ECLI:NL:RBNHO:2025:15630

ECLI:NL:RBNHO:2025:15630, Rechtbank Noord-Holland, 27-03-2025, AWB - 24 _ 2828

Instantie Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak 27-03-2025
Datum publicatie 13-01-2026
Zaaknummer AWB - 24 _ 2828
Rechtsgebied Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Procedure Eerste aanleg - meervoudig
Zittingsplaats Haarlem

Samenvatting

Uwv heeft betrokkene op grond van de Wet hersteloperatie toeslagen (Wht) geen kwijtschelding verleend van alle vorderingen, omdat sprake was van fraude. Beroep ongegrond.

Uitspraak

[eiseres] , uit [plaats] , eiseres

(gemachtigde: W. van Rheenen),

en

de Raad van Bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, verweerder

(gemachtigde: S. Gootjes).

Inleiding

1. Bij besluiten van 5 en 16 juli 2013 heeft verweerder de uitkering van eiseres op grond van de Werkloosheidswet (WW) ingetrokken, herzien en de teveel betaalde uitkering van eiseres teruggevorderd. Dat betrof een brutobedrag van € 28.223,07. Het tegen dit besluit gemaakte bezwaar is bij besluit van 28 augustus 2013 niet-ontvankelijk verklaard, omdat eiseres geen gronden heeft ingediend. Hiertegen is geen beroep ingesteld.

Verweerder heeft met een besluit van 5 augustus 2013 de uitkeringen van eiseres op grond van de Wet arbeid en zorg (Wazo) en Ziektewet (ZW) ingetrokken. De teveel betaalde uitkeringen zijn teruggevorderd. Dit betrof een bedrag van € 100.600,97.

Bij brief van 7 augustus 2013 heeft verweerder aan eiseres meegedeeld dat aangifte is gedaan wegens overtreding van de informatieplicht.

Naar aanleiding van de hiervoor vermelde aangifte is de strafzaak door het Openbaar Ministerie afgedaan met een transactie, bestaande uit een werkstraf voor de duur van 20 uren en een geldtransactie voor een bedrag groot € 2.500,00.

Bij brief van 11 maart 2021 heeft verweerder aan eiseres meegedeeld dat zij voorlopig geen terugbetalingen hoeft te doen, omdat zij is aangemeld als gedupeerde van de kinderopvangtoeslag-problemen. Eiseres is daarna erkend als gedupeerde van de kinderopvangtoeslagaffaire.

Bij besluit van 21 december 2023 heeft verweerder eiseres meegedeeld dat zij op grond van de Wet hersteloperatie toeslagen (Wht) niet in aanmerking komt voor (ambtshalve) kwijtschelding van alle openstaande vorderingen.

Met het bestreden besluit van 25 april 2024 op het bezwaar van eiseres is verweerder bij dat besluit gebleven.

Verweerder heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.

De rechtbank heeft het beroep op 19 december 2024 op zitting behandeld. Hieraan hebben de gemachtigden van partijen deelgenomen.

Standpunt eiseres

2. Eiseres voert aan dat zij geen frauduleuze handelingen heeft verricht en geen misbruik heeft gemaakt van de sociale zekerheid. Zij zou dan ook in aanmerking moeten komen voor kwijtschelding. Verweerder moet aantonen dat sprake is van frauduleus handelen en misbruik van de sociale zekerheid. De bewijslast van de verwijtbaarheid van de overtreding ligt bij verweerder. Eiseres stelt verder dat zij de stukken in 2013 niet kan hebben ontvangen vanwege haar verblijf in Turkije. Verder voert eiseres aan dat de vorderingen zijn verjaard, omdat geen rechtsgeldige stuiting heeft plaatsgehad.

Standpunt verweerder

3. Verweerder stelt zich op het standpunt dat in het geval van eiseres sprake is van een situatie als beschreven in artikel 3.6, vierde lid, onder c, van de Wht. Met de beslissingen van 5, 16 juli en 5 augustus 2013 zijn de rechten van eiseres op ZW-, Wazo- en WW-uitkeringen ingetrokken over de periode 20 december 2006 tot en met 29 juli 2012. Deze herzienings- en terugvorderingsbeslissingen zijn gebaseerd op een onderzoek van de afdeling Handhaving. Uit dit onderzoek bleek dat eiseres directeur-grootaandeelhouder (DGA) is geweest van [B.V.] . Hierdoor was zij niet verzekerd voor de socialeverzekeringswetten en had zij geen recht op genoemde uitkeringen. De totale terugvordering bedroeg € 128.824,04. Verweerder is van mening dat, gelet op de lange periode waarover ten onrechte aanspraak is gemaakt op de verschillende uitkeringen en het totale bedrag aan ten onrechte ontvangen uitkeringen gesproken kan worden van ernstig misbruik. Hiervoor is destijds ook aangifte gedaan. Met betrekking tot de door eiseres aangevoerde gronden naar aanleiding van de terugvorderingsbeslissingen van 5, 16 juli en 5 augustus 2013 stelt verweerder zich op het standpunt dat deze beslissingen in rechte vaststaan. Dat eiseres deze beslissingen niet zou hebben ontvangen acht verweerder onaannemelijk.

Beoordeling door de rechtbank

4. De rechtbank beoordeelt het besluit van verweerder om af te zien van kwijtschelding. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eiseres.

5. De rechtbank oordeelt dat het besluit om af te zien van terugvordering de rechterlijke toetsing kan doorstaan. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Verjaring

6. De rechtbank stelt voorop dat in deze procedure alleen het bestreden besluit, inhoudend dat de schulden van eiseres niet ambtshalve op grond van de Wht kwijtgescholden worden, ter toetsing voorligt. Dat betekent dat de beroepsgronden die zien op mogelijke verjaring buiten de omvang van dit geding vallen en om die reden niet worden besproken.

Terugvorderingsbesluiten

7. De rechtbank stelt vast dat de beslissingen van verweerder over de herziening, de intrekking en de terugvordering van de uitkeringen van eiseres in rechte vaststaan. Voor zover eiseres heeft betoogd dat zij deze beslissingen niet heeft ontvangen kan de rechtbank dat niet volgen. Eiseres heeft immers bezwaar gemaakt tegen het besluit van 16 juli 2013. Dat bezwaar is niet-ontvankelijk verklaard vanwege het ontbreken van gronden en daartegen is geen beroep ingesteld. Verder heeft verweerder erop gewezen dat eiseres meerdere keren inkomstenformulieren heeft ingevuld waarop vervolgens de afloscapaciteit is bepaald. Het is dan ook onaannemelijk dat eiseres niet op de hoogte was van de beslissingen tot intrekking, herziening van de uitkeringen en van de terugvordering daarvan.

Kwijtschelding

Maatstaf

8. Artikel 3.6 van de Wht bepaalt – voor zover hier van belang – dat verweerder ambtshalve de schulden kwijtscheldt van een gedupeerde aanvrager van kinderopvangtoeslag, voor zover die op 31 december 2020 niet voldaan waren.

9. Artikel 3.6, vierde lid, onder c, van de Wht bepaalt dat de schulden niet worden kwijtgescholden indien naar het oordeel van verweerder de schuld is ontstaan door misbruik van sociale zekerheid of frauduleus of anderszins wederrechtelijk handelen of nalaten.

10. In de memorie van toelichting wordt bovenstaande toegelicht. Daarin valt te lezen dat het kan gaan om gevallen waarbij inzet van het strafrecht aan de orde is. Het kan dan gaan om een strafrechtelijke veroordeling of om gevallen waarbij er aangifte is gedaan. Het toepassen van de uitzonderingsbepaling betreft een discretionaire bevoegdheid, op basis van een eigen beoordeling van verweerder, op grond van de omstandigheden van het geval.

Inhoudelijk

11. Vaststaat dat verweerder proces-verbaal heeft opgemaakt en aangifte heeft gedaan bij het Openbaar Ministerie van schending van de inlichtingenverplichting. Uit het door verweerder in het geding gebrachte e-mailbericht van 5 maart 2018 blijkt dat de strafzaak is afgedaan met een strafbeschikking. Vermeld is verder dat eiseres de werkstraf van twintig uur werkstraf heeft voldaan, maar dat de boete van € 2.500,00 nog moest worden betaald.

12. Hiertegenover heeft eiseres aangevoerd dat zij niet heeft gefraudeerd. Eiseres heeft echter geen enkele onderbouwing van haar standpunt gegeven. Ze heeft niet betwist dat zij DGA van [B.V.] was in de periode 2005-2013 en daarvan geen melding heeft gemaakt bij het aanvragen van de uitkeringen bij verweerder. Hierdoor heeft eiseres uitkeringen ontvangen waarop zij geen recht had, omdat zij als DGA niet verplicht verzekerd was voor de werknemersverzekeringen. Eiseres heeft ook niet betwist dat er aangifte is gedaan en dat de strafzaak is afgedaan met een straftransactie.

13. Gelet op deze omstandigheden heeft verweerder in beginsel tot de conclusie kunnen komen dat de schuld van eiseres is ontstaan als gevolg van misbruik van de socialezekerheidswetten welke zodanig is, dat van kwijtschelding afgezien kan worden. In het verweerschrift heeft verweerder gemotiveerd waarom de bevoegdheid tot weigering van kwijtschelding is toegepast. Verweerder heeft daarbij de betrokken belangen afgewogen. Daarbij wordt, onder meer, gerefereerd aan een in 2021 uitgevoerd onderzoek waarbij eiseres werkend is aangetroffen, terwijl zij een uitkering ingevolge de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen genoot. Verder zijn de financiële omstandigheden van eiseres betrokken bij de invordering en is er per 11 maart 2021 een invorderingspauze ingelast. Zonder nadere onderbouwing, die ontbreekt, valt niet in te zien dat verweerder bij de af te wegen belangen ook rekening had moeten houden met de gestelde financiële en geestelijke toestand van eiseres, waardoor zij geen juridische hulp kon inschakelen. Hetzelfde geldt voor de enkele vermelding dat eiseres door de toeslagenaffaire immens veel leed heeft geleden.

14. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder daarom op goede gronden besloten dat de schulden van eiseres niet voor kwijtschelding in aanmerking komen. Het beroep is daarom ongegrond.

15. De rechtbank ziet in de in het verweerschrift gegeven motivering geen aanleiding om het bestreden besluit te vernietigen wegens een motiveringsgebrek. De rechtbank zal het gebrek met toepassing van artikel 6:22 van Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) passeren, nu in beroep alsnog een toereikende motivering is gegeven. Eiseres is als gevolg hiervan niet in haar belangen geschaad. Want ook als dit gebrek zich niet had voorgedaan zou verweerder een besluit met een gelijke uitkomst hebben genomen. De rechtbank ziet in de toepassing van artikel 6:22 van de Awb in dit geval geen aanleiding voor een vergoeding van proceskosten.

Conclusie en gevolgen

16. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiseres geen gelijk krijgt. Haar schulden aan verweerder worden niet kwijtgescholden. Eiseres krijgt haar griffierecht niet terug en ontvangt ook geen vergoeding voor haar proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Jurgens, voorzitter, en mr. A.R. ten Berge en mr. dr. J.C. de Wit, leden, in aanwezigheid van mr. J.H. Bosveld, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 27 maart 2025.

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.

Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.

Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Zittende Magistratuur

Rechters

  • mr. M. Jurgens
  • mr. A.R. ten Berge
  • mr. dr. J.C. de Wit

Griffier

  • mr. J.H. Bosveld

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?