RECHTBANK NOORD-HOLLAND
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 7 oktober 2025 in de zaak tussen
[eiser] , uit Hoofddorp, eiser,
de raad van de gemeente Haarlem
Samenvatting
Zittingsplaats Haarlem
Bestuursrecht
zaaknummer: HAA 24/6936
en
(gemachtigden: mr. F.J.H. van Tienen en mr. M. Morren).
1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van een verzoek van eiser tot herziening van de geheimhouding van informatie. Eiser is het daar niet mee eens. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de aanvraag.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het herzieningsverzoek mocht worden afgewezen. Eiser krijgt dus geen gelijk en het beroep is dus ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Onder 2 staat het procesverloop in deze zaak. Onder 3 en volgende staan de van belang zijnde feiten en omstandigheden die hebben geleid tot het bestreden besluit. De beoordeling door de rechtbank volgt vanaf 6. Aan het eind staan de beslissing van de rechtbank en de gevolgen daarvan.
Procesverloop
2. Met het besluit van 16 februari 2024 heeft het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Haarlem het op 15 oktober 2022 ingediende verzoek om de geheimhouding van delen van het door GvB Integrity Services B.V. opgestelde integriteitsrapport van 22 oktober 2018 te heroverwegen afgewezen. Het verzoek is afgewezen op grond van artikel 4:6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) onder verwijzing naar het besluit van de raad van 4 november 2019. Met het bestreden besluit van 1 oktober 2024 heeft de raad op het bezwaar van eiser tegen de afwijzing beslist. De raad is bij de afwijzing gebleven.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. De raad heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
De rechtbank heeft het beroep op 16 juli 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, bijgestaan door [naam 1] , en de raad, vertegenwoordigd door zijn gemachtigden en door mr. [naam 2] .
Totstandkoming van het bestreden besluit
3. Het college heeft een op 22 december 2018 ingediend verzoek van eiser om openbaarmaking van het onderzoeksdossier “Beïnvloeding herinrichting Dreef”, op grond van de Wet openbaarheid van bestuur (Wob) in eerste instantie afgewezen, maar uiteindelijk gedeeltelijk toegewezen. Het college heeft ten aanzien van delen van het dossier die niet openbaar worden gemaakt zich op het standpunt gesteld dat daarop geheimhouding op grond van de Gemeentewet rust. Daarbij gaat het om delen van het integriteitsrapport van 22 oktober 2018.
4. Op het desbetreffende rapport is op 8 januari 2019 door het college geheimhouding opgelegd op grond van het toenmalige artikel 25 van de Gemeentewet. Op 31 januari 2019 heeft de raad de geheimhouding bekrachtigd. Het bezwaar van eiser tegen de afwijzing van het Wob-verzoek is ook aangemerkt als verzoek aan de raad om opheffing van de geheimhouding van het rapport en door de raad deels ingewilligd. De raad heeft op 4 november 2019 beslist tot opheffing van de geheimhouding voor die delen van het rapport die niet zouden kunnen leiden tot het herkennen van betrokken personen.
5. Op 15 oktober 2022 heeft eiser de raad verzocht om de opgelegde geheimhouding te heroverwegen. Dit verzoek is door het college met het (primaire) besluit van 16 februari 2024 afgewezen met toepassing van artikel 4:6 van de Awb omdat volgens het college sprake is van een herhaald verzoek en nieuwe feiten en omstandigheden ontbreken. Eiser stelt bezwaar in op 19 februari 2024. Met het bestreden besluit van 1 oktober 2024 heeft de raad (het ten aanzien van de geheimhouding bevoegde orgaan) op het bezwaar van eiser beslist. De raad is bij de afwijzing gebleven. Volgens de raad is sprake van een herhaalde aanvraag en heeft eiser daaraan geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden ten grondslag gelegd.
Beoordeling door de rechtbank
Deed eiser een herhaalde aanvraag?
Is sprake van een relevante wijziging van het recht?
Juridisch kader
6. Bij een verzoek om een eerder genomen (en onherroepelijk geworden) besluit te heroverwegen is een bestuursorgaan in het algemeen bevoegd om het verzoek inhoudelijk te behandelen en dan het oorspronkelijke besluit in volle omvang te heroverwegen. Het bestuursorgaan kan er echter ook voor kiezen om het verzoek onder verwijzing naar zijn eerdere besluit af te wijzen. Voorwaarde is dan wel dat niet gebleken mag zijn van een relevante wijziging van het recht, dan wel een (ander) nieuw feit of veranderde omstandigheid als bedoeld in artikel 4:6, tweede lid, van de Awb.
7. Heeft het bestuursorgaan (analoog) aan deze bepaling toepassing gegeven, dan zal de bestuursrechter vervolgens toetsen of het bestuursorgaan zich terecht, en zorgvuldig voorbereid en deugdelijk gemotiveerd, op het standpunt heeft gesteld dat zich geen relevante wijziging van het recht, nieuw feit of veranderde omstandigheid heeft voorgedaan. Als dat het geval is, dan mocht het bestuursorgaan het verzoek afwijzen, tenzij sprake is van een evidente onredelijkheid.
8. Uit vaste rechtspraak volgt dat onder nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden moeten worden begrepen feiten of omstandigheden die na het eerdere besluit zijn voorgevallen of feiten of omstandigheden die weliswaar vóór het eerdere besluit zijn voorgevallen, maar niet vóór dat besluit konden worden aangevoerd. Nieuw gebleken feiten zijn ook bewijsstukken van al eerder gestelde feiten of omstandigheden, als deze niet vóór het nemen van het eerdere besluit konden worden overgelegd. Er is geen sprake van nieuwe feiten of omstandigheden die een nieuwe toetsing rechtvaardigen, indien op voorhand is uitgesloten dat hetgeen alsnog is aangevoerd aan het eerdere besluit kan afdoen.
9. De rechtbank dient eerst de vraag te beantwoorden of van een herhaalde aanvraag sprake is. Het moet dan gaan om een gelijke aanvraag door dezelfde aanvrager aan hetzelfde bestuursorgaan dat eerder op dezelfde rechtsgrondslag een geheel of gedeeltelijk afwijzend besluit heeft genomen. Bij een herhaalde aanvraag moet het ook gaan om een aanvraag tot het in het leven roepen van hetzelfde rechtsgevolg als waarop de eerdere aanvraag zag.
10. Eiser stelt dat geen sprake is van een herhaald verzoek omdat het hem nu niet gaat om de opheffing van de geheimhouding van het volledige onderzoeksrapport, maar alleen van enkele specifieke punten.
11. De rechtbank is van oordeel dat eiser wel een herhaalde aanvraag deed. De raad heeft terecht het standpunt ingenomen dat niet relevant is dat het verzoek nu alleen ziet op een aantal specifieke punten. In 2019 is verzocht om opheffing van de geheimhouding en dat is ook wat eiser nu vraagt. De aanvraag is daarmee gericht op hetzelfde rechtsgevolg. Dat het eiser nu om tien specifieke punten in dat rapport gaat maakt dit niet anders. Die aangedragen punten maken immers deel uit van het volledige rapport, zodat de raad ook over die punten al eerder heeft beslist. Deze beroepsgrond slaagt niet.
Zijn er nieuw gebleken feiten of omstandigheden?
12. Eiser heeft uiteengezet waarom hij vindt dat er alle reden is om inhoudelijk naar de besluitvorming te kijken. Het procesverloop laat volgens hem zien dat er te veel is gelakt en onterecht zaken zijn achtergehouden. Er is veel misgegaan en eiser vindt dat hij dat alsnog aan de orde moet kunnen stellen. Hij is destijds ten onrechte niet in de gelegenheid gesteld om bezwaar te maken tegen de gedeeltelijke opheffing, terwijl er veel niet klopt.
13. De rechtbank stelt vast dat de raad in het opheffingsbesluit van 4 november 2019 geen bezwaarclausule heeft opgenomen. Eiser zegt nooit gewezen te zijn op het kunnen maken van bezwaar tegen het raadsbesluit. Hij zou bezwaar hebben gemaakt als hij daartoe de kans had gehad. Wat eiser probeert met zijn verzoek van 15 oktober 2022 is om daar alsnog (inhoudelijk) tegen op te komen. De vraag is of hierbij sprake is van een nieuw feit dat de raad ertoe had moeten bewegen het besluit (inhoudelijk) te heroverwegen.
14. De rechtbank trekt hier een parallel met de (nieuwe) lijn in de rechtspraak over de verschoonbaarheid van een termijnoverschrijding van een bezwaarschrift. Een termijnoverschrijding is verschoonbaar als de overschrijding niet aan de indiener kan worden toegerekend én het bezwaarschrift is ingediend zo spoedig als dit redelijkerwijs kon worden verlangd. Voor de invulling van het begrip ‘zo spoedig mogelijk’ wordt thans een termijn van zes weken gehanteerd waarbinnen dan alsnog bezwaar kan worden gemaakt.
15. Op 18 mei 2022 heeft de rechtbank uitspraak gedaan op het beroep van eiser met zaaknummer HAA 19/5726, betreffende de besluitvorming van het college over het Wob-verzoek van 22 december 2018. De rechtbank heeft in die uitspraak overwogen: “De rechtbank dient in deze procedure uit te gaan van de juistheid van het raadsbesluit van 4 november 2019. Dat eiser, naar hij stelt, onvoldoende is voorgelicht over de mogelijkheid rechtsmiddelen aan te wenden tegen het raadsbesluit, is niet iets dat de rechtbank in deze procedure kan betrekken.” Hieruit volgt dat eiser in ieder geval al gedurende de in 2019 aangespannen beroepsprocedure over het Wob-verzoek had kunnen weten dat hij een rechtsmiddel kon aanwenden tegen het besluit van 4 november 2019 en dat had hem ertoe moeten bewegen zo spoedig mogelijk alsnog actie te ondernemen. Eiser heeft echter pas gereageerd op 15 oktober 2022. Gelet daarop kan niet worden volgehouden dat eiser zo spoedig als dit redelijkerwijs kon worden verlangd van hem alsnog een poging heeft gedaan tegen het besluit op te komen.
15. Dit maakt naar het oordeel van de rechtbank dat hier niet gesproken kan worden van een nieuw feit of veranderde omstandigheid in de zin van artikel 4:6 van de Awb op grond waarvan de raad het besluit van 4 november 2019 inhoudelijk zou moeten heroverwegen.
17. Eiser betoogt verder dat het juridisch kader is gewijzigd en wel omdat er nu expliciet een beroep wordt gedaan op de artikelen 5.3 en 5.5 van de Wet open overheid (Woo), welke bepalingen nieuw zijn ten opzichte van de voorheen geldende Wob. Daarbij is van belang dat de informatie ondertussen ouder dan vijf jaar is.
18. De raad heeft daartegenover gezet dat de rechtsgrondslag voor de opgelegde geheimhouding niet in de Wob lag, maar in de Gemeentewet. Dat in het vroegere artikel 25, eerste lid, van de Gemeentewet werd verwezen naar de Wob betekent niet dat de rechtsgrondslag daarmee de Wob zou zijn. Dat de Wob is vervangen door de Woo betekent (dus) niet dat er een andere rechtsgrondslag van toepassing is. Dat geldt volgens de raad ook voor het feit dat per 1 april 2023 de Gemeentewet is gewijzigd, waarbij het vroegere artikel 25 is vervangen door de nieuwe artikelen 87 tot en met 89. Het gewijzigde recht ziet enkel op het formele systeem en heeft de inhoudelijke beoordeling niet veranderd. Die wijziging is daarmee niet van belang voor de beoordeling van de voorliggende vraag.
19. De rechtbank volgt de raad hierin. De regeling omtrent geheimhouding in de Gemeentewet vormt een bijzondere regeling die de toepassing van voorheen de Wob en nu de Woo uitsluit. Als het gaat om een verzoek om opheffing van de geheimhouding toetst de bestuursrechter of het bestuursorgaan zich redelijkerwijs op het standpunt heeft kunnen stellen dat zich een belang als bedoeld in voorheen artikel 10 van de Wob en nu artikel 5.1, eerste en tweede lid, van de Woo voordoet en of het bestuursorgaan in het betrokken geval op grond van de Gemeentewet geheimhouding heeft mogen opleggen. Artikel 10 van de Wob, waarnaar de Gemeentewet vroeger verwees, en artikel 5.1 van de Woo, waarnaar de Gemeentewet nu verwijst, zijn, voor zover hier van belang, vergelijkbare bepalingen. De nieuwe artikelen 5.3 en 5.5 van de Woo zijn in dit geval niet van belang, aangezien de Gemeentewet niet naar die artikelen verwijst. Wat eiser wel terecht opwerpt is dat de uitzonderingsgrond van artikel 10, tweede lid, aanhef en onder g, van de Wob over het voorkomen van onevenredige benadeling of bevoordeling niet terug is gekeerd in de opsomming van de relatieve uitzonderingsgronden van artikel 5.1, tweede lid, van de Woo. In zoverre is het recht inderdaad gewijzigd, maar daarmee is nog niet gezegd dat ook sprake is van een voor eiser relevante wijziging van het recht. Naar het oordeel van de rechtbank is dat hier niet aan de orde. Gelet op de motivering op grond waarvan de geheimhouding van delen van het rapport bij het besluit van 4 november 2019 is gehandhaafd, vloeit het handhaven van die geheimhouding kennelijk voort uit het belang van de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer als bedoeld in artikel 10, tweede lid, aanhef en onder e, van de Wob. Omdat hetzelfde belang is opgenomen in artikel 5.1, tweede lid, aanhef en onder e, van de Woo, is hier geen sprake van een voor eiser relevante wijziging van het recht.
Beroep op het gelijkheidsbeginsel
20. Eiser meent dat de raad heeft gehandeld in strijd met het gelijkheidsbeginsel omdat de raad in een andere vergelijkbare kwestie over heroverweging van geheimhouding anders heeft gehandeld. De raad heeft namelijk een andere persoon achteraf wel in de gelegenheid gesteld bezwaar te maken tegen een besluit over geheimhouding op grond van de Gemeentewet.
20. Het is aan degene die zich beroept op dit beginsel, om aannemelijk te maken dat van rechtens vergelijkbare gevallen sprake is. De rechtbank is van oordeel dat eiser daar niet in is geslaagd. De raad heeft er terecht op gewezen dat het bij de door eiser bedoelde persoon ging om tegen Wob-besluiten op bezwaar van het college ingediende beroepschriften die ook tegen recente primaire geheimhoudingsbesluiten van de raad op grond van de Gemeentewet waren gericht. De rechtbank heeft de beroepschriften daarom in zoverre op grond van artikel 6:15 van de Awb aan de raad doorgestuurd voor verdere behandeling als bezwaarschriften. In het geval van eiser is een bezwaar tegen een primair Wob-besluit mede opgevat als verzoek om opheffing van geheimhouding en in zoverre door het college aan de raad doorgestuurd. Eiser heeft pas bijna drie jaar later om heroverweging van het daarop door de raad genomen besluit verzocht.
22. Het beroep op het gelijkheidsbeginsel treft geen doel.
Conclusie en gevolgen
23. De rechtbank is van oordeel dat de raad terecht en met juistheid heeft geoordeeld dat eiser bij zijn verzoek van 15 oktober 2022 geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden heeft vermeld in de zin van artikel 4:6 van de Awb.
23. In hetgeen eiser heeft aangevoerd ziet de rechtbank verder geen aanleiding voor het oordeel dat de afwijzing van het herzieningsverzoek evident onredelijk is.
25. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. drs. J. de Vries, rechter, in aanwezigheid van mr. H.R.A. Horring, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 7 oktober 2025.
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.