ECLI:NL:RBNHO:2025:15724

ECLI:NL:RBNHO:2025:15724, Rechtbank Noord-Holland, 20-10-2025, 15/337829-24 en 13/262976-22 (tul)

Instantie Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak 20-10-2025
Datum publicatie 20-01-2026
Zaaknummer 15/337829-24 en 13/262976-22 (tul)
Rechtsgebied Strafrecht
Procedure Eerste aanleg - meervoudig
Zittingsplaats Haarlemmermeer

Samenvatting

De verdachte heeft zich samen met anderen schuldig gemaakt aan een gewapende overval op een opticien, waarbij een schot is gelost en zonnebrillen ter waarde van ongeveer € 20.000,- zijn weggenomen. De verdachte was niet aanwezig bij de overval, maar heeft wel de voorverkenning gedaan en hij had een organiserende rol bij de overval. Geen toepassing jeugdstrafrecht. De verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf van 24 maanden.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Team Straf, zittingsplaats Haarlemmermeer

Meervoudige strafkamer

Parketnummer: 15/337829-24 en 13/262976-22 (tul) (P)

Uitspraakdatum: 20 oktober 2025

Tegenspraak

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van

6 oktober 2025 in de zaak tegen:

[naam verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 2005 te Amsterdam,

ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres:

[adres],

nu gedetineerd in Justitieel Complex Schiphol.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie

mr. I. Hermans, en van wat de verdachte en zijn raadsman, mr. Siccama, advocaat te Amsterdam-Duivendrecht, naar voren hebben gebracht.

1. Tenlastelegging

Aan de verdachte is – kort samengevat – ten laste gelegd dat hij op 19 maart 2024 in Landsmeer samen met anderen een gewapende overval op een opticien heeft gepleegd. Subsidiair is dit tenlastegelegd als de medeplichtigheid aan de overval. Als feit 2 wordt hem verweten dat hij samen met anderen de vluchtscooter voorhanden heeft gehad terwijl hij wist of had moeten vermoeden dat deze was gestolen.

De volledige tenlastelegging luidt dat:

1.

primair

hij op of omstreeks 19 maart 2024 te Landsmeer, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, zonnebrillen (in totaal met een waarde van ongeveer € 20.000), in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [naam Opticien], in elk geval aan een ander dan aan verdachte en/of zijn mededader(s) toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl deze diefstal werd voorafgegaan, vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen [slachtoffer A] en/of [slachtoffer B] en/of [slachtoffer C] en/of [slachtoffer D], gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden of gemakkelijk te maken, of om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf of andere deelnemers aan het misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, door- met donkere kleding en/of capuchon(s) en/of gezichtsbedekking en/of met een vuurwapen, althans met een op een vuurwapen gelijkend voorwerp en/of een hamer in de hand voornoemde opticien te betreden en/of- [slachtoffer C] (omver) te duwen en/of- te roepen: "ga liggen, ga liggen" en/of "ga liggen of ik schiet", althans woorden van gelijke dreigende aard en/of strekking en/of- te zwaaien en/of dreigen met het vuurwapen, althans met het op een vuurwapen gelijkend voorwerp en/of- een schot te lossen en/of- met een hamer in de hand in de deuropening te blijven staan;

subsidiair

[medeverdachte A] en/of [medeverdachte B] op of omstreeks 19 maart 2024 te Landsmeer, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, zonnebrillen (in totaal met een waarde van ongeveer € 20.000), in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [naam Opticien], in elk geval aan een ander dan aan verdachte en/of zijn mededader(s) toebehoorde(n) heeft/hebben weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl deze diefstal werd voorafgegaan, vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen [slachtoffer A] en/of [slachtoffer B] en/of [slachtoffer C] en/of [slachtoffer D], gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden of gemakkelijk te maken, of om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf of andere deelnemers aan het misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, door- met donkere kleding en/of capuchon(s) en/of gezichtsbedekking en/of met een vuurwapen, althans met een op een vuurwapen gelijkend voorwerp en/of een hamer in de hand voornoemde opticien te betreden en/of- [slachtoffer C] (omver) te duwen en/of- te roepen: "ga liggen, ga liggen" en/of "ga liggen of ik schiet", althans woorden van gelijke dreigende aard en/of strekking en/of- te zwaaien en/of dreigen met het vuurwapen, althans met het op een vuurwapen gelijkend voorwerp en/of- een schot te lossen en/of- met een hamer in de hand in de deuropening te blijven staan,bij en/of tot het plegen van welk misdrijf verdachte in de periode van 8 maart 2024 tot en met 1 juni 2024 te Landsmeer en/of te Amsterdam, althans in Nederland, opzettelijk behulpzaam is geweest en/of opzettelijk gelegenheid, middelen en/ofinlichtingen heeft verschaft, door- de Piaggio Vespa Sprint met kenteken [kentekennummer] ter beschikking te stellen om naar en van de plaats delict te gaan en/of- een voorverkenning te doen in voornoemde Opticien en/of- zijn mededaders te vertellen welke zonnebrillen veel waarde hebben en/of op welke locatie in voornoemde Opticien de brillen met veel waarde liggen en/of- het wapen ter beschikking te stellen en/of- zijn mededaders na de overval met een taxi op te halen en/of- de zonnebrillen die zijn mededaders hadden weggenomen in de taxi in ontvangst te nemen en/of- de verdeling van de buit te regelen;

2.

hij in of omstreeks de periode van 12 maart 2024 tot en met 19 maart 2024 te Amsterdam en/of Landsmeer, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, een scooter van het merk Piaggio Vespa Sprint met kenteken [kentekennummer], althans een goed heeft verworven, voorhanden heeft gehad en/of heeft overgedragen, terwijl hij en zijn mededader(s) ten tijde van de verwerving of het voorhanden krijgen van dit goed wist(en), althans redelijkerwijze had(den) moeten vermoeden, dat het een door misdrijf verkregen goed betrof.

2. Voorvragen

De dagvaarding is geldig, de rechtbank is bevoegd kennis te nemen van de zaak, de officier

van justitie is ontvankelijk en er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

3. Beoordeling van het bewijs

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van de onder 1 primair en 2 ten laste gelegde feiten.

Standpunt van de verdediging

Met betrekking tot het onder 1 primair ten laste gelegde feit (medeplegen van de gewapende overval) heeft de raadsman zich op het standpunt gesteld dat geen sprake is geweest van een nauwe en bewuste samenwerking, zodat de verdachte hiervan moet worden vrijgesproken..

Er kan hooguit worden vastgesteld dat de verdachte medeplichtig is geweest aan de overval doordat hij op voorverkenning is geweest. De raadsman heeft zich ten aanzien van het onder 1 subsidiair ten laste gelegde feit dan ook gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank. Met betrekking tot de heling van de scooter (het onder 2 ten laste gelegde feit) heeft de raadsman aangevoerd dat niet kan worden vastgesteld dat de verdachte de scooter voorhanden heeft gehad, zodat de verdachte ook van dit feit moet worden vrijgesproken.

Oordeel van de rechtbank

Vrijspraak ten aanzien van feit 2

Naar het oordeel van de rechtbank is niet wettig en overtuigend bewezen wat de verdachte onder 2 ten laste is gelegd, zodat hij daarvan moet worden vrijgesproken. De rechtbank overweegt daartoe dat er onvoldoende bewijs in het dossier voorhanden is op grond waarvan kan worden vastgesteld op welk moment de verdachte de scooter zou hebben verworven, voorhanden hebben gehad of hebben overgedragen en dat hij toen wist of redelijkerwijs moest vermoeden dat de scooter was gestolen.

Bewijsmiddelen

De rechtbank komt tot bewezenverklaring van het onder 1 primair ten laste gelegde feit op grond van de bewijsmiddelen in de bijlage bij dit vonnis.

Bewijsmotivering ten aanzien van feit 1 primair (gewapende overval)

De rechtbank komt op grond van de bewijsmiddelen en het verhandelde ter terechtzitting tot het oordeel dat bewezen is dat de verdachte medepleger is van de gewapende overval. Zij overweegt hiertoe als volgt.

Verklaringen medeverdachten

De rechtbank gaat uit van de juistheid van de verklaringen van de medeverdachten [medeverdachte A] en [medeverdachte B]. De medeverdachten hebben beiden bekend dat zij op 19 maart 2024 een gewapende overval hebben gepleegd op de winkel [naam Opticien] in Landsmeer. Zij hebben de overval gepleegd in opdracht van één persoon, wiens naam zij niet willen noemen. De verklaringen van de medeverdachten acht de rechtbank betrouwbaar en bruikbaar voor het bewijs, nu deze op meerdere, in het licht van de bewezenverklaring relevante onderdelen consistent zijn en steun vinden in andere bewijsmiddelen. Gezien het voorgaande, en mede in aanmerking genomen dat de medeverdachten zichzelf aanzienlijk belasten, ziet de rechtbank geen aanleiding te twijfelen aan de betrouwbaarheid van de verklaringen van de medeverdachten.

Uit de verklaringen van de medeverdachten komt met betrekking tot de rol van de opdrachtgever onder meer het volgende naar voren:

de opdrachtgever heeft hen instructies gegeven over waar ze naartoe moesten, waar de brillen lagen en wat ze moesten doen. Hierbij zijn foto’s getoond van de optiek en foto’s van de brillen die ze mee moesten nemen;

de opdrachtgever heeft de instructie gegeven dat medeverdachte [medeverdachte B] een alarmpistool moest ophalen voor de overval;

de opdrachtgever heeft de vluchtplaats geregeld waar zij na de overval heen moesten;

de opdrachtgever heeft hen opgehaald bij de vluchtplaats met een taxi en heeft in de taxi de buit en het alarmpistool in ontvangst genomen.

Betrokkenheid verdachte

De verdachte heeft op zitting ontkend de opdrachtgever te zijn geweest. Hij zou enkel op 14 maart 2024 op verzoek van een ander de voorverkenning voor de overval hebben gedaan door naar de winkel te gaan en daar een zonnebril te passen. Een grotere betrokkenheid bij de overval heeft hij niet gehad, aldus de verdachte. De rechtbank zal deze verklaring als ongeloofwaardig terzijde stellen. In het dossier bevinden zich namelijk bewijsmiddelen waaruit het medeplegen van de overval door de verdachte blijkt.

De rechtbank stelt voorop dat de verdachte op de zitting heeft bekend dat het telefoonnummer eindigend op -[XXXX] zijn telefoonnummer is. Met dit nummer heeft de verdachte op de dag van de voorverkenning (14 maart 2024) vier, en op de dag van de overval (19 maart 2024) negen gesprekken gevoerd met medeverdachte [medeverdachte A]. Ook blijkt dat de verdachte de eerste persoon is die [medeverdachte A] heeft gebeld na de overval.

Op grond van de verklaringen van [medeverdachte A] en [medeverdachte B] kan worden vastgesteld dat de opdrachtgever hen met een taxi heeft opgehaald bij de woning van [Naam A] en in de taxi de zonnebrillen en het alarmpistool in ontvangst heeft genomen. De rechtbank neemt aan dat de verdachte degene is geweest die naar aanleiding van het telefoontje van [medeverdachte A] met de taxi naar de woning van [Naam A] is gekomen om daar [medeverdachte A] en [medeverdachte B] op te halen en de zonnebrillen en het wapen in ontvangst te nemen.

Daarvoor acht de rechtbank ook de gesprekken van belang die op het telefoonnummer eindigend op -[YYYY] zijn aangetroffen. Ook dit telefoonnummer kan naar het oordeel van de rechtbank aan de verdachte worden toegeschreven. Uit de telefoongegevens van de medeverdachte [medeverdachte C] blijkt dat [medeverdachte C] aan de contactpersoon ‘Biga’ met het telefoonnummer eindigend op -[YYYY] op 23 november 2023 een tekstbericht heeft gestuurd met daarin de tekst voor een sollicitatiebrief uit naam van [naam verdachte]. Verder wordt op 28 november 2023 aan ‘Biga’ gevraagd naar ‘zijn telefoonnummer’, waarop deze persoon het telefoonnummer eindigend op -[XXXX] terugstuurt. Ook straalt dit telefoonnummer gedurende de nacht vooral zendmasten aan die dekking geven aan het woonadres van de verdachte.

Uit de telefoongegevens van [medeverdachte A] blijkt dat hij op 22 maart 2024 een chatgesprek heeft gevoerd met het nummer eindigend op -[YYYY] (wat dus wordt toegeschreven aan de verdachte) waarin [medeverdachte A] stuurt: “Yo haal ze voor 450 weg”, “6x 450 is 2700” en “Hou jij die 1 bril en neem die 700 en dan neem ik kop en die andere kop”, waarbij ‘kop’ straattaal is voor € 1.000. [medeverdachte A] heeft verklaard dat dit gesprek ging over de prijs van de bij de overval weggenomen zonnebrillen. De brillen waren bij de verdachte en [medeverdachte A] probeerde een deal te maken omdat hij zo snel mogelijk zijn geld wilde, zo heeft hij verklaard. Vervolgens heeft er op 24 mei 2024 een chatgesprek met het nummer -[XXXX] plaatsgevonden waarin de verdachte ook spreekt over de verkoop van “plangas”, straattaal voor zonnebrillen. Nu de verdachte geen alternatieve lezing heeft gegeven van de betekenis van deze chatgesprekken, kan de rechtbank deze chatgesprekken niet anders begrijpen dan dat hierin door de medeverdachten onderling wordt gesproken over de bij de overval weggenomen zonnebrillen.

Conclusie

Gelet op de hiervoor genoemde feiten en omstandigheden – waarbij de rechtbank uiteraard ook meeneemt dat de verdachte (na camerabeelden te hebben gezien) heeft bekend dat hij enkele dagen voor de overval een voorverkenning heeft gedaan bij de betreffende opticien – concludeert de rechtbank dat de verdachte als medepleger van de overval moet worden beschouwd. De verdachte is betrokken geweest door (i) de medeverdachten te instrueren welke zonnebrillen zij moesten meenemen, (ii) hen een alarmpistool mee te geven, (iii) hen op te halen met een taxi en het in ontvangst nemen van de gestolen goederen en het alarmpistool en (iv) het verdelen van de opbrengst van de buit. De verdachte kan gelet hierop als de opdrachtgever, en dus als medepleger, worden gezien.

De rechtbank is van oordeel dat uit het vorenstaande volgt dat het onder 1 primair ten laste gelegde feit wettig en overtuigend bewezen.

Bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 primair ten laste gelegde feit heeft begaan, met dien verstande dat

1.

Primair

hij op 19 maart 2024 te Landsmeer tezamen en in vereniging met anderen zonnebrillen (in totaal met een waarde van ongeveer € 20.000) die geheel of ten dele aan [naam Opticien] toebehoorden heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl deze diefstal werd vergezeld van geweld en bedreiging met geweld tegen [slachtoffer A] en [slachtoffer B] en [slachtoffer C] en [slachtoffer D], gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken, door- met donkere kleding en/of capuchon(s) en/of gezichtsbedekking en/of met een op een vuurwapen gelijkend voorwerp en een hamer in de hand voornoemde opticien te betreden en - [slachtoffer C] te duwen en - te roepen: "ga liggen, ga liggen" en/of "ga liggen of ik schiet", althans woorden van gelijke dreigende aard en/of strekking en - te zwaaien en/of dreigen met een op een vuurwapen gelijkend voorwerp en - een schot te lossen en - met een hamer in de hand in de deuropening te blijven staan.

Hetgeen aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hier als bewezen is aangenomen, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

4. Kwalificatie en strafbaarheid van het feit

Het bewezen verklaarde levert op:

Feit 1 primair: diefstal, vergezeld van geweld en bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen.

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden waardoor de wederrechtelijkheid aan het bewezen verklaarde zou ontbreken. Het bewezen verklaarde is dus strafbaar.

5. Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

6. Motivering van de sanctie

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte voor feit 1 primair en feit 2 zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 32 maanden, met aftrek van de tijd die de verdachte in voorarrest heeft doorgebracht.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft primair verzocht het jeugdstrafrecht toe te passen en aan de verdachte een jeugddetentie op te leggen gelijk aan de duur van het voorarrest, in combinatie met een voorwaardelijke jeugddetentie onder bijzondere voorwaarden. Subsidiair heeft de raadsman verzocht aan de verdachte een gevangenisstraf op te leggen gelijk aan de duur van het voorarrest, in combinatie met een voorwaardelijke gevangenisstraf onder bijzondere voorwaarden.. Hierbij heeft de raadsman gewezen op de proceshouding van de verdachte, zijn jeugdige leeftijd en de aanzienlijke duur van het voorarrest. Ook heeft de raadsman verzocht om opheffing van de voorlopige hechtenis bij einduitspraak.

Oordeel van de rechtbank

Bij de beslissing over de straf die aan de verdachte moet worden opgelegd, heeft de rechtbank zich laten leiden door de aard en de ernst van het bewezen verklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, alsmede de persoon van de verdachte, zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken. In het bijzonder heeft de rechtbank het volgende in aanmerking genomen.

Ernst van het feit

De verdachte heeft zich samen met anderen schuldig gemaakt aan een gewapende overval op een opticien, waarbij een schot is gelost en zonnebrillen ter waarde van ongeveer € 20.000,- zijn weggenomen. De verdachte was niet aanwezig bij de overval, maar heeft wel de voorverkenning gedaan en hij had een organiserende rol bij de overval. De verdachte streek een deel van de buit op, terwijl de jongens die de gewapende overval uitvoerden alle risico’s liepen. Daarmee heeft de verdachte zijn eigen belang om ‘snel geld te verdienen’ voorop gezet en heeft hij zich hierbij niet bekommerd om de gevolgen voor anderen. De medewerkers van de winkel en de klanten hebben tijdens en na de overval veel angst gehad. Dit soort gewelddadige overvallen veroorzaken behalve bij slachtoffers ook langer durende of zelfs blijvende gevoelens van angst, onrust en onveiligheid in de maatschappij. De rechtbank neemt het de verdachte kwalijk dat hij geen enkele verantwoordelijkheid voor zijn gedrag heeft genomen.

Persoon van de verdachte

Met betrekking tot de persoon van de verdachte heeft de rechtbank gelet op het strafblad van

de verdachte (Uittreksel Justitiële Documentatie) van 28 februari 2025. Hieruit blijkt dat de

verdachte eerder onherroepelijk is veroordeeld voor een soortgelijk feit. Bovendien liep de verdachte op het moment van het plegen van dit feit nog in een proeftijd. De rechtbank weegt deze omstandigheid ten nadele van de verdachte mee bij het opleggen van een straf. Uit het strafblad blijkt ook dat de verdachte na het plegen van dit feit in een andere zaak onherroepelijk is veroordeeld, waardoor artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht van toepassing is.

De rechtbank heeft verder gekeken naar de rapporten van de reclassering van 8 januari 2025, 7 februari 2025 en 28 april 2025. De reclassering schat het risico op recidive in als hoog. De reclassering constateert (mogelijke) zorgen op het gebied van dagbesteding, sociaal netwerk en psychisch welzijn. Hoewel de verdachte de feiten stellig ontkent, heeft hij aangegeven bereid te zijn medewerking te verlenen aan een reclasseringstoezicht. De reclassering adviseert bij een veroordeling een (deels) voorwaardelijke straf op te leggen met als bijzondere voorwaarden (i) een meldplicht bij de reclassering, (ii) een ambulante behandeling, (iii) het volgen van een opleiding en (iv) het vinden van een dagbesteding. Ook adviseert de reclassering het volwassenenstrafrecht toe te passen. De reclassering ziet, behalve de leeftijd van de verdachte, geen aanknopingspunten voor het toepassen van jeugdstrafrecht. Voor zover bekend is geen sprake van cognitieve beperkingen of noodzaak voor het inzetten van jeugdinterventies. De verdachte lijkt niet open te staan voor pedagogische beïnvloeding en gaat niet naar school. Tot slot heeft ook de jeugdreclassering laten weten geen mogelijkheden meer te zien in een begeleidingstraject in het kader van het jeugdstrafrecht.

Toepassing van het jeugdstrafrecht?

Wat betreft de vraag of het volwassenstrafrecht of het jeugdstrafrecht moet worden

toegepast, overweegt de rechtbank het volgende. De verdachte was ten tijde van het bewezen verklaarde feit achttien jaar oud en dus meerderjarig. Het uitgangspunt is dan berechting

volgens het volwassenenstrafrecht. De rechtbank kan, ten aanzien van een verdachte die ten

tijde van het begaan van een strafbaar feit de leeftijd van achttien jaar, maar nog niet de

leeftijd van drieëntwintig jaar heeft bereikt, beslissen het jeugdstrafrecht toe te passen, indien

de rechtbank daartoe grond vindt in de persoonlijkheid van de dader of de omstandigheden

waaronder het feit is begaan.

De rechtbank ziet, gelet op de rapporten van de reclassering en de indruk die de rechtbank van de verdachte tijdens de zitting heeft gekregen, onvoldoende aanknopingspunten voor het toepassen van het jeugdstrafrecht. Bij de bepaling van de straftoemeting zal de rechtbank wel rekening houden met de jonge leeftijd van de verdachte.

De op te leggen straf

De rechtbank heeft bij het bepalen van de hoogte van de straf rekening gehouden met de oriëntatiepunten van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht en gekeken naar straffen die in vergelijkbare zaken worden opgelegd. Alles afwegende en met name gelet op de hiervoor besproken ernst van het feit, de rol die de verdachte hierin heeft gehad en zijn strafblad, kan naar het oordeel van de rechtbank niet anders worden gereageerd dan met het opleggen van een langdurige onvoorwaardelijke gevangenisstraf. Gelet op de jeugdige leeftijd van de verdachte, in samenhang bezien met de geldende oriëntatiepunten en de vrijspraak voor de heling van de scooter, ziet de rechtbank aanleiding om een gevangenisstraf van kortere duur op te leggen dan de officier van justitie heeft gevorderd. Alles afwegende is de rechtbank van oordeel dat een gevangenisstraf van 24 maanden moet worden opgelegd.

De rechtbank ziet gelet op de ernst van het feit en de proceshouding van de verdachte geen aanleiding een gedeelte van deze straf voorwaardelijk op te leggen (en daaraan bijzondere voorwaarden zoals geadviseerd door de reclassering te verbinden). Daar komt bij dat deze voorwaarden ook in het kader van de voorwaardelijk invrijheidstelling door de reclassering kunnen worden geformuleerd.

Tenuitvoerlegging

Tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat aan de verdachte voorwaardelijke invrijheidstelling wordt verleend als bedoeld in artikel 6:2:10 van het Wetboek van Strafvordering.

7. Vordering benadeelde partij

De benadeelde partij [slachtoffer B] heeft een verzoek tot schadevergoeding ingediend wegens immateriële schade die zij als gevolg van het onder 1 ten laste gelegde feit zou hebben geleden zonder hierin een bedrag op te nemen.

Nu de benadeelde partij geen concreet bedrag aan schadevergoeding heeft gevorderd, is de rechtbank van oordeel dat de benadeelde partij niet kan worden ontvangen in haar verzoek tot schadevergoeding. Gelet hierop zal de rechtbank bepalen dat de benadeelde partij niet- ontvankelijk is in de vordering.

8. Vordering tot tenuitvoerlegging

Bij vonnis van 8 augustus 2023 in de zaak met parketnummer 13/262976-22 heeft de kinderrechter van de rechtbank Amsterdam de verdachte voor diefstal in vereniging met braak, mishandeling, bedreiging, diefstal en diefstal in vereniging met verbreking veroordeeld tot onder meer een voorwaardelijke werkstraf van 75 uur. Ten aanzien van die voorwaardelijke straf is de proeftijd op twee jaar bepaald onder (onder meer) de algemene voorwaarde dat de verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit. De mededeling als bedoeld in artikel 366a van het Wetboek van Strafvordering is op 18 september 2023 aan de verdachte toegezonden. De bij genoemd vonnis vastgestelde proeftijd is ingegaan op 23 augustus 2023.

De officier van justitie vordert nu dat de rechtbank zal gelasten dat die voorwaardelijke straf alsnog ten uitvoer zal worden gelegd.

De rechtbank heeft bij het onderzoek ter terechtzitting bevonden dat zij bevoegd is over de vordering te oordelen en dat de officier van justitie daarin ontvankelijk is. De rechtbank is van oordeel dat de vordering dient te worden toegewezen, nu uit de overige inhoud van dit vonnis blijkt dat de verdachte de voorwaarde dat hij zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit niet heeft nageleefd. De rechtbank neemt hierbij tevens in aanmerking dat ook in die zaak geweldsfeiten bewezen zijn verklaard.

9. Toepasselijke wettelijke voorschriften

De volgende wetsartikelen zijn van toepassing:

- 47, 63 en 312 van het Wetboek van Strafrecht.

10. Beslissing

De rechtbank:

Verklaart niet bewezen wat aan de verdachte onder 2 is ten laste gelegd en spreekt hem daarvan vrij.

Verklaart bewezen dat de verdachte het onder 1 primair ten laste gelegde feit heeft begaan zoals hiervoor onder 3.4 weergegeven.

Verklaart niet bewezen wat aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt hem daarvan vrij.

Bepaalt dat het bewezen verklaarde feit het hierboven onder 4. vermelde strafbare feit oplevert.

Verklaart de verdachte hiervoor strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 24 [vierentwintig] maanden.

Bepaalt dat de tijd die de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van dit vonnis in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Verklaart de benadeelde partij [slachtoffer B] niet-ontvankelijk in de vordering.

Wijst toe de vordering van de officier van justitie tot tenuitvoerlegging in de zaak met parketnummer 13/262976-22 en gelast de tenuitvoerlegging van de niet ten uitvoer gelegde werkstraf, bestaande uit het verrichten van onbetaalde arbeid voor de duur van 75 [vijfenzeventig] uren, opgelegd bij vonnis van de kinderrechter van de rechtbank Amsterdam van 8 augustus 2023. De werkstraf wordt vervangen door 37 dagen jeugddetentie als deze niet goed wordt uitgevoerd.

Samenstelling rechtbank en uitspraakdatum

Dit vonnis is gewezen door

mr. C.S. Schoorl, voorzitter,

mr. I.M. Hendriks en mr. H.P.H.I. Cleerdin, rechters,

in tegenwoordigheid van de griffiers mr. S. Maerman en mr. E. van Kampen,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 20 oktober 2025.

Zittende Magistratuur

Rechters

  • mr. C.S. Schoorl
  • mr. I.M. Hendriks
  • mr. H.P.H.I. Cleerdin

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?