[eiser] , uit [plaats] , eiser
(gemachtigde: mr. M.H.J. van Geffen),
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Zaanstad, verweerder
(gemachtigden: mr. N.C. Puts-Zwang en J. Ockers).
Inleiding
1. Met het besluit van 8 november 2023 heeft verweerder op grond van de Participatiewet (PW) een bedrag van € 67.047,70 van eiser teruggevorderd.
Met het bestreden besluit van 23 februari 2024 op het bezwaar van eiser is verweerder bij dat besluit gebleven.
Verweerder heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
De rechtbank heeft het beroep op 19 december 2024 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, [naam 1] (tolk Nederlandse gebarentaal), [naam 2] (broer) en de gemachtigden van verweerder.
Totstandkoming van het besluit
2. Eiser ontving bijstand van verweerder in de periode van 15 december 2004 tot en met 7 januari 2008, van 15 februari 2008 tot en met 20 september 2017 en vanaf 19 juni 2018. Bij de toekenning van bijstand (bij het besluit van 23 februari 2005) heeft verweerder eiser onder meer de verplichting opgelegd verweerder te berichten als de woning (waarvan hij samen met zijn ex-echtgenote eigenaar was) is verkocht.
3. Op 25 september 2023 is de akte van verdeling van de woning getekend. Eiser ontvangt een bedrag van € 90.000,00. Daarvan schenkt hij een bedrag van in totaal € 20.000,00 aan zijn kinderen. Op 27 september 2023 is het resterende bedrag van € 70.000,00 op de rekening van eiser gestort. Kort daarna heeft (de broer van) eiser dit aan verweerder gemeld.
4. Verweerder heeft met het primaire besluit het recht op bijstand van eiser met ingang van 19 juni 2018 ingetrokken en de teveel betaalde bijstand over de periode van 19 juni 2018 tot en met 30 september 2023 teruggevorderd.
5. Met het bestreden besluit is het primaire besluit gehandhaafd.
Standpunt eiser
6. Eiser voert aan dat de uitkering ten onrechte met ingang van 19 juni 2018 is ingetrokken en dat ten onrechte over de gehele periode van 19 juni 2018 tot en met 30 september 2023 de bijstand wordt teruggevorderd. Er is onvoldoende rekening gehouden met de belangen van eiser. Voor zover er een grondslag bestaat voor terugvordering voert eiser aan dat verweerder ten onrechte geen dringende redenen aanwezig heeft geacht om geheel dan wel gedeeltelijk af te zien van terugvordering. Door de terugvordering komt de gehele last bij eiser te liggen. In dat verband moet volgens eiser ook gewicht toekomen aan het feit dat hij als gevolg van zijn handicap (doofheid) en andere fysieke problemen (knieën en rug) al in ieder geval sinds 2001/2002 niet meer in staat is geweest met werk in zijn levensonderhoud te voorzien. Hij heeft geen aandeel in de ontstane situatie. Verder heeft verweerder ten onrechte geen rekening gehouden met het feit dat eiser uit het hem toekomende vermogen aan elk van zijn beide kinderen € 10.000,00 heeft geschonken.
Standpunt verweerder
7. Verweerder stelt zich op het standpunt dat een deugdelijke belangenafweging wel heeft plaatsgevonden. Verder stelt verweerder dat geen sprake is van dringende redenen om geheel of gedeeltelijk af te zien van terugvordering. Met betrekking tot de gevolgen van de terugvordering merkt verweerder op dat er geen sprake is van het ontstaan van grote financiële problemen. Eiser heeft uit de verkoop van de woning € 90.000,00 ontvangen. Dat eiser een totaalbedrag van € 20.000,- aan zijn kinderen heeft geschonken, komt voor risico van eiser.
Beoordeling door de rechtbank
8. De rechtbank beoordeelt de terugvordering door verweerder van een bedrag van € 67.047,70 van eiser. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eiser.
Intrekking bijstand per 19 juni 2018
9. De beroepsgrond dat verweerder het recht op bijstand ten onrechte per 19 juni 2018 heeft ingetrokken, slaagt. Bij een terugvordering op grond van artikel 58, tweede lid, aanhef en onder f, ten eerste, van de PW (naderhand verkregen middelen) is intrekking van het recht op bijstand niet aan de orde, omdat de bijstand terecht verleend is. Eiser kon immers niet beschikken over zijn vermogen dat op 19 juni 2018 nog in de woning gebonden was. Intrekking van bijstand kan eerst aan de orde zijn op het moment dat eiser de beschikking heeft gekregen over het vermogen. Dat is in ieder geval op 27 september 2023 het geval. Het bestreden besluit komt daarom voor vernietiging in aanmerking.
In redelijkheid gebruik gemaakt van de terugvorderingsbevoegdheid?
10. Artikel 58, tweede lid, aanhef en onder f, ten eerste, van de PW betreft een discretionaire bevoegdheid die verweerder kan uitoefenen als een bijstandsgerechtigde over naderhand verkregen middelen beschikt. Bij de uitoefening van die bevoegdheid moet verweerder een belangenafweging maken en de evenredigheid in acht nemen. De wijze van toetsing aan het evenredigheidsbeginsel is afhankelijk van veel factoren, waarbij geschiktheid, noodzaak en evenwichtigheid van het besluit een rol spelen.
11. Verweerder moet zorgvuldig met de beschikbare middelen omgaan. Dat is naar het oordeel van de rechtbank een gerechtvaardigd doel. Aan artikel 58, tweede lid, aanhef en onder f, ten eerste, van de PW ligt de gedachte ten grondslag dat kosten van bijstand, die niet zouden zijn verleend indien de betrokkene al op een eerder tijdstip over naderhand beschikbaar gekomen middelen had kunnen beschikken, kunnen worden teruggevorderd. Deze terugvorderingsgrond kan in zoverre gezien worden als een uitwerking van het uitgangspunt dat een belanghebbende eerst de eigen middelen moet aanwenden voor levensonderhoud en dat het recht op bijstand een aanvullend karakter heeft. Eiser heeft in dit geval meer bijstand gekregen dan waar hij, achteraf bezien, recht op had. Terugvordering van het teveel aan ontvangen bijstand is dan een noodzakelijk en geschikt middel om het gerechtvaardigde doel te bereiken.
12. De ratio van het evenredigheidsbeginsel is niet het tegengaan van nadelige gevolgen, maar het voorkomen van onevenredig nadelige gevolgen. Niet gebleken is dat de terugvordering voor eiser onevenredig nadelige gevolgen heeft in verhouding tot de met de terugvordering te dienen doelen. Verweerder heeft er in dit verband terecht op gewezen dat eiser de beschikking had over de middelen om de terugvordering te kunnen voldoen. De omstandigheid dat eiser zijn vermogen graag had willen gebruiken ter overbrugging van de periode tot aan zijn AOW-gerechtigde leeftijd, wat door de terugvordering niet meer mogelijk is, maakt niet dat verweerder tot een andere afweging had moeten komen. Het is inherent aan het besluit tot terugvordering dat dit nadelige gevolgen heeft. Dit maakt het besluit tot terugvordering niet onrechtmatig.
13. Eiser heeft aangevoerd dat verweerder bij de berekening rekening had moeten houden met de schenking aan zijn kinderen, vanwege de achtergrond ervan. Hoewel begrijpelijk is dat eiser zijn kinderen een bedrag heeft willen schenken, betekent dit niet dat verweerder hiermee rekening moest houden bij de berekening. Daarmee zouden de kosten van de schenking immers worden afgewenteld op verweerder en daarmee op de publieke middelen die verweerder tot zijn beschikking heeft. Verweerder heeft dan ook terecht rekening gehouden met een vermogen van € 90.000,00, omdat dit het bedrag is waarop eiser recht had en ook de beschikking over heeft gekregen.
14. Uit het voorgaande volgt dat verweerder in redelijkheid van zijn discretionaire bevoegdheid tot terugvordering gebruik gemaakt heeft. De rechtbank merkt daarbij nog op dat de omstandigheid dat verweerder op grond van zijn bevoegdheid er ook voor had kunnen kiezen de bijstand van eiser te beëindigen per 27 september 2023 er niet toe leidt dat het gebruikmaken van de bevoegdheid tot terugvordering niet redelijk geacht kan worden.
Dringende redenen?
15. Bij de beoordeling of sprake is van een dringende reden moet niet alleen rekening worden gehouden met de gevolgen van de herziening en terugvordering, maar ook met de oorzaak daarvan. Daarbij dienen alle relevante feiten en omstandigheden te worden betrokken. Verder moeten de gevolgen die de herziening en terugvordering voor de betrokkene hebben, worden betrokken in de beoordeling. In het algemeen doen de financiële gevolgen van de herziening en terugvordering zich echter pas voor bij de invordering of verrekening.
16. Eiser heeft aangevoerd dat zijn gezondheidssituatie als gevolg van de terugvordering is verslechterd. Een onderbouwing daarvan ontbreekt echter. Hierdoor kan niet worden geconcludeerd dat een dringende reden aanwezig is om (deels) af te zien van terugvordering. Deze beroepsgrond slaagt daarom niet.
Conclusie en gevolgen
17. Het beroep is gegrond. Dat betekent dat eiser gelijk krijgt waar het gaat om de intrekkingsdatum. Voor het overige krijgt eiser geen gelijk. Omdat het beroep gegrond is moet verweerder het griffierecht aan eiser vergoeden en krijgt eiser ook een vergoeding van zijn proceskosten. Verweerder moet deze vergoeding betalen. De vergoeding is met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. Voor de rechtsbijstand door een gemachtigde krijgt eiser een vast bedrag per proceshandeling. In beroep heeft elke proceshandeling een waarde van € 907,00. De gemachtigde heeft een beroepschrift ingediend en heeft aan de zitting van de rechtbank deelgenomen. De vergoeding bedraagt dan in totaal € 1.814,00.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit voor zover daarmee de intrekking van de uitkering per 19 juni 2018 is gehandhaafd en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde deel van het bestreden besluit;
- bepaalt dat de uitkering per 27 september 2023 wordt ingetrokken;
- bepaalt dat verweerder het griffierecht van € 51,00 aan eiser moet vergoeden;
- veroordeelt verweerder tot betaling van € 1.814,00 aan proceskosten aan eiser.
Deze uitspraak is gedaan door mr. dr. J.C. de Wit, voorzitter, en mr. M. Jurgens en mr. A.R. ten Berge, leden, in aanwezigheid van mr. J.H. Bosveld, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 20 maart 2025.
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.