RECHTBANK NOORD-HOLLAND
Team Straf, zittingsplaats Haarlemmermeer
Meervoudige strafkamer
Parketnummer: 15/289781-24 (P)
Uitspraakdatum: 20 oktober 2025
Tegenspraak
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van
6 oktober 2025 in de zaak tegen:
[naam verdachte] ,
geboren op [geboortedatum] 2006 te [geboorteplaats] (Egypte),
ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres:
[adres].
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie
mr. I. Hermans, en van wat de verdachte en zijn raadsman, mr. B. Hartman, advocaat te Amsterdam-Duivendrecht, naar voren hebben gebracht.
1. Tenlastelegging
Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:
1.hij op of omstreeks 19 maart 2024 te Landsmeer, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, zonnebrillen (in totaal met een waarde van ongeveer € 20.000), in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [naam Opticien], in elk geval aan een ander dan aan verdachte en/of zijn mededader(s) toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl deze diefstal werd voorafgegaan, vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen [slachtoffer A] en/of [slachtoffer B] en/of [slachtoffer C] en/of [slachtoffer D], gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden of gemakkelijk te maken, of om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf of andere deelnemers aan het misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, door- met donkere kleding en/of capuchon(s) en/of gezichtsbedekking en/of met een vuurwapen, althans met een op een vuurwapen gelijkend voorwerp en/of een hamer in de hand voornoemde opticien te betreden en/of- [slachtoffer C] (omver) te duwen en/of- te roepen: "ga liggen, ga liggen" en/of "ga liggen of ik schiet", althans woorden van gelijke dreigende aard en/of strekking en/of- te zwaaien en/of dreigen met het vuurwapen, althans met het op een vuurwapen gelijkend voorwerp en/of- een schot te lossen en/of- met een hamer in de hand in de deuropening te blijven staan;
2. hij op of omstreeks 19 maart 2024 te Landsmeer, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, een scooter van het merk Piaggio Vespa Sprint met kenteken [kentekennummer], althans een goed heeft verworven, voorhanden heeft gehad en/of heeft overgedragen, terwijl hij en zijn mededader(s) ten tijde van de verwerving of het voorhanden krijgen van dit goed wist(en), althans redelijkerwijze had(den) moeten vermoeden, dat het een door misdrijf verkregen goed betrof.
2. Voorvragen
De dagvaarding is geldig, de rechtbank is bevoegd kennis te nemen van de zaak, de officier
van justitie is ontvankelijk en er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.
3. Beoordeling van het bewijs
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van de onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten.
Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft zich ten aanzien van de bewezenverklaring gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank komt tot bewezenverklaring van de ten laste gelegde feiten, mede op grond van
de bekennende verklaring van de verdachte als bedoeld in artikel 359, derde lid, laatste volzin, van het Wetboek van Strafvordering. Omdat de verdachte de feiten heeft bekend en door of namens hem geen vrijspraak is bepleit, zal de rechtbank volstaan met de hieronder vermelde opgave van de bewijsmiddelen, te weten:
Ten aanzien van feit 1
(…)
Ten aanzien van feit 2
(…)
De vermelde processen-verbaal zijn in de wettelijke vorm opgemaakt door personen die daartoe bevoegd zijn en voldoen ook aan de daaraan bij wet gestelde eisen.
Bewezenverklaring
De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten heeft begaan, met dien verstande dat
1.hij op 19 maart 2024 te Landsmeer tezamen en in vereniging met anderen zonnebrillen (in totaal met een waarde van ongeveer € 20.000) die geheel of ten dele aan [naam Opticien] toebehoorden heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl deze diefstal werd vergezeld van geweld en bedreiging met geweld tegen [slachtoffer A] en [slachtoffer B] en [slachtoffer C] en [slachtoffer D], gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken, door- met donkere kleding en/of capuchon(s) en/of gezichtsbedekking en/of met een op een vuurwapen gelijkend voorwerp en een hamer in de hand voornoemde opticien te betreden en - [slachtoffer C] te duwen en - te roepen: "ga liggen, ga liggen" en/of "ga liggen of ik schiet", althans woorden van gelijke dreigende aard en/of strekking en - te zwaaien en/of dreigen met het op een vuurwapen gelijkend voorwerp en - een schot te lossen en - met een hamer in de hand in de deuropening te blijven staan.
2. hij op 19 maart 2024 te Landsmeer, tezamen en in vereniging met een of meer anderen een scooter van het merk Piaggio Vespa Sprint met kenteken [kentekennummer] voorhanden heeft gehad, terwijl hij en zijn mededaders ten tijde van het voorhanden krijgen van dit goed redelijkerwijze hadden moeten vermoeden, dat het een door misdrijf verkregen goed betrof.
Hetgeen aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hier als bewezen is aangenomen, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.
4. Kwalificatie en strafbaarheid van de feiten
Het bewezen verklaarde levert op:
Feit 1: diefstal, vergezeld van geweld en bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen.
Feit 2: medeplegen van schuldheling.
Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden waardoor de wederrechtelijkheid aan het bewezen verklaarde zou ontbreken. Het bewezenverklaarde is dus strafbaar.
5. Strafbaarheid van de verdachte
Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.
6. Motivering van de sanctie
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat de rechtbank het jeugdstrafrecht zal toepassen en de verdachte zal veroordelen tot een jeugddetentie voor de duur van 170 dagen, waarvan 139 dagen voorwaardelijk met aftrek van het voorarrest. De officier van justitie heeft verder een werkstraf voor de duur van 200 uur gevorderd.
Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft ook verzocht het jeugdstrafrecht toe te passen, maar heeft verder geen standpunt ingenomen ten aanzien van de strafmaat omdat de verdachte zich kan vinden in de door de officier van justitie gevorderde straf.
Oordeel van de rechtbank
Bij de beslissing over de straffen die aan de verdachte moeten worden opgelegd, heeft de rechtbank zich laten leiden door de aard en de ernst van het bewezen verklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, alsmede de persoon van de verdachte, zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken. In het bijzonder heeft de rechtbank het volgende in aanmerking genomen.
Ernst van de feiten
De verdachte heeft zich samen met anderen schuldig gemaakt aan een gewapende overval op een opticien, waarbij met een alarmpistool een schot is gelost en zonnebrillen ter waarde van ongeveer € 20.000,- zijn weggenomen. De verdachte stond met een hamer in zijn hand bij de deur van de opticien en bestuurde de vluchtscooter. Hij heeft zijn eigen belang om ‘snel geld te verdienen’ voorop gezet en heeft zich hierbij niet bekommerd om de gevolgen voor anderen. De medewerkers van de winkel en de klanten hebben tijdens en na de overval veel angst gehad. Dit soort gewelddadige overvallen veroorzaken behalve bij slachtoffers ook langer durende of zelfs blijvende gevoelens van angst, onrust en onveiligheid in de maatschappij.
Verder heeft de verdachte zich schuldig gemaakt aan het medeplegen van heling van een scooter. De eigenaar van die scooter heeft door de diefstal schade geleden. Door de scooter te helen heeft verdachte indirect van deze diefstal geprofiteerd.
Persoon van de verdachte
Met betrekking tot de persoon van de verdachte heeft de rechtbank gelet op het strafblad van
de verdachte (Uittreksel Justitiële Documentatie) van 6 september 2025. Hieruit blijkt dat de
verdachte niet eerder onherroepelijk is veroordeeld voor soortgelijke feiten. Dit weegt dan
ook niet in zijn nadeel mee. Uit het strafblad blijkt ook dat de verdachte na het plegen van de feiten in andere zaken onherroepelijk is veroordeeld, waardoor artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht van toepassing is.
De rechtbank heeft verder gekeken naar de rapporten van de reclassering van 29 oktober 2024, 12 november 2024 en 15 april 2025. De reclassering schrijft dat zij voorafgaand aan de schorsing van de voorlopige hechtenis van de verdachte risicofactoren zag op het gebied van financiën, dagbesteding, psychosociaal functioneren en sociaal netwerk. Sinds de schorsing zien zowel de reclassering als de betrokken hulpverlening een positieve gedragsverandering bij de verdachte. Hij beschikt over meerdere (bij)banen, heeft een stabiel inkomen en laat zich goed begeleiden. De reclassering ziet de dagbesteding van de verdachte, de betrokkenheid van zijn familie en zijn meewerkende houding als beschermende factoren. De beïnvloedbaarheid van de verdachte blijft een risicofactor, maar de impact van het strafproces en de maatschappelijk geaccepteerde levensdoelen die de verdachte op dit moment nastreeft, lijken hem weerbaarder te maken tegen negatieve invloeden van buitenaf. Gelet op het voorgaande schat de reclassering het risico op recidive in als laag-gemiddeld. Daarnaast is uit onderzoek van de Raad van de Kinderbescherming naar voren gekomen dat de verdachte vaardigheidstekorten heeft. Hierdoor schat hij risicovolle situaties onvoldoende in en kan hij onvoldoende positieve gedragsalternatieven bedenken en inzetten. Het impulsieve en beïnvloedbare karakter van de verdachte speelt hierin een rol. Ook is het vermoeden dat de verdachte functioneert op een licht verstandelijk niveau en heeft hij een taalontwikkelstoornis. In de pedagogische beïnvloedingsmogelijkheden ziet de reclassering redenen voor toepassing van het jeugdstrafrecht. De verdachte stelt zich open voor de sociale, emotionele of praktische ondersteuning of beïnvloeding door (in ieder geval) zijn jeugdreclasseerder en de IFA-coach. Daarnaast is gezinsgerichte pedagogische hulpverlening wenselijk. Bij een veroordeling adviseert de reclassering dan ook het jeugdstrafrecht toe te passen en een (deels) voorwaardelijke straf op te leggen met bijzondere voorwaarden
Daarnaast heeft de rechtbank kennisgenomen van de tussentijdse evaluatie van de jeugdbescherming van 21 mei 2025 en de meest recente update van de toezichthouder van de jeugdbescherming. Hieruit volgt dat de verdachte de positieve veranderingen tijdens zijn schorsing vol heeft weten te houden. Hij heeft zijn doelen behaald en daarmee zijn IFA-traject positief afgesloten. Ook is er zicht op zijn vriendenkring en heeft hij een positieve dagbesteding gevonden. Het elektronisch toezicht is op 15 april 2024 beëindigd.
Met betrekking tot de persoon van de verdachte merkt de rechtbank nog op dat de verdachte op de zitting heeft aangegeven dat hij – gelet op het afgeronde traject – geen meerwaarde (meer) ziet in hulp van de (jeugd)reclassering.
Toepassing van het jeugdstrafrecht?
Wat betreft de vraag of het volwassenstrafrecht of het jeugdstrafrecht moet worden
toegepast, overweegt de rechtbank het volgende. De verdachte was ten tijde van de bewezen verklaarde feiten achttien jaar oud en dus meerderjarig. Het uitgangspunt is dan berechting
volgens het volwassenenstrafrecht. De rechtbank kan, ten aanzien van een verdachte die ten
tijde van het begaan van een strafbaar feit de leeftijd van achttien jaar, maar nog niet de
leeftijd van drieëntwintig jaar heeft bereikt, beslissen het jeugdstrafrecht toe te passen, indien
de rechtbank daartoe grond vindt in de persoonlijkheid van de dader of de omstandigheden
waaronder het feit is begaan.
De rechtbank is – met de officier van justitie, de verdediging en de reclassering – van oordeel dat in dit geval, gelet op de persoonlijkheid van de verdachte, het jeugdstrafrecht toegepast moet worden. Daarbij acht de rechtbank van belang dat het vermoeden bestaat dat de verdachte functioneert op een licht verstandelijk beperkt niveau en dat de verdachte tijdens zijn schorsing pedagogisch beïnvloedbaar is gebleken.
De op te leggen straffen
De rechtbank heeft bij het bepalen van de straf gelet op de oriëntatiepunten voor straftoemeting van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht jeugd en gekeken naar straffen die in soortgelijke zaken zijn opgelegd. Alles afwegende is de rechtbank van oordeel dat de eis van de officier van justitie passend is. De rechtbank zal dan ook een jeugddetentie van 170 dagen opleggen, met aftrek van het voorarrest. Daarvan zullen 139 dagen vooralsnog niet ten uitvoer worden gelegd, zodat het onvoorwaardelijk strafdeel gelijk is aan de duur van het voorarrest. Dit betekent dat de verdachte op dit moment niet terug hoeft naar de gevangenis en dus de kans krijgt om de positieve wending die hij sinds de schorsing van de voorlopige hechtenis aan zijn leven heeft gegeven, door te zetten. Hierbij heeft de rechtbank ook in aanmerking genomen dat de verdachte door zijn bekentenis en houding op de zitting ervan blijk heeft gegeven het laakbare van zijn handelen in te zien en hiervoor verantwoordelijkheid te nemen. De rechtbank zal aan het voorwaardelijk strafdeel een proeftijd verbinden van twee jaar, met als doel dat de verdachte ervan wordt weerhouden zich in de toekomst wederom schuldig te maken aan een strafbaar feit. Gelet op de ernst van de feiten is de rechtbank van oordeel dat daarnaast een onvoorwaardelijke taakstraf voor de duur van 200 uur moet worden opgelegd.
De rechtbank ziet, net als de officier van justitie, geen aanleiding om bijzondere voorwaarden te verbinden aan het voorwaardelijk strafdeel, omdat het reclasseringstoezicht dus geen meerwaarde meer zal hebben. De verdachte heeft tijdens de schorsing van zijn voorlopige hechtenis (die zo’n elf maanden heeft geduurd) zich goed aan zijn voorwaarden gehouden en hij heeft de in de schorsing gestelde doelen inmiddels behaald.
Voorlopige hechtenis
Gelet op het voorgaande zal de rechtbank het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis opheffen.
7. Vordering benadeelde partij
De benadeelde partij [slachtoffer B] heeft een verzoek tot schadevergoeding ingediend wegens immateriële schade die zij als gevolg van het onder 1 ten laste gelegde feit zou hebben geleden zonder hierin een bedrag op te nemen.
Nu de benadeelde partij geen concreet bedrag aan schadevergoeding heeft gevorderd, is de rechtbank van oordeel dat de benadeelde partij niet kan worden ontvangen in haar verzoek tot schadevergoeding. Gelet hierop zal de rechtbank bepalen dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk is in de vordering.
8. Toepasselijke wettelijke voorschriften
De volgende wetsartikelen zijn van toepassing:
- 47, 63, 77c, 77g, 77i, 77m, 77n, 77x, 77y, 77z, 77gg, 312 en 417bis van het Wetboek van Strafrecht.
9. Beslissing
De rechtbank:
Verklaart bewezen dat de verdachte de onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten heeft begaan zoals hiervoor onder 3.4 weergegeven.
Verklaart niet bewezen wat aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt hem daarvan vrij.
Bepaalt dat de bewezen verklaarde feiten de hierboven onder 4. vermelde strafbare feiten opleveren.
Verklaart de verdachte hiervoor strafbaar.
Veroordeelt de verdachte tot een jeugddetentie voor de duur van 170 [honderdzeventig] dagen.
Beveelt dat van deze jeugddetentie een gedeelte, groot 139 [honderdnegenendertig] dagen niet ten uitvoer zal worden gelegd en stelt daarbij een proeftijd vast van twee jaren.
Stelt als algemene voorwaarde dat de verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit.
Bepaalt dat de tijd die de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van dit vonnis in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van het onvoorwaardelijk deel van de opgelegde jeugddetentie in mindering wordt gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.
Veroordeelt de verdachte tot het verrichten van 200 [tweehonderd] uren taakstraf in de vorm van een werkstraf, bij het niet of niet naar behoren verrichten daarvan te vervangen door 100 [honderd] dagen jeugddetentie.
Verklaart de benadeelde partij [slachtoffer B] niet-ontvankelijk in de vordering.
Heft op het reeds geschorste bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte.
Samenstelling rechtbank en uitspraakdatum
Dit vonnis is gewezen door
mr. C.S. Schoorl, voorzitter,
mr. I.M. Hendriks en mr. H.P.H.I. Cleerdin, rechters,
in tegenwoordigheid van de griffiers mr. S. Maerman en mr. E. van Kampen,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 20 oktober 2025.