ECLI:NL:RBNHO:2025:15715

ECLI:NL:RBNHO:2025:15715, Rechtbank Noord-Holland, 25-03-2025, 15/239051-24

Instantie Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak 25-03-2025
Datum publicatie 20-01-2026
Zaaknummer 15/239051-24
Rechtsgebied Strafrecht
Procedure Eerste aanleg - meervoudig
Zittingsplaats Haarlem

Samenvatting

Veroordeling wegens het plegen van ontuchtige handelingen met een minderjarige (meermalen gepleegd) en het opzettelijk bewegen van een minderjarige tot het plegen van ontuchtige handelingen door giften, beloften van geld/goed of misbruik van uit feitelijke verhoudingen voortvloeiend overwicht (meermalen gepleegd). Bekennende verdachte. De verdachte is veroordeeld tot een gevangenisstraf van 122 dagen waarvan 120 dagen voorwaardelijk met aftrek van de tijd die de verdachte al in verzekering heeft doorgebracht en een proeftijd van 3 jaren met daaraan de bijzondere voorwaarden van een meldplicht bij de reclassering, ambulante behandeling, een contactverbod met het slachtoffer en een middelencontrole. Daarnaast is aan de verdachte een taakstraf van 180 uren opgelegd. Gedeeltelijke toewijzing vordering benadeelde partij wegens materiële en immateriële schade.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Team Straf, zittingsplaats Haarlem

Meervoudige strafkamer

Parketnummer: 15/239051-24 (P)

Uitspraakdatum: 25 maart 2025

Tegenspraak

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 11 maart 2025 in de zaak tegen:

[naam verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 1984 te [geboorteplaats],

ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres

[adres].

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie

mr. B. Rademacher, van wat de verdachte en zijn raadsvrouw, mr. K. Lans, advocaat te IJmuiden en van hetgeen mr. N.M.E. Verpaalen, raadsvrouw van de benadeelde partij, naar voren hebben gebracht.

1. Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

1.

hij op een of meer tijdstippen in de periode van 22 november 2022 tot en met 19 april 2023 te Nieuw-Vennep, gemeente Haarlemmermeer, althans in Nederland, met [het slachtoffer], geboren op [geboortedatum 2], die toen de leeftijd van zestien jaren nog niet had bereikt, buiten echt, een of meer ontuchtige handelingen heeft gepleegd, immers heeft verdachte, met [het slachtoffer], via Snapchat seksueel getinte chatgesprekken gevoerd, waarbij hij, verdachte, [het slachtoffer] (telkens) heeft opgedragen, althans verzocht, ontuchtige handeling(en) bij zichzelf te verrichten en/of (hiervan) foto's en/of filmpjes te maken, te weten het:- geheel ontkleden van haar eigen lichaam en/of- tonen van haar borsten en/of haar billen en/of- met haar eigen hand(en) en/of vinger(s) aanraken/betasten van haar eigen blote vagina en/of- het met haar eigen hand(en) en/of vinger(s) en/of een borstel haar eigen vagina penetreren, en aan welke opdracht(en) en/of verzoek(en) [het slachtoffer] vervolgens (telkens, althans meermalen), heeft voldaan,terwijl hij verdachte (een deel van) die handelingen live kon meekijken via snapchat en/of via toegezonden foto’s en/of filmpjes kon waarnemen;

2.

hij op een of meer tijdstippen in de periode van 22 november 2022 tot en met 19 april 2023 te Nieuw-Vennep, althans in Nederland, telkens door giften en/of beloften van geld en/of goed en/of misbruik van uit feitelijke verhoudingen voortvloeiend overwicht en/of door misleiding, te weten het betalen en/of het in vooruitzicht stellen met/van cadeaubonnen en/of cadeautjes en/of kleding en/of schoenen en/of vapes en/of het overwicht dat hij als verdachte had door het grote leeftijdsverschil tussen hem verdachte en het slachtoffer, een persoon genaamd [het slachtoffer], geboren op [geboortedatum 2], van wie verdachte wist dat deze de leeftijd van achttien jaren nog niet had bereikt, via snapchat opzettelijk heeft bewogen tot het plegen en/of dulden van ontuchtige handelingen, te weten het:- geheel ontkleden van haar eigen lichaam en/of- tonen van haar borsten en/of haar billen en/of- met haar eigen hand(en) en/of vinger(s) aanraken/betasten van haar eigen blote vagina en/of- met haar eigen hand(en) en/of vinger(s) en/of een borstel haar eigen vaginapenetreren,terwijl hij verdachte (een deel van) die handelingen live via snapchat kon meekijken en/of via toegezonden foto’s en/of filmpjes kon waarnemen.

2. Voorvragen

De dagvaarding is geldig, de rechtbank is bevoegd kennis te nemen van de zaak, de officier van justitie is ontvankelijk en er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

3. Beoordeling van het bewijs

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van de onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten.

Standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft zich wat de bewezenverklaring betreft gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

Oordeel van de rechtbank

De rechtbank komt op grond van de feiten en omstandigheden, die zijn opgenomen in de hierna te noemen bewijsmiddelen, tot een bewezenverklaring van de onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten.

De rechtbank heeft vastgesteld dat ten aanzien van de onder 1 en 2 bewezen verklaarde feiten sprake is van een bekennende verdachte als bedoeld in artikel 359, derde lid, laatste volzin, van het Wetboek van Strafvordering. Gelet daarop zal voor deze feiten worden volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen op grond waarvan de rechtbank tot een bewezenverklaring is gekomen:

de bekennende verklaring die de verdachte ter terechtzitting van 11 maart 2025 heeft afgelegd;

een proces-verbaal van bevindingen van 15 februari 2024 (pagina’s 6 e.v. van het procesdossier);

een proces-verbaal van bevindingen van 11 december 2023 (pagina’s 27 e.v. van het procesdossier).

Bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten heeft begaan, met dien verstande dat:

1.

hij in de periode van 20 november 2022 tot en met 19 april 2023 in Nederland, met [het slachtoffer], geboren op [geboortedatum 2], die toen de leeftijd van zestien jaren nog niet had bereikt, buiten echt, ontuchtige handelingen heeft gepleegd, immers heeft verdachte, met [het slachtoffer], via Snapchat seksueel getinte chatgesprekken gevoerd, waarbij hij, verdachte, [het slachtoffer] (telkens) heeft opgedragen, althans verzocht, ontuchtige handeling(en) bij zichzelf te verrichten en/of (hiervan) foto's en/of filmpjes te maken, te weten het:- geheel ontkleden van haar eigen lichaam en/of- tonen van haar borsten en/of haar billen en/of- met haar eigen hand(en) en/of vinger(s) aanraken/betasten van haar eigen blote vagina en/of- het met haar eigen hand(en) en/of vinger(s) en/of een borstel haar eigen vagina penetreren, en aan welke opdrachten en/of verzoeken [het slachtoffer] vervolgens heeft voldaan,terwijl hij verdachte een deel van die handelingen live kon meekijken via snapchat en/of via toegezonden foto’s en/of filmpjes kon waarnemen;

2.

hij in de periode van 20 november 2022 tot en met 19 april 2023 in Nederland, door giften en/of beloften van geld en/of goed en/of misbruik van uit feitelijke verhoudingen voortvloeiend overwicht, te weten het in vooruitzicht stellen van cadeaubonnen en/of cadeautjes en/of kleding en/of schoenen en/of vapes en/of het overwicht dat hij als verdachte had door het grote leeftijdsverschil tussen hem verdachte en het slachtoffer, een persoon genaamd [het slachtoffer], geboren op [geboortedatum 2], van wie verdachte wist dat deze de leeftijd van achttien jaren nog niet had bereikt, via snapchat opzettelijk heeft bewogen tot het plegen van ontuchtige handelingen, te weten het:- geheel ontkleden van haar eigen lichaam en/of- tonen van haar borsten en/of haar billen en/of- met haar eigen hand(en) en/of vinger(s) aanraken/betasten van haar eigen blote vagina en/of- met haar eigen hand(en) en/of vinger(s) en/of een borstel haar eigen vaginapenetreren,terwijl hij verdachte een deel van die handelingen live via snapchat kon meekijken en/of via toegezonden foto’s en/of filmpjes kon waarnemen.

De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten zijn verbeterd. Uit het verhandelde op de terechtzitting is gebleken dat de verdachte daardoor niet geschaad in zijn verdediging.

Wat aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hier als bewezen is aangenomen, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

4. Kwalificatie en strafbaarheid van de feiten

Het onder 1 en 2 bewezenverklaarde levert op:

met iemand beneden de leeftijd van zestien jaren buiten echt ontuchtige handelingen plegen meermalen gepleegd

en

door giften of beloften van geld of goed of misbruik van uit feitelijke verhoudingen voortvloeiend overwicht een persoon waarvan hij weet dat deze de leeftijd van achttien jaren nog niet heeft bereikt, opzettelijk bewegen ontuchtige handelingen te plegen, meermalen gepleegd.

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden waardoor de wederrechtelijkheid aan het bewezenverklaarde zou ontbreken. Het bewezenverklaarde is dan ook strafbaar.

5. Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dan ook strafbaar.

6. Motivering van de sanctie

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 122 dagen met aftrek van de tijd die de verdachte in voorarrest heeft doorgebracht, waarvan 120 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaren. Aan het voorwaardelijk strafdeel dienen de bijzondere voorwaarden zoals geadviseerd door de reclassering te worden verbonden. Daarnaast heeft de officier van justitie gevorderd dat de verdachte een taakstraf voor de duur van 180 uren zal worden opgelegd.

Standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft verzocht om bij de strafoplegging rekening te houden met de persoonlijk omstandigheden van de verdachte, het feit dat hij niet eerder voor een strafbaar feit is veroordeeld en zijn proceshouding. De raadsvrouw heeft verzocht de verdachte een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen en daaraan de door de reclassering geadviseerde bijzondere voorwaarden te verbinden.

Oordeel van de rechtbank

Bij de beslissing over de sancties die aan de verdachte moeten worden opgelegd, heeft de rechtbank zich laten leiden door de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, alsmede de persoon van de verdachte, zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken. In het bijzonder heeft de rechtbank het volgende in aanmerking genomen.

Ernst van het feit

De toen achtendertigjarige verdachte heeft zich gedurende vijf maanden schuldig gemaakt aan het plegen van ontucht met een jong en kwetsbaar meisje. De verdachte wist dat het slachtoffer twaalf jaar oud was. De verdachte heeft zich in die periode ook schuldig gemaakt aan verleiding van het slachtoffer tot het verrichten van ontuchtige handelingen bij zichzelf. De verdachte is via social media met het slachtoffer in contact gekomen en heeft via Snapchat seksueel getinte gesprekken met haar gevoerd. Tijdens deze gesprekken instrueerde de verdachte het slachtoffer op welke manieren zij seksuele handelingen met zichzelf moest verrichten. De verdachte heeft het slachtoffer onder meer beloningen en giften in het vooruitzicht gesteld om haar te bewegen vergaande ontuchtige handelingen bij zichzelf te verrichten. Het slachtoffer heeft hiervan op verzoek van de verdachte foto’s en filmpjes gemaakt en aan hem gestuurd.

Door zo te handelen heeft de verdachte een ernstige inbreuk gemaakt op de seksuele en lichamelijke integriteit van het slachtoffer. Daarnaast is het algemeen bekend dat dergelijk handelen kan leiden tot blijvende psychische schade bij het slachtoffer. Minderjarigen bevinden zich in een kwetsbare ontwikkelingsfase en worden, gezien hun jeugdige leeftijd, geacht niet of in onvoldoende mate in staat te zijn hun seksuele integriteit te bewaken en de gevolgen van hun gedrag te overzien. Daarom moeten zij beschermd worden tegen seksueel misbruik. De rechtbank rekent het de verdachte aan dat hij geen rekening heeft gehouden met het welzijn van het slachtoffer en kennelijk alleen oog heeft gehad voor zijn eigen lustgevoelens.

Persoon van de verdachte

Met betrekking tot de persoon van de verdachte heeft de rechtbank gelet op het op naam van de verdachte staand Uittreksel Justitiële Documentatie (zijn strafblad) van 30 januari 2025, waaruit blijkt dat de verdachte niet eerder voor een strafbaar feit is veroordeeld. De rechtbank heeft verder kennisgenomen van het over de verdachte uitgebrachte reclasseringsrapport van 12 november 2024. In het rapport beschrijft de reclassering – kort samengevat – dat er risicofactoren worden gezien op het gebied van het psychosociaal functioneren en middelengebruik van de verdachte. Volgens de reclassering lijkt er sprake te zijn van een disbalans in draagkracht en draaglast die doorwerkt op het psychosociaal functioneren van de verdachte en mogelijk ook op zijn alcoholgebruik. Verder blijkt uit het rapport dat het gezin van de verdachte naar aanleiding van een onderzoek door Veilig Thuis in vrijwillig kader is aangemeld voor begeleiding vanuit het Centrum voor Jeugd en Gezin. Hoewel het recidiverisico door de reclassering bij zedendelicten wordt ingeschat op laag, acht de reclassering het noodzakelijk om de verdachte te blijven monitoren en heeft zij geadviseerd bij een veroordeling een (deels) voorwaardelijke straf op te leggen, waaraan de volgende dadelijk uitvoerbaar te leggen voorwaarden verbonden dienen te worden:

een meldplicht bij de reclassering;

ambulante behandeling;

een contactverbod met het slachtoffer;

meewerken aan middelencontrole.

De verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij bereid is mee te werken aan eventueel op te leggen bijzondere voorwaarden. Hij heeft reeds op eigen initiatief hulpverlening gezocht en is in vrijwillig kader gestart met een behandeling bij de Waag die mede gericht is op seksueel grensoverschrijdend gedrag.

Conclusie

De rechtbank is van oordeel dat een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf, zoals voorgesteld door de raadsvrouw, onvoldoende recht doet aan de ernst van de bewezen verklaarde feiten. Gelet op de persoon van de verdachte en de proceshouding van de verdachte acht de rechtbank de eis van de officier van justitie passend. De verdachte heeft direct bij de politie en ook ter terechtzitting openheid van zaken gegeven en zijn spijt betuigd. De verdachte wekt bovendien de indruk dat hij doordrongen is van de fout die hij heeft begaan, wat ook blijkt uit het feit dat hij op eigen initiatief hulpverlening heeft gezocht.

Alles afwegende is de rechtbank dan ook van oordeel dat een gevangenisstraf voor de duur van 122 dagen moet worden opgelegd, met aftrek van de tijd die de verdachte al in verzekering heeft doorgebracht. De rechtbank zal bepalen dat een gedeelte daarvan, 120 dagen, vooralsnog niet ten uitvoer zal worden gelegd en zal daaraan een proeftijd verbinden van drie jaren, zodat de verdachte ervan wordt weerhouden zich voor het einde van die proeftijd schuldig te maken aan een strafbaar feit. Daarnaast acht de rechtbank de door de reclassering geadviseerde bijzondere voorwaarden noodzakelijk. Deze voorwaarden zullen worden verbonden aan de voorwaardelijke gevangenisstraf.

Daarnaast zal de rechtbank een taakstraf bestaande uit het verrichten van onbetaalde arbeid van 180 uren opleggen.

7. Vordering benadeelde partij en schadevergoedingsmaatregel

Namens de benadeelde partij [het slachtoffer] is een vordering tot schadevergoeding van € 6.063,95 ingediend tegen de verdachte wegens materiële en immateriële schade die zij als gevolg van de onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten zou hebben geleden, te vermeerderen met de wettelijke rente en de schadevergoedingsmaatregel.

De gestelde materiële schade bedraagt, zoals ter terechtzitting bijgesteld en toegelicht, € 563,95 en bestaat uit de telefoon met beschermhoesje die door de politie in verband met de bewijsvoering in beslag is genomen en vervolgens is vernietigd. De gestelde immateriële schade bedraagt € 5.500,- en wordt gevorderd wegens psychische klachten die de benadeelde partij door het handelen van de verdachte zou hebben opgelopen.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat de vordering wat de materiële schade betreft dient te worden toegewezen. Ten aanzien van de immateriële schade heeft de officier van justitie zich op het standpunt gesteld dat de benadeelde partij op grond van artikel 6:106, aanhef en onder b, van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) recht heeft op schadevergoeding, omdat voldoende onderbouwd is dat de benadeelde partij op andere wijze in haar persoon is aangetast. Met betrekking tot de hoogte van de gevorderde immateriële schade heeft de officier van justitie zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

Standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft ten aanzien van de materiële schade primair aangevoerd dat deze niet het rechtstreekse gevolg is van het handelen van de verdachte en subsidiair dat deze onvoldoende onderbouwd is.

Wat de immateriële schade betreft, heeft de raadsvrouw primair bepleit dat de vordering onvoldoende onderbouwd is. Subsidiair heeft de raadsvrouw verzocht om de hoogte van de gevorderde immateriële schade te matigen en aan te sluiten bij de bedragen in de letselschadebundel.

Oordeel van de rechtbank

Materiële schade

De rechtbank is van oordeel dat uit de vordering, de toelichting daarop en de onderbouwende stukken voldoende voortvloeit dat de benadeelde partij als gevolg van de onder 1 en 2 bewezen verklaarde feiten materiële schade heeft geleden. De als bewijs van de aan de verdachte verweten ontuchtige handelingen in beslag genomen telefoon met bijbehorend hoesje van de benadeelde partij is door de politie vernietigd. De kosten van de telefoon met hoesje staan daarmee in voldoende rechtstreeks verband met de bewezen verklaarde feiten.

De vordering zal voor dit deel dan ook worden toegewezen, vermeerderd met de wettelijke rente van over dit bedrag vanaf 19 april 2023.

Immateriële schade

Ten aanzien van de immateriële schade leidt de rechtbank uit de vordering af dat de benadeelde partij haar vordering grondt op aantasting in de persoon op andere wijze (artikel 6:106, aanhef en onder b BW). Hiervan is sprake als de benadeelde partij geestelijk letsel heeft opgelopen. Degene die zich hierop beroept, zal voldoende concrete gegevens moeten aanvoeren waaruit volgt dat in verband met de omstandigheden van het geval psychische schade is ontstaan. Daartoe is vereist dat naar objectieve maatstaven het bestaan van geestelijk letsel kan worden vastgesteld. Ook als het bestaan van geestelijk letsel in voornoemde zin niet kan worden aangenomen, is niet uitgesloten dat de aard en de ernst van de normschending en de gevolgen daarvan voor de benadeelde meebrengen dat sprake is van de in art. 6:106 lid 1, aanhef en onder b, BW bedoelde aantasting in zijn persoon ‘op andere wijze’. In zo een geval zal degene die zich hierop beroept de aantasting in zijn persoon met concrete gegevens moeten onderbouwen. Dat is slechts anders indien de aard en de ernst van de normschending meebrengen dat de in dit verband relevante nadelige gevolgen daarvan voor de benadeelde zo voor de hand liggen, dat een aantasting in de persoon kan worden aangenomen (HR 15 oktober 2019, ECLI:NL:HR:2019:1465).

De rechtbank is van oordeel dat het bewezen verklaarde handelen van de verdachte een inbreuk vormt op het zelfbeschikkingsrecht en de lichamelijke integriteit van de benadeelde partij en dat de aard en de ernst van de normschending maken dat de nadelige gevolgen hiervan voor de benadeelde partij zo voor de hand liggen, dat aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ kan worden aangenomen. Dat vormt een grondslag voor vergoeding van immateriële schade. Uit de onderbouwing van de vordering tot schadevergoeding blijkt dat de benadeelde partij psychische klachten heeft opgelopen, er is sprake van een posttraumatische stressstoornis en een depressieve stoornis, licht van ernst, waarvoor behandeling is gestart. Hoewel nog onbekend is hoe groot de nadelige psychische gevolgen zullen zijn die de benadeelde partij zal overhouden aan het handelen van de verdachte, staat vast dat zij psychische schade heeft geleden die rechtstreeks verband houdt met de strafbare feiten van de verdachte.

De rechtbank zal de vordering – gelet op de onderbouwing en naar maatstaven van billijkheid – gedeeltelijk toewijzen tot een bedrag van € 2.500,-, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 19 april 2023. De verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden, zodat de vordering voor dat deel zal worden toegewezen. Voor het overige deel zal de benadeelde partij niet-ontvankelijk worden verklaard in de vordering.

De verdachte wordt tevens veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt (tot op heden begroot op nihil) en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog moet maken.

Schadevergoedingsmaatregel

De rechtbank ziet als gevolg van verdachtes onder 1 en 2 bewezen verklaarde handelen [kort gezegd: ontucht met iemand beneden de leeftijd van 16 jaren en verleiding van een minderjarige tot ontucht] aanleiding ter zake van de vordering van de benadeelde partij de schadevergoedingsmaatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr) op te leggen.

8. Toepasselijke wettelijke voorschriften

De volgende wetsartikelen zijn van toepassing:

- 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 36f, 57, 247 en 248a Sr.

9. Beslissing

De rechtbank:

verklaart bewezen dat de verdachte de onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten heeft begaan zoals hiervoor onder 3.4 weergegeven;

verklaart niet bewezen wat aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt hem daarvan vrij;

bepaalt dat de onder 3.4 bewezen verklaarde feiten de hierboven onder 4. vermelde strafbare feiten opleveren;

verklaart de verdachte hiervoor strafbaar;

veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 122 (honderdtweeëntwintig) dagen;

beveelt dat van deze gevangenisstraf een gedeelte, groot 120 (honderdtwintig) dagen niet ten uitvoer zal worden gelegd en stelt daarbij een proeftijd vast van 3 (drie) jaren;

stelt als algemene voorwaarde dat de verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;

stelt als bijzondere voorwaarden dat de verdachte:

- zich binnen vijf dagen na het ingaan van de proeftijd meldt bij Reclassering Nederland op het adres Oostvest 60 te Haarlem. De verdachte blijft zich melden op afspraken met de reclassering, zo vaak en zolang de reclassering dat vindt;

- zich laat behandelen door de Waag of een soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de reclassering. De behandeling duurt de gehele proeftijd of zoveel korter als de reclassering nodig vindt. De verdachte houdt zich aan de huisregels en de aanwijzingen die de zorgverlener geeft voor de behandeling. Gelet op de problematiek kan hieronder ook het innemen van medicijnen vallen, als de zorgverlener dat nodig vindt;

- op geen enkele wijze – direct of indirect – contact heeft of zoekt met het slachtoffer [het slachtoffer], geboren [geboortedatum 2] te [geboorteplaats B], zolang het Openbaar Ministerie dit verbod nodig vindt;

- meewerkt aan controle van het gebruik van alcohol en drugs om het middelengebruik te beheersen. De reclassering kan urineonderzoek en ademonderzoek (blaastest) gebruiken voor de controle. De reclassering bepaalt hoe vaak de verdachte wordt gecontroleerd.

geeft aan voornoemde reclasseringsinstelling de opdracht als bedoeld in artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden.

Voorwaarden daarbij zijn dat de verdachte gedurende de proeftijd:

- ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking zal verlenen aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;

- medewerking zal verlenen aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14c, zesde lid, Sr, de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang als de reclassering dit noodzakelijk acht, daaronder begrepen;

bepaalt dat de tijd die de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van dit vonnis in verzekering heeft doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van het onvoorwaardelijk deel van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht;

veroordeelt de verdachte tot het verrichten van 180 uren taakstraf die bestaat uit het verrichten van onbetaalde arbeid, bij het niet of niet naar behoren verrichten daarvan te vervangen door 90 dagen hechtenis;

wijst toe de vordering tot vergoeding van de door de benadeelde partij [het slachtoffer] geleden schade tot een bedrag van € 3.063,95, bestaande uit € 563,95 als vergoeding voor de materiële schade en € 2.500,- als vergoeding voor de immateriële schade, en veroordeelt de verdachte tot betaling van dit bedrag vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 19 april 2023 tot aan de dag der algehele voldoening, aan [het slachtoffer], voornoemd, tegen behoorlijk bewijs van kwijting.

veroordeelt de verdachte in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging alsnog te maken;

verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering;

legt de verdachte als schadevergoedingsmaatregel ten behoeve van slachtoffer [het slachtoffer] de verplichting op tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 3.063,95, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 40 dagen gijzeling en bepaalt dat het te betalen bedrag wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 19 april 2023 tot aan de dag der algehele voldoening. De toepassing van de gijzeling heft de hiervoor opgelegde betalingsverplichting niet op en

bepaalt dat betalingen aan de benadeelde partij in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de Staat en dat betalingen aan de Staat in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij.

Samenstelling rechtbank en uitspraakdatum

Dit vonnis is gewezen door

mr. G.M.G. Hink, voorzitter,

mr. H.P.H.I. Cleerdin en mr. I.A. Groenendijk, rechters,

in tegenwoordigheid van de griffier mr. L.E.H de Koning,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 25 maart 2025.

Zittende Magistratuur

Rechters

  • mr. G.M.G. Hink
  • mr. H.P.H.I. Cleerdin
  • mr. I.A. Groenendijk

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?