 inclusief btw.

Cliënten hebben een bedrag van € 10.747,83 voldaan en daarmee dus feitelijk al een bedrag van € 903,48 te veel betaald.

Het werk is door derden verbeterd/hersteld voor een totaalbedrag van € 10.821,03 inclusief btw.

NB. De door de derde partij gespecificeerde offertebedragen zijn marktconform. Het te vorderen bedrag bij wederpartij bedraagt € 11.724,51 inclusief btw.Zijnde de optelsom van € 903,48 en € 10.821,03.

3. Het geschil

in conventie

[eiser] vordert - voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad - veroordeling van [gedaagde] tot betaling van € 13.369,86, vermeerderd met rente en kosten.

[eiser] legt aan de vordering het volgende ten grondslag. [gedaagde] is tekortgeschoten in de nakoming van de verplichtingen uit de tussen partijen gesloten aanneemovereenkomst. [gedaagde] heeft de verbouwing aan het toilet en de badkamer niet afgemaakt, en het wél uitgevoerde werk voldeed niet aan de eisen van goed en deugdelijk werk. [eiser] heeft de vordering tot nakoming per brief van 18 september 2024 omgezet in een vordering tot vervangende schadevergoeding. Met de oorspronkelijke verplichtingen gaat een bedrag van € 11.238,48 gepaard. Na verrekening met de nog openstaande derde termijn van € 467,50, bedraagt de vervangende schade € 10.770,98. [gedaagde] is in verzuim geraakt door op 12 juli 2024 kenbaar te maken het verzoek tot herstel niet te accepteren, dan wel op 11 september 2024, te weten na het verstrijken van de termijn van twee weken in de brief van 28 augustus 2024. Daarnaast maakt [eiser] aanspraak op de deskundigenkosten (€ 1.512,50), de buitengerechtelijke incassokosten (€ 1.086,38), de proceskosten en de wettelijke rente daarover.

[gedaagde] voert verweer. De overeengekomen werkzaamheden waren zo goed als af, zodat [eiser] geen vordering tot schadevergoeding toekomt. Daarbij komt dat [gedaagde] niet in verzuim verkeert. De termijnen genoemd in de door [eiser] verzonden ingebrekestellingen zijn zodanig kort dat [gedaagde] geen redelijke gelegenheid is geboden om de klachten te beoordelen en, indien nodig, herstellen. Verder is sprake van schuldeisersverzuim, zodat [gedaagde] niet in verzuim heeft kunnen verkeren. [gedaagde] heeft de werkzaamheden opgeschort, omdat [eiser] de uitvoering van de werkzaamheden voor [gedaagde] onmogelijk maakte. Uit de overgelegde ingebrekestelling van 5 juli 2024 volgt daarnaast dat [eiser] de overeenkomst feitelijk heeft opgezegd. [gedaagde] concludeert tot niet-ontvankelijkheid van [eiser], dan wel tot afwijzing van de vorderingen van [eiser], met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van [eiser] in de kosten van deze procedure.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.

in reconventie

[gedaagde] vordert - voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad - dat de kantonrechter:- voor recht verklaart dat de overeenkomst is opgezegd per 6 juli 2024 en dat [eiser] gehouden is de geldende prijs (zoals door [gedaagde] gefactureerd) te betalen; - voor recht verklaart dat [gedaagde] niet in verzuim verkeert doordat de overeenkomst al was opgezegd en de ingebrekestelling(en) niet voldoen aan de vereisten uit de wet, althans dat [eiser] in schuldeisersverzuim verkeert; - [eiser] veroordeelt tot betaling van € 6.724,97, althans een in goede justitie vast te stellen bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 9 juli 2025; - [eiser] veroordeelt tot betaling van de proceskosten en de nakosten.

[gedaagde] legt aan de vordering het volgende ten grondslag. De gevorderde voorrechtverklaringen vloeien voort uit het verweer in conventie. De gevorderde betaling van € 6.724,97 ziet op de btw, het deel van de eerste en tweede termijn dat niet door [eiser] is voldaan (€ 1.865,33), op vergoeding van het door [gedaagde] uitgevoerde en gefactureerde meerwerk (€ 4.459,88) en op de wettelijke rente vanaf de vervaldata van de facturen tot 8 juli 2025 (€ 399,76).

[eiser] betwist dat zij met betrekking tot de eerste en de tweede termijn nog enig bedrag verschuldigd is. De overeengekomen prijs is € 9.350,00. Verder voert [eiser] aan dat zij geen vergoeding van het meerwerk is verschuldigd, omdat deze werkzaamheden onder de overeenkomst vielen en het niet duidelijk is welke kosten in rekening zijn gebracht voor welke meerwerkwerkzaamheden waarmee deze vordering door [gedaagde] onvoldoende is onderbouwd. [eiser] concludeert tot niet-ontvankelijkheid van [gedaagde], dan wel tot afwijzing van de vorderingen van [gedaagde], met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van [gedaagde] in de kosten van deze procedure.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.

4. De beoordeling

in conventie

Terecht is tussen partijen niet in geschil dat zij een overeenkomst van aanneming van werk hebben gesloten. Die overeenkomst is gesloten met [gedaagde] als professionele partij (handelaar) met [eiser] als consument.

[eiser] heeft de overeenkomst niet opgezegd

Een overeenkomst van aanneming van werk kan door de opdrachtgever ([eiser]) op ieder moment zonder reden worden opgezegd. Volgens [gedaagde] heeft [eiser] de overeenkomst opgezegd, omdat [eiser] het voor [gedaagde] feitelijk onmogelijk heeft gemaakt het werk af te ronden. Volgens [gedaagde] volgt dit uit de ingebrekestelling van 5 juli 2024 en intimiderend en bedreigend gedrag van [eiser] richting [gedaagde].

[eiser] heeft gemotiveerd betwist dat zij de overeenkomst heeft opgezegd. [gedaagde] heeft daarop niet inhoudelijk gereageerd, anders dan met handhaving van de in de conclusie van antwoord opgenomen stellingen, terwijl dat wel op zijn weg had gelegen. Op hem rust immers de bewijslast van de stelling dat [eiser] de overeenkomst heeft opgezegd. Dat [gedaagde] benadrukt dat hij zich onheus bejegend voelt door [eiser] is in het licht van de door haar uitgebrachte ingebrekestelling, die juist ziet op nakoming van de overeenkomst, onvoldoende om tot opzegging van de overeenkomst te kunnen concluderen, ook indien de gestelde termijn voor nakoming niet als redelijk aangemerkt zou kunnen worden.

Er is geen sprake van schuldeisersverzuim van [eiser] maar van verzuim van [gedaagde]

Aangezien vaststaat dat de overeenkomst van aanneming van werk nog bestond op het moment dat [eiser] haar verklaring uitbracht dat zij schadevergoeding in plaats van nakoming vordert, is nu de vraag aan de orde of die verklaring het door [eiser] beoogde effect heeft gehad. Daarvoor is vereist dat [gedaagde] in verzuim is geraakt. Voordat die vraag beantwoord kan worden, moet de kantonrechter nagaan of verzuim aan de zijde van [eiser], dus schuldeisersverzuim, is ingetreden, zoals door [gedaagde] is betoogd. Zolang de schuldeiser in verzuim is, kan de schuldenaar immers niet in verzuim geraken. Daarbij geldt dat de schuldeiser in verzuim komt wanneer nakoming van de verbintenis verhinderd wordt doordat hij de daartoe noodzakelijke medewerking niet verleent, tenzij de oorzaak van de verhindering hem niet kan worden toegerekend.

Dat [gedaagde] zijn werkzaamheden op een zeker moment heeft gestaakt staat tussen partijen niet ter discussie. Vaststaat immers dat de werkzaamheden aan het toilet en de badkamer op het moment van het uitbrengen van de eerste ingebrekestelling nog niet waren afgerond en ook nadien niet zijn afgerond. Beoordeeld moet worden of [gedaagde] een goede reden had om deze werkzaamheden niet af te ronden. Als dat zo is, is [gedaagde] niet in verzuim geraakt. Er bestaat dan geen grondslag voor de vordering tot vervangende schadevergoeding van [eiser].

[gedaagde] voert aan dat hij met het staken van de werkzaamheden niet in verzuim is komen te verkeren omdat reeds sprake was van schuldeisersverzuim van [eiser]. Hij voert in dit verband aan dat de opstelling en het gedrag van [eiser] het hem onmogelijk maakten de werkzaamheden af te ronden, dat het deskundigenonderzoek eenzijdig is opgezet en hem de mogelijkheid is ontnomen om zijn visie te geven, dat [eiser] hem in beide ingebrekestellingen een onredelijk korte termijn voor nakoming heeft gesteld, dat zij een betalingsachterstand had en al op 21 augustus 2024 verder is gegaan met een derde partij.

De kantonrechter is van oordeel dat van schuldeisersverzuim aan de zijde van [eiser] geen sprake is en dat [gedaagde] door zijn werkzaamheden te staken zelf in verzuim is komen te verkeren. Hij overweegt daartoe als volgt. Het is duidelijk dat de communicatie tussen partijen niet soepel is verlopen en dat [eiser] [gedaagde] flink onder druk heeft gezet om de werkzaamheden af te ronden. Daarmee is echter niet komen vast te staan dat [eiser] het [gedaagde] onmogelijk heeft gemaakt dit te doen. Dat [gedaagde] niet de mogelijkheid heeft gehad om bij het onderzoek (de kantonrechter begrijpt: het onderzoek van TOP Expertise) te worden betrokken is in dit verband niet van belang. Niet in geschil is immers dat [gedaagde] de werkzaamheden in juli 2024 heeft gestaakt, terwijl de beoordeling van het werk in het kader van het onderzoek heeft plaatsgevonden in februari 2025. Die omstandigheid kan dus niet meewegen bij de vraag of [gedaagde] de werkzaamheden terecht heeft gestaakt. [gedaagde] heeft tijdens de mondelinge behandeling desgevraagd verklaard dat hij voor de werkzaamheden aan de badkamer nog één dag en voor de werkzaamheden aan het toilet één week nodig zou hebben gehad, hetgeen overeenkomt met de termijnen genoemd in de ingebrekestellingen van 5 juli 2024 en 11 juli 2024. [bedrijf 2] is pas nadien op 21 augustus 2024 ingeschakeld. Het betoog van [gedaagde] dat hem een onredelijke termijn voor nakoming is gesteld en dat [eiser] meteen is verder gegaan met een derde, houdt daarom geen stand. Uit de beoordeling in reconventie (zie hierna) volgt dat [eiser] op het moment van het uitbrengen van de eerste ingebrekestelling geen betalingsachterstand had. Uit deze feiten en omstandigheden volgt dat [eiser] op dat moment niet in schuldeisersverzuim verkeerde.

Omdat [gedaagde] in de gegeven omstandigheden ten onrechte geen gevolg heeft gegeven aan de ingebrekestellingen is hij zelf in verzuim komen te verkeren.

[eiser] heeft recht op vervangende schadevergoeding

Met de omzettingsverklaring van [eiser] is enkel de verbintenis van [gedaagde] uit hoofde van de aannemingsovereenkomst omgezet in een verbintenis tot vervangendeschadevergoeding en blijft zij verplicht tot nakoming van haar eigen verbintenis uit hoofde van de aannemingsovereenkomst tot betaling van de aanneemsom.

De omvang van de vervangende schadevergoeding wordt bepaald aan de hand van de bepalingen van afdeling 10 van titel 1 van boek 6 BW. Aangezien de vervangende schadevergoeding in de plaats van de prestatie treedt, gaat het in beginsel om vergoeding van de waarde van de prestatie. Die waarde wordt in het algemeen bepaald aan de hand van een objectieve waarderingsmethode, waarbij wordt uitgegaan van de vervangingswaarde in het economisch verkeer. In dit geval gaat het om schadevergoeding wegens gedeeltelijke niet-nakoming door [gedaagde] van zijn verbintenis en stelt [eiser] de door haar geleden schade op het bedrag van de kosten van herstel en het afronden van het werk. In een dergelijk geval moet de schade worden begroot op basis van de vermogensvermindering die ten tijde van de niet-nakoming door [eiser] is geleden ten opzichte van de situatie waarin zij zou zijn geraakt bij behoorlijke nakoming van de verbintenis.

In het expertiserapport van TOP Expertise dat [eiser] ter onderbouwing van de schade heeft overgelegd valt te lezen dat [bedrijf 2] ten tijde van de opname (14 februari 2025) reeds werkzaamheden aan het toilet en de badkamer had uitgevoerd. De expert heeft de werkzaamheden van [gedaagde] alleen beoordeeld aan de hand van door [eiser] overgelegde stukken, foto’s en video’s en de aan [gedaagde] en [bedrijf 2] conform de offertes betaalde bedragen. Het rapport is pas opgemaakt nadat [bedrijf 2] zijn werkzaamheden had verricht.

[gedaagde] betwist gemotiveerd dat de foto’s uit het expertiserapport overeenkomen met het werk zoals dat door hem is achtergelaten. Ter onderbouwing heeft [gedaagde] meerdere foto’s overgelegd van de status waarin hij de badkamer heeft achtergelaten. De kantonrechter is van oordeel dat [eiser] haar vermogensvermindering wat betreft de werkzaamheden in de badkamer bij deze stand van zaken onvoldoende heeft onderbouwd. Tussen partijen is niet in geschil dat [gedaagde] enkel sloopwerkzaamheden aan het toilet heeft uitgevoerd. Uit de offertes van [gedaagde] kan niet worden afgeleid welk deel van de aanneemsom betrekking heeft op de renovatie van het toilet. De kantonrechter ziet echter voldoende aanknopingspunten om de vermogensvermindering wat betreft het afbouwen van het toilet te begroten op de door [bedrijf 2] daarvoor blijkens de offerte van 10 augustus 2024 in rekening gebrachte kosten van in totaal € 2.770,90. Daarbij speelt mee dat de expert deze kosten als marktconform heeft aangemerkt.

Ten aanzien van de werkzaamheden die zagen op het verplaatsen van de wasmachine staat niet ter discussie dat deze werkzaamheden zijn uitgevoerd. Dat deze werkzaamheden volgens [eiser] niet naar behoren zijn uitgevoerd, heeft zij niet onderbouwd, zodat dit niet leidt tot een ander oordeel. [eiser] kan daarom geen vervangende schadevergoeding vorderen voor deze werkzaamheden. De vraag in hoeverre deze werkzaamheden onder de overeenkomst vielen behoeft, gelet op het voorgaande, geen beantwoording.

De kantonrechter komt tot de conclusie dat de gevorderde schadevergoeding tot een bedrag van € 2.303,40 (€ 2.770,90 – € 467,50) toewijsbaar is. De wettelijke rente is toewijsbaar zoals gevorderd.

[gedaagde] wordt grotendeels veroordeeld in de kosten

De gevorderde vergoeding voor de expertisekosten wordt afgewezen, omdat [eiser] met het maken van deze kosten niet voldoet aan de dubbele redelijkheidstoets. De kantonrechter acht het in dit geval niet redelijkerwijs noodzakelijk een expertiserapport te laten opmaken over de kwaliteit van werkzaamheden van [gedaagde], omdat dit ten tijde van het onderzoek niet meer te beoordelen was aangezien [bedrijf 2] inmiddels ook werkzaamheden had verricht. De gevorderde rente over de expertisekosten is dus evenmin toewijsbaar.

[eiser] vordert vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten. De vordering moet worden beoordeeld op grond van artikel 6:96 BW en het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit). Aan de wettelijke eisen voor een vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten is voldaan. Daarom zal een bedrag van € 418,07 worden toegewezen. De gevorderde rente over de buitengerechtelijke incassokosten zal worden toegewezen.

[gedaagde] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [eiser] worden begroot op:

- kosten van de dagvaarding

149,71

- griffierecht

732,00

- salaris gemachtigde

812,00

(2 punten × € 406,00)

- nakosten

135,00

(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)

Totaal

1.828,71

in reconventie

De gevorderde voorrechtverklaringen zijn niet toewijsbaar

Gelet op hetgeen in conventie is geoordeeld, zijn de gevorderde voorrechtverklaringen in reconventie niet toewijsbaar.

Partijen zijn een prijs van € 9.350,00 overeengekomen

Bij de beoordeling van de vraag welke prijs partijen zijn overeengekomen geldt het Haviltexcriterium. Uit de Whatsappcorrespondentie van partijen moet worden afgeleid dat [gedaagde] [eiser] op 28 mei 2024 tweemaal heeft bericht dat de prijs in drie termijnen moest worden betaald, waarbij de tweede termijn bij aanvang van de sloopwerkzaamheden verschuldigd was. De te betalen termijnbedragen die [gedaagde] [eiser] heeft doorgegeven tellen op tot een bedrag van in totaal € 9.350,00. Vast staat dat de eerste twee termijnen tot de door [gedaagde] doorgegeven bedragen op 11 juni 2024 waren betaald, dat [gedaagde] op 10 juni 2024 is begonnen met de sloopwerkzaamheden en dat [gedaagde] [eiser] voor het eerst op 12 juli 2024, nadat het geschil tussen partijen was geëscaleerd, heeft bericht “bij deze” betaling inclusief btw te verwachten. De kantonrechter leidt hieruit af dat de tussen partijen overeengekomen prijs € 9.350,00 bedraagt.

De omstandigheid dat [gedaagde] in het Whatsappbericht van 28 mei 2024 om 17:25:41 uur te kennen heeft gegeven “zo de overeenkomst inc btw” te maken kan hem niet baten. Dit bericht is immers verzonden vóór de Whatsappberichten waarin [gedaagde] de betaaltermijnen uiteenzet waar [eiser] zich op beroept. [eiser] had uit het bericht van [gedaagde] dus niet hoeven af te leiden dat de betaaltermijnen later nog vermeerderd zouden worden met een bedrag aan btw. De kantonrechter tekent hierbij nog aan, dat het een ondernemer als [gedaagde] is verboden om een consument als [eiser] een dienst aan te bieden tegen prijzen met zodanige aanduidingen dat de omzetbelasting niet in de prijzen zou zijn begrepen.

Uit het enkele feit dat [eiser] de offerte van 28 mei 2024 waarin nog een bedrag aan btw wordt vermeld heeft ondertekend, kan onder de gegeven omstandigheden niet worden afgeleid dat partijen een hogere prijs dan € 9.350,00 zijn overeengekomen. De gevorderde betaling van de btw is niet toewijsbaar.

De gevorderde betaling van het meerwerk is niet toewijsbaar.

Wanneer sprake is van een door de opdrachtgever ([eiser]) gewenste toevoeging of verandering in het overeengekomen werk, kan de aannemer ([gedaagde]) een verhoging van de prijs vorderen als hij de opdrachtgever tijdig op de noodzaak van een daaruit voortvloeiende prijsverhoging heeft gewezen. Deze waarschuwingsplicht geldt echter niet wanneer de opdrachtgever de noodzaak van een uit het meerwerk voortvloeiende prijsverhoging uit zichzelf had moeten begrijpen. Daarbij is niet van belang of de opdrachtgever ook inzicht had in de omvang van de prijsverhoging dan wel de concreet te verwachten meerkosten: moet de opdrachtgever de noodzaak van een prijsverhoging uit zichzelf begrijpen, dan ligt het op zijn weg bij de aannemer te informeren naar de omvang van de noodzakelijke prijsverhoging en vervolgens te beslissen of hij de betreffende toevoegingen/veranderingen voor die meerprijs aan de aannemer wil opdragen.

Omdat [eiser] een consument is, is op het meerwerk ook artikel 6:230m BW van toepassing. Op grond van lid 1 sub e van dat artikel geldt dan de speciale (en strengere) eis dat [gedaagde] vóór het wijzigen/uitbreiden van de oorspronkelijke opdracht aan [eiser] op papier leesbare, duidelijke en begrijpelijk informatie moest verstrekken over (onder andere) de totale prijs van het meerwerk of – indien die prijs redelijkerwijs niet vooraf kan worden berekend – de manier waarop die prijs moet worden berekend. Met deze eis wordt bereikt dat consumenten op goed geïnformeerde wijze kunnen beslissen of zij het meerwerk (ondanks de hogere prijs die het tot gevolg heeft) willen opdragen.

Tegenover de gemotiveerde betwisting van [eiser] heeft [gedaagde] onvoldoende (nader) onderbouwd dat de in de meerwerkfacturen genoemde werkzaamheden geen onderdeel uitmaakten van de oorspronkelijke overeenkomst. Daarbij komt dat van meerwerk voor het eerst sprake leek te zijn nadat [eiser] een ingebrekestelling naar [gedaagde] had verzonden. Daarnaast valt nergens uit af te leiden dat [gedaagde] [eiser] tijdig en schriftelijk heeft geïnformeerd over de totale omvang van het meerwerk alsook de prijs daarvan. De gevorderde betaling van de meerwerkkosten zijn om deze redenen niet toewijsbaar.

[gedaagde] wordt veroordeeld in de kosten

[gedaagde] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten betalen. De proceskosten van [eiser] worden begroot op:

- salaris gemachtigde

609,00

(1,5 punten × € 406,00)

Totaal

609,00

5. De beslissing

De kantonrechter

in conventie

veroordeelt [gedaagde] om aan [eiser] te betalen een bedrag van € 2.303,40, te vermeerderen met de wettelijke rente over het toegewezen bedrag, met ingang van 12 juli 2024, tot de dag van volledige betaling,

veroordeelt [gedaagde] om aan [eiser] te betalen een bedrag van € 418,07 aan buitengerechtelijke kosten, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dag van dagvaarding, tot de dag van volledige betaling,

veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 1.828,71, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [gedaagde] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,

wijst het meer of anders gevorderde af,

in reconventie

wijst de vorderingen van [gedaagde] af,

veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 609,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [gedaagde] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,

verklaart dit vonnis voor wat betreft de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. M.W. Koenis en in het openbaar uitgesproken op 26 november 2025.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?