RECHTBANK NOORD-HOLLAND
uitspraak van de voorzieningenrechter van 11 augustus 2025 in de zaak tussen
[verzoeker] , uit Bloemendaal, verzoeker
Samenvatting
Zittingsplaats Haarlem
Bestuursrecht
zaaknummer: HAA 25/3224
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Bloemendaal, het college
(gemachtigde: S. Wouterson).
1. Deze uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening gaat over het stopzetten van de bijstandsuitkering van verzoeker. Verzoeker is het hier niet mee eens. Hij verzoekt daarom om een voorlopige voorziening en voert daartoe een aantal gronden aan. De voorzieningenrechter beoordeelt bij de vraag of zij een voorlopige voorziening zal treffen of het bezwaar een redelijke kans van slagen heeft. Dat kan een reden zijn om het bestreden besluit te schorsen. Deze vraag beantwoordt zij aan de hand van de gronden van verzoeker.
De voorzieningenrechter wijst in deze uitspraak het verzoek af. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.
Onder 2 staat het procesverloop in deze zaak. Onder 3 staan de van belang zijnde feiten en omstandigheden die hebben geleid tot het bestreden besluit. De beoordeling door de voorzieningenrechter volgt vanaf 6. Aan het eind staat de beslissing van de voorzieningenrechter en de gevolgen daarvan.
Procesverloop
2. Verzoeker heeft vanaf 2 juli 2024 een uitkering op grond van de Participatiewet (Pw) in de gemeente Bloemendaal. De betaling van de uitkering is opgeschort per 27 maart 2025. Met het bestreden besluit van 28 mei 2025 heeft het college de uitkering beëindigd per 27 maart 2025 (lees: per 28 mei 2025) en ingetrokken vanaf 2 juli 2024. De over de periode van 2 juli 2024 tot 27 maart 2025 ten onrechte verstrekte bijstand (inclusief ook verstrekte bijzondere bijstand) wordt teruggevorderd. Het gaat om een bedrag van totaal € 13.684,15. Verzoeker heeft hier bezwaar tegen gemaakt en de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen.
Het college heeft op het verzoek gereageerd met een verweerschrift.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 8 augustus 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: verzoeker (met behulp van een telefonische tolk) en de gemachtigde van het college.
Beoordeling door de voorzieningenrechter
Totstandkoming van het bestreden besluit
3. Verzoeker verbleef vanaf november 2021 in een AZC in Almere. Op 2 juli 2024 heeft hij zich in het BRP ingeschreven op het adres [adres 1] (uitkeringsadres). Met ingang van die datum is hem een (aanvullende) bijstandsuitkering toegekend. Sinds september 2023 werkte verzoeker als invalkracht bij [werkgever] , in Amsterdam. Op de zitting heeft hij verklaard nu te werken bij een bakkerij in Amsterdam, als oproepkracht. Naar aanleiding van een melding afkomstig van de woningbouwvereniging [naam woningbouwvereniging] wonen, inhoudende dat verzoeker een woning huurt bij hen, maar nooit aanwezig zou zijn (die woning bevindt zich boven het kantoor van de woningbouwvereniging) is de sociale recherche een onderzoek gestart. In de periode van 20 november 2024 tot en met 28 november 2024 en 3 maart 2025 tot en met 9 maart 2025 zijn waarnemingen verricht in de omgeving van het uitkeringsadres. Op 11 maart 2025 is met verzoeker gesproken en op 12 maart 2025 is een huisbezoek verricht. Verder is informatie verkregen van de woningbouwvereniging, nutsbedrijven en de NS. Ook zijn de bankafschriften ingezien. De onderzoeksbevindingen zijn neergelegd in de rapportage van 22 april 2025
4. Uit de onderzoeksbevindingen blijkt volgens het college dat verzoeker zijn hoofdverblijf niet in de gemeente Bloemendaal heeft. De gemeente Bloemendaal is niet waar het zwaartepunt van zijn persoonlijk leven zich bevindt. Verzoeker heeft het college hiervan niet op de hoogte gesteld. Het college stelt dat verzoeker de inlichtingenplicht van artikel 17 van de Pw heeft geschonden. Daarom heeft het college de uitkering beëindigd en ingetrokken.
5. Verzoeker zegt in het verzoekschrift dat hij zijn rekeningen en verplichtingen niet meer kan betalen. Op de zitting heeft hij, kort samengevat, uitgelegd dat hij inderdaad een periode weinig verbleef op het uitkeringsadres, maar dat had te maken met zijn persoonlijke omstandigheden. Hij zat psychisch dusdanig in de knoop, had paniekaanvallen, dat hij moeilijk langere tijd alleen kon zijn. Daarom was hij regelmatig bij een vriend in Amsterdam of bij zijn vriendin in Grootebroek. In die tijd is ook zijn kind geboren en mede vanwege de zorg voor zijn kind, die vaak naar het ziekenhuis moest, verbleef hij vaak daar. Op de zitting heeft verzoeker verklaard dat hij nu wel op het uitkeringsadres woont.
Spoedeisend belang
6. De voorzieningenrechter treft op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Awb alleen een voorlopige voorziening als “onverwijlde spoed” dat vereist. De voorzieningenrechter acht voldoende aannemelijk dat hier sprake is van een spoedeisend belang omdat verzoeker sinds april 2025 geen (aanvullende) uitkering meer ontvangt.
7. Dat betekent dat de voorzieningenrechter in het kader van deze procedure een voorlopig rechtmatigheidsoordeel zal geven over het bestreden besluit. Bij twijfel omtrent de rechtmatigheid van het in geding zijnde besluit kan worden bezien of na afweging van de betrokken belangen grond bestaat voor het treffen van een voorziening.
Voorlopig rechtmatigheidsoordeel
8. Verzoeker is verplicht juiste en volledige informatie over zijn woon- en verblijfsituatie te geven aan het college. Want die gegevens zijn van essentieel belang voor de vaststelling van het recht op bijstand. Op grond van de wet bestaat recht op bijstand in de gemeente waar iemand een woonadres heeft. Iemand heeft zijn woonadres daar waar hij zijn hoofdverblijf heeft. Het hoofdverblijf ligt daar waar zich het zwaartepunt van het persoonlijk leven bevindt. De vraag waar iemand woont en zijn hoofdverblijf heeft, moet worden beantwoord aan de hand van concrete feiten en omstandigheden.
9. Een besluit tot beëindiging en intrekking van het recht op bijstand is een zogeheten belastend besluit, wat betekent dat het aan het college is om de nodige kennis over de relevante feiten en omstandigheden te vergaren. Het college moet bewijzen dat aan de voorwaarden voor beëindiging en intrekking van verzoekers recht op bijstandsuitkering is voldaan, in dit geval dat verzoeker niet zijn hoofdverblijf heeft op het uitkeringsadres.
10. Naar het voorlopige oordeel van de voorzieningenrechter heeft het college uit de bevindingen van het onderzoek deze conclusie wel kunnen trekken.
11. Het college baseert zijn conclusies, naast de verklaring van de Woonconsulent, onder andere op de bevindingen bij het huisbezoek. De woning maakte geen bewoonbare indruk. Zo was er geen raambekleding, geen beddengoed, weinig kleren, geen ‘verse’ etenswaren in de keuken en een summier ingerichte woonkamer. Daarnaast baseert het college zich op het extreem lage energieverbruik in de woning. Het energieverbruik is, uitgaande van de Nibud-normen, inderdaad extreem laag. Het energieverbruik tussen september 2025 en april 2025 bevestigt de indruk dat verzoeker daar niet of nauwelijks verblijft. Het college heeft verder de bankafschriften opgevraagd en uit de afschriften van augustus 2024 tot maart 2025 blijken nauwelijks tot geen transacties/uitgaven in de gemeente Bloemendaal, maar wel in Amsterdam, Grootebroek en omliggende gemeenten. Uit de OV-kaart blijkt evenmin van reizen vanuit of naar Bloemendaal. Bovendien staan de bankafschriften op het adres [adres 2] in Grootebroek, net als de OV-kaart. Verder zijn er de waarnemingen. Tijdens de waarnemingen is de auto van verzoeker slechts één keer aangetroffen in de buurt van het uitkeringsadres (en dat was op 11 maart 2025, de dag dat hij in het gemeentehuis was uitgenodigd). Wel is de auto regelmatig waargenomen in de omgeving van de woning in Grootebroek.
11. Al die concrete feiten en omstandigheden die volgen uit voormelde onderzoeksbevindingen wijzen er naar voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter inderdaad niet op dat verzoeker in die periode het zwaartepunt van zijn persoonlijk leven op het uitkeringsadres had. Daarnaast heeft verzoeker verklaard dat hij eigenlijk niet in de gemeente Bloemendaal wilde wonen. In het verslag van het gesprek van 11 maart 2025 staat letterlijk: “Mijn hele leven speelt zich af buiten Bloemendaal”. Ook dat bevestigt de conclusie van het college.
11. Al het voorgaande betekent dat verzoeker naar voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter op het moment waarop het bestreden besluit werd genomen zijn hoofdverblijf niet op het uitkeringsadres had.
14. Wat verzoeker daar nu tegen aanvoert is, ook gelet op de reactie van het college daarop in het verweerschrift, vooralsnog niet genoeg om tot een ander oordeel daarover te komen. Dat hij, zoals hij in het gesprek van 11 maart 2025 en ook op de zitting verklaarde, 2 á 3 keer per week daar overnachtte is – afgezet tegen de overige bevindingen – onvoldoende om die woonruimte ook als hoofdverblijf aan te kunnen merken. Verzoeker heeft geen enkele aanwijzing gegeven aan de hand waarvan kan worden vastgesteld dat hij daadwerkelijk in Bloemendaal verblijft. De enkele stelling dat hij vanwege medische klachten elders verbleef is onvoldoende, dit is niet onderbouwd met een verklaring van een behandelend arts. Waar verzoeker verblijft moet worden beoordeeld aan de hand van de hele feitelijke situatie en die situatie wijst vooralsnog niet op het hebben van hoofdverblijf op het uitkeringsadres.
15. Daarnaast is ook niet gebleken van andere omstandigheden waaruit zou volgen dat de situatie van verzoeker op dit moment dusdanig is dat sprake is van een acute financiële noodsituatie of dat een onomkeerbare situatie dreigt. Daarvoor is geen onderbouwing gegeven.
16. De voorzieningenrechter heeft vooralsnog geen aanleiding om te denken dat het bestreden besluit geen stand zal houden in bezwaar.
16. Het verzoek om een voorlopige voorziening in deze procedure zal daarom worden afgewezen.
18. Tot slot merkt de voorzieningenrechter nog het volgende op. Het bestreden besluit dateert van 28 mei 2025. Het staat verzoeker vrij om, indien hij thans (nog) in bijstand hoevende omstandigheden verkeert, een nieuwe aanvraag om bijstand bij het college te doen, mochten zijn omstandigheden wijzigen. Verzoeker heeft op de zitting verklaart nu wel te verblijven op het uitkeringsadres. Het ligt in de rede om dan in de loop van de bezwaarprocedure een nieuwe aanvraag in te dienen vanwege gewijzigde omstandigheden. De voorzieningenrechter wijst erop dat verzoeker bij een nieuwe aanvraag eerst wel aannemelijk en duidelijk zal moeten maken dat thans sprake is van gewijzigde omstandigheden en dat hij nu wel op het uitkeringsadres zijn hoofdverblijf heeft.
Conclusie en gevolgen
19. De voorzieningenrechter wijst het verzoek af. De voorzieningenrechter verwacht dat het bestreden besluit – in de bezwaarprocedure – in stand zal blijven. Voor een vergoeding van griffierecht of proceskosten bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. L.M. de Vries, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. H.R.A. Horring, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 11 augustus 2025.
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: