ECLI:NL:RBNHO:2025:15739

ECLI:NL:RBNHO:2025:15739, Rechtbank Noord-Holland, 20-10-2025, 15/024441-23

Instantie Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak 20-10-2025
Datum publicatie 20-01-2026
Zaaknummer 15/024441-23
Rechtsgebied Strafrecht
Procedure Eerste aanleg - meervoudig
Zittingsplaats Haarlemmermeer

Samenvatting

Veroordeling voor medeplichtigheid aan medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder B en D van de Opiumwet gegeven verbod. De verdachte is medeplichtig geweest aan het produceren van amfetamine en metamfetamine door een deel van de door hem gehuurde loods onder te verhuren. In de loods is een dodelijk slachtoffer aangetroffen. Overschrijding van de redelijke termijn. De verdachte wordt veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf van 4 maanden met een proeftijd van 2 jaren en een taakstraf van 200 uren. Tevens oplegging maatregel kostenverhaal voor een bedrag van € 4.000,00.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Team Straf, zittingsplaats Haarlemmermeer

Meervoudige strafkamer

Parketnummer: 15/024441-23 (P)

Uitspraakdatum: 20 oktober 2025

Tegenspraak

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van

6 oktober 2025 in de zaak tegen:

[naam verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 1965 te [geboorteplaats],

ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres:

[adres].

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie

mr. M. Kubbinga, en van wat de verdachte en zijn raadsman, mr. S.J. van Galen, advocaat te Purmerend, naar voren hebben gebracht.

1. Tenlastelegging

Aan de verdachte is – samengevat – ten laste gelegd dat hij door het verhuren/ter beschikking stellen van een ruimte medeplichtig is aan het medeplegen van het bereiden, bewerken, verwerken, verkopen, afleveren, verstrekken, vervoeren, vervaardigen en/of aanwezig hebben van amfetamine en/of metamfetamine in de periode van 22 september 2022 tot en met 28 oktober 2022 in Zaandam.

De volledige tenlastelegging luidt dat:

[medeverdachte A] en/of één of meer onbekend gebleven perso(o)nen op één of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 22 september 2022 tot en met 28 oktober 2022 te Zaandam, gemeente Zaanstad, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, (telkens) opzettelijk heeft/hebben bereid en/of bewerkt en/of verwerkt en/of verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd en/of opzettelijk heeft/hebben vervaardigd en/of opzettelijk aanwezig heeft/hebben gehad, (een) hoeveelhe(i)d(en) van een materiaal bevattende amfetamine(base) en/of (een) hoeveelhe(i)d(en) van een materiaal bevattende metamfetamine(base), zijnde amfetamine en/of metamfetamine (telkens) een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet, tot en/of bij het plegen van welk(e) misdrijf/misdrijven hij, verdachte [naam verdachte], op één of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 22 september 2022 tot en met 28 oktober 2022 te Zaandam, gemeente Zaanstad, althans in Nederland, (telkens) opzettelijk gelegenheid en/of middelen en/of inlichtingen heeft verschaft en/of opzettelijk behulpzaam is geweest, door aan die [medeverdachte A] en/of onbekend gebleven (andere) persoon/personen (ruimte[n] in/van) een (bedrijfs)pand (op/aan het adres [X-straat] te Zaandam) (onder) te verhuren en/of ter beschikking te stellen (ten behoeve van de bereiding, bewerking, verwerking en/of vervaardiging en/of aanwezig hebben van amfetamine(base) en/of metamfetamine(base), in elk geval (een) middel(en) vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I,).

2. Voorvragen

De dagvaarding is geldig, de rechtbank is bevoegd kennis te nemen van de zaak, de officier

van justitie is ontvankelijk en er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

3. Beoordeling van het bewijs

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het ten laste gelegde feit.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat de verdachte moet worden vrijgesproken van het ten laste gelegde feit, omdat uit het dossier niet kan worden afgeleid dat bij de verdachte sprake is geweest van opzet op het gronddelict.

Oordeel van de rechtbank

Bewijsmiddelen

De rechtbank komt tot bewezenverklaring van het ten laste gelegde feit op grond van de bewijsmiddelen in de bijlage bij dit vonnis.

Bewijsoverweging

Feiten en omstandigheden

De rechtbank stelt op grond van het dossier en het verhandelde ter terechtzitting het volgende

vast. Op 28 oktober 2022 omstreeks 8:12 uur heeft de verdachte een melding gedaan van een brand in de door hem gehuurde loods aan de [X-straat] in Zaandam. In de loods werd een dodelijk slachtoffer aangetroffen. Er bleek geen sprake te zijn van een brand maar van een zogenaamde ‘cookover’, die was ontstaan in een in de loods aanwezige productieplaats van synthetisch drugs. Deze productieplaats bevond zich in een door de verdachte onderverhuurde ruimte (in het dossier ook wel ‘ruimte B’ genoemd). Het team Landelijke Faciliteit Ontmantelen (LFO) heeft nader onderzoek gedaan naar het drugslaboratorium. In ruimte B werd een kookopstelling voor de productie van verdovende middelen aangetroffen, onder andere bestaande uit een ketel met daaronder een brander. Aansluitend aan ruimte B zat een keuken (in het dossier ook wel ‘ruimte C’ genoemd) en een opslagruimte (in het dossier ook wel ruimte ‘D’ genoemd). Ook in deze ruimten stonden verschillende goederen en chemicaliën. De aangetroffen goederen en chemicaliën zijn typische goederen en chemicaliën die aangetroffen worden op locaties waar synthetische drugs vervaardigd of bewerkt worden. Monsters van aangetroffen chemicaliën zijn naar het Nederlands Forensisch Instituut (NFI) verstuurd voor onderzoek. Het NFI heeft in het onderzoeksmateriaal onder andere amfetamine en metamfetamine aangetroffen.

In het gedeelte van de loods dat door de verdachte zelf werd gebruikt (in het dossier ook wel ‘ruimte A’ genoemd) werden meerdere vuilniszakken met daarin drugsafval aangetroffen.

De medeverdachte [medeverdachte A] heeft verklaard dat hij vanaf 22 september 2022 tot aan 2 oktober 2022 amfetamine heeft geproduceerd in het drugslaboratorium. Daarna heeft een ander persoon de productie overgenomen. De aangetroffen goederen en chemicaliën waren geregeld door anderen. [medeverdachte A] is inmiddels onherroepelijk veroordeeld voor de productie van harddrugs in de bovengenoemde loods.

De vraag is óf en zo ja, in hoeverre de verdachte wetenschap had of had moeten hebben van het bestaan van het drugslaboratorium in de door hem gehuurde en door hem gedeeltelijk onderverhuurde loods.

Verklaring van de verdachte

Ten aanzien van de totstandkoming van de onderhuurovereenkomst heeft de verdachte het volgende verklaard.

Hij had de ruimten, waaronder de ruimte waarin het drugslaboratorium is aangetroffen, onderverhuurd aan [naam B] en twee oudere mannen die hij niet bij naam kende. Ze deden loodgieterswerk. Hij is met hen in contact gekomen bij zakelijke evenementen van de Hornbach te Zaandam. Daar werd hem gevraagd of hij een ruimte te huur had. Hij heeft daarvoor een onderhuurcontract opgesteld dat op 1 oktober 2022 in is gegaan. Deze onderhuurovereenkomst is door zowel hem als [naam B] ondertekend, maar de ondertekende overeenkomst heeft hij niet kunnen vinden. [naam B] heeft bij het aangaan van de onderhuurovereenkomst een identiteitskaart getoond en die heeft de verdachte vervolgens achtergehouden totdat de huur zou worden overgemaakt op zijn bankrekening. Hij heeft alleen gekeken naar de foto op de identiteitskaart en heeft niet gezien dat de identiteitskaart verlopen was.

Hij kwam regelmatig in ruimte A van de loods. De aangetroffen vuilniszakken met drugsafval zijn niet van hem. Hij weet niet hoe die vuilniszakken daar zijn gekomen.

Hij kon zelf de onderverhuurde ruimten niet in omdat hij daar geen sleutel van had.

De verdachte heeft over de gebeurtenissen ná de brand het volgende verklaard.

Hij arriveerde op 28 oktober 2022 omstreeks 7:30 uur bij de loods. Hij zag vóór zijn loods viezigheid op de grond en rook een onprettige lucht. Hij is toen samen met getuige [getuige A], een buurman van het naastgelegen pand, gaan kijken en trof het dodelijk slachtoffer aan. Vervolgens is ook getuige [getuige B], een buurman van een ander naastgelegen pand, gaan kijken.

Beide getuigen zouden volgens de verdachte tegen hem hebben gezegd dat hij eerst hun spullen veilig moest stellen uit de loods. Dat heeft hij gedaan.

De verdachte was op dat moment zo in paniek dat [getuige B] vervolgens heeft gezegd dat hij een blokje om moest lopen en daarna de politie moest bellen.

Tijdens het blokje om, en voordat de verdachte de politie kon bellen, werd hij door een man met een mes beroofd van zijn telefoon. Vervolgens heeft hij met de telefoon van getuige [getuige B] melding gemaakt bij de politie.

Oordeel van de rechtbank

De rechtbank is van oordeel dat de verklaring van de verdachte als ongeloofwaardig terzijde moet worden gesteld. Daarbij acht de rechtbank het volgende van belang.

De rechtbank stelt allereerst vast dat [naam B] niet degene is geweest die de ruimte ondergehuurd heeft. De identiteitskaart die bij de verdachte is gevonden, heeft [naam B] als vermist opgegeven en uit niets blijkt dat hij iets met een loods in Zaandam te maken heeft gehad. Op de onderhuurovereenkomst ontbreekt een handtekening van [naam B], evenals zijn adres- of contactgegevens. De rechtbank acht onaannemelijk dat de verdachte een onderhuurovereenkomst heeft gesloten met iemand die zodanig veel leek op [naam B] (die blijkens de afgiftedatum van de identiteitskaart op de foto net zestien jaar oud was) dat dit bij de verdachte geen twijfel hoefde op te roepen.

Van de twee ‘oudere mannen’ – waarvan de verdachte zegt dat hij ze al langere tijd kende via de Hornbach – weet hij geen enkel detail te vertellen dat zou kunnen leiden tot hun identificatie. Uit de huurovereenkomst tussen verdachte en de verhuurder blijkt dat onderverhuur niet was toegestaan. Hoewel de verdachte heeft verklaard dat de verhuurder toestemming had gegeven voor de onderverhuur, wordt dit door de verhuurder weersproken.

Verder is van belang dat de (niet ondertekende) onderhuurovereenkomst een ingangsdatum van 1 oktober 2022 vermeldt, terwijl [medeverdachte A] heeft verklaard dat hij op 22 september 2022 is begonnen met de productie van harddrugs in de loods van de verdachte. Deze verklaring wordt ondersteund door de zendmastgegevens van [medeverdachte A] telefoon.

Ook acht de rechtbank het ongeloofwaardig dat de verdachte in de periode dat harddrugs werden geproduceerd in zijn loods – dat blijkens de verklaring van [medeverdachte A] in ieder geval tien dagen heeft geduurd – hier niets van zou hebben gemerkt. Uit openbare bronnen blijkt dat laboratoria zoals die in ruimte B een chemische geur afgeven en ook [medeverdachte A] heeft verklaard bij de werkzaamheden een masker te hebben gedragen tegen onder meer de dampen. Het is dus onaannemelijk dat de verdachte, die verklaarde regelmatig in de loods te zijn, dit niet heeft geroken.

Ook de verklaring dat de verdachte de ruimtes niet in kon omdat hij geen sleutel had, vindt geen steun in het dossier, nu [medeverdachte A] heeft verklaard dat de sleutel van het drugslaboratorium op een kastje naast de middelste deur van de drie productieruimtes lag. Dit betrof dus een plek die ook voor de verdachte toegankelijk was. In ruimte A zijn verder twee centrifuges en afvalzakken met verpakkingen van chemicaliën aangetroffen, die beiden gebruikt werden in het productieproces. De verdachte heeft verklaard enkel een keer iemand met een radiator te hebben zien lopen, maar dergelijke loodgietersspullen zijn in de onderverhuurde ruimtes niet of nauwelijks aangetroffen.

Tot slot vinden ook de verklaringen van de verdachte over de gang van zaken na het aantreffen van het dodelijk slachtoffer op geen enkele manier ondersteuning in het dossier. Daarbij acht de rechtbank allereerst van belang dat getuigen [getuige B] en [getuige A] niets verklaren over het op hun verzoek veiligstellen van spullen. [getuige A] heeft verklaard dat hij al direct na het zien van het lichaam heeft gezegd dat de verdachte de politie moest bellen. [getuige B] heeft verklaard dat de verdachte zelf tegen hem zou hebben gezegd dat hij onrustig was en daarom een rondje wilde lopen. Na ongeveer drie minuten is de verdachte teruggekomen en heeft hij gezegd dat hij zojuist was beroofd van zijn telefoon. Geen van de getuigen heeft de beroving gezien. [getuige B] stond op dat moment buiten zijn bedrijfspand, maar heeft geen andere personen gezien. Ook de aanwezige camerabeelden bieden geen aanknopingspunten die het scenario van de verdachte over de vermeende beroving op enige wijze ondersteunen. Dit betekent dat de rechtbank niet aannemelijk acht dat de beroving heeft plaatsgevonden en de verdachte kennelijk zich van zijn telefoon wilde ontdoen voordat de politie arriveerde. Uiteindelijk heeft de verdachte pas ruim 40 minuten na zijn aankomst bij de loods – en na het veiligstellen van een aantal spullen – een melding gemaakt van het gevonden lichaam bij de politie.

Al deze omstandigheden tezamen maken dat de rechtbank van oordeel is dat de verklaring van de verdachte ongeloofwaardig is en terzijde moet worden geschoven. De hiervoor geschetste omstandigheden maken dat de rechtbank concludeert dat de verdachte op zijn minst genomen bewust de aanmerkelijke kans op de aanwezigheid van een drugslaboratorium in de door hem ter beschikking gestelde ruimtes heeft aanvaard.

Bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan, met dien verstande dat

[medeverdachte A] en één of meer personen in de periode van 22 september 2022 tot en met 28 oktober 2022 te Zaandam tezamen en in vereniging met anderen telkens opzettelijk hebben bereid en bewerkt en verwerkt en opzettelijk hebben vervaardigd en opzettelijk aanwezig heeft/hebben gehad, een hoeveelheid van een materiaal bevattende amfetamine(base) en/of een hoeveelheid van een materiaal bevattende metamfetamine(base), zijnde amfetamine en/of metamfetamine, telkens een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, tot en bij het plegen van welke misdrijven hij, verdachte [naam verdachte], in de periode van 22 september 2022 tot en met 28 oktober 2022 te Zaandam opzettelijk gelegenheid heeft verschaft, door aan die [medeverdachte A] en/of onbekend gebleven personen ruimten van een bedrijfspand aan het adres [X-straat] te Zaandam onder te verhuren ten behoeve van de bereiding, bewerking, verwerking en/of vervaardiging en aanwezig hebben van amfetamine(base) en/of metamfetamine(base).

Hetgeen aan de verdachte onder meer of anders is ten laste gelegd dan hier als bewezen is aangenomen, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

4. Kwalificatie en strafbaarheid van het feit

Het bewezen verklaarde levert op:

medeplichtigheid aan medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder B en D van de Opiumwet gegeven verbod.

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden waardoor de wederrechtelijkheid aan het bewezen verklaarde zou ontbreken. Het bewezen verklaarde is dus strafbaar.

5. Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

6. Motivering van de sanctie

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte zal worden veroordeeld tot een

gevangenisstraf voor de duur van vijftien maanden, met aftrek van de tijd die de verdachte in verzekering heeft doorgebracht, waarvan vijf maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaar. Daarnaast heeft de officier van justitie gevorderd aan de verdachte de maatregel kostenverhaal op te leggen voor een bedrag van € 4.000,-.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft verzocht bij de strafoplegging in strafmatigende zin rekening te houden met de overschrijding van de redelijke termijn en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Hierbij heeft de raadsman in het bijzonder gewezen op het blanco strafblad van de verdachte, het rapport van de reclassering van 12 januari 2024 waarin het risico op recidive, letsel en onttrekken aan voorwaarden in wordt geschat als laag, de psychische klachten die de verdachte ervaart als gevolg van het aantreffen van het dodelijk slachtoffer in de loods en de (financiële) zorg die de verdachte draagt voor zijn gezin. Gelet hierop heeft de raadsman verzocht een taakstraf van maximaal 150 uur op te leggen, eventueel in combinatie met een voorwaardelijke gevangenisstraf. Ten aanzien van de gevorderde maatregel kostenverhaal heeft de raadsman zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

Oordeel van de rechtbank

Bij de beslissing over de straffen die aan de verdachte moeten worden opgelegd, heeft de rechtbank zich laten leiden door de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, alsmede de persoon van de verdachte, zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken. In het bijzonder heeft de rechtbank het volgende in aanmerking genomen.

Ernst van het feit

De verdachte is medeplichtig geweest aan het produceren van amfetamine en metamfetamine door een deel van de door hem gehuurde loods onder te verhuren. Het is algemeen bekend dat harddrugs voor de gezondheid van de gebruikers daarvan zeer schadelijke stoffen bevatten. De verdachte heeft een bijdrage geleverd aan het in stand houden van de productie en de daarop volgende handel van en in harddrugs, wat vaak gepaard gaat met georganiseerde en ondermijnende criminaliteit. De ondermijnende criminaliteit vormt een groot gevaar voor de samenleving en de democratische rechtsstaat. Bovendien brengt de productie van met name synthetische drugs grote gevaren met zich mee voor de omgeving. Dit gevaar blijkt niet slechts fictief en heeft zich in dit geval ook daadwerkelijk verwezenlijkt, nu er in het drugslaboratorium een dodelijk slachtoffer is gevallen. Daarnaast veroorzaakt de illegale lozing van chemisch afval afkomstig van drugslaboratoria schade aan het milieu. De verdachte heeft onvoldoende stil gestaan bij al deze negatieve effecten. Hij heeft zich kennelijk laten leiden door de financiële voordelen die de onderverhuur voor hem zouden opleveren.

Persoon van de verdachte

Met betrekking tot de persoon van de verdachte heeft de rechtbank gelet op het strafblad van

de verdachte (Uittreksel Justitiële Documentatie) van 6 september 2025. Hieruit blijkt dat de

verdachte niet eerder onherroepelijk is veroordeeld voor een strafbaar feit. Dit weegt dan ook niet in zijn nadeel mee.

De rechtbank heeft ook gekeken naar het rapport van de reclassering van 12 januari 2024. De reclassering schat het risico op recidive in als laag. De verdachte heeft stabiele huisvesting, een positief ondersteund netwerk en er zijn geen problemen op het gebied van middelengebruik. Wel ervaart de verdachte psychische klachten naar aanleiding van het ontdekken van het dodelijk slachtoffer in de loods, waarvoor hij onder behandeling heeft gestaan. Zijn psychische klachten zorgen voor enige instabiliteit op het gebied van dagbesteding. De verdachte geeft echter aan geen hulpvraag te hebben aan de reclassering, waardoor de reclassering de oplegging van bijzondere voorwaarden niet nodig acht.

Redelijke termijn

In artikel 6, eerste lid, van het Verdrag voor de bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden is het recht van iedere verdachte gewaarborgd om binnen een redelijke termijn te worden berecht. Als uitgangspunt heeft hierbij te gelden dat de behandeling van een zaak ter terechtzitting moet zijn afgerond met een eindvonnis binnen twee jaar nadat de op zijn redelijkheid te beoordelen termijn is aangevangen, tenzij sprake is van bijzondere omstandigheden. Van zodanige bijzondere omstandigheden is in deze zaak

niet gebleken.

De rechtbank is van oordeel dat de op zijn redelijkheid te beoordelen termijn is aangevangen

op 15 mei 2023, omdat de verdachte op die datum in verzekering is gesteld. Het eindvonnis

wordt op 20 oktober 2025 gewezen. De rechtbank stelt de duur van de overschrijding van

de redelijke termijn daarom vast op vijf maanden. Regel is dat overschrijding van de

redelijke termijn wordt gecompenseerd door strafvermindering.

De op te leggen straffen

De aard en ernst van het feit maken dat de rechtbank in beginsel de oplegging van een (deels) onvoorwaardelijke gevangenisstraf een passende straf vindt. De rechtbank houdt echter ook rekening met de overschrijding van de redelijke termijn en de psychische gevolgen die de verdachte heeft ondervonden als gevolg van het feit. Gelet hierop ziet de rechtbank aanleiding een lagere straf en deels andere strafmodaliteit op te leggen dan de officier van justitie heeft gevorderd.

Alles afwegende is de rechtbank van oordeel dat een gevangenisstraf van vier maanden moet worden opgelegd. De rechtbank zal echter bepalen dat deze straf vooralsnog niet ten uitvoer zal worden gelegd en zal daaraan een proeftijd verbinden van twee jaar, om de verdachte ervan te weerhouden zich voor het einde van die proeftijd schuldig te maken aan een strafbaar feit. Daarnaast is de rechtbank van oordeel dat een taakstraf, bestaande uit het verrichten van onbetaalde arbeid, van 200 uur moet worden opgelegd, met aftrek van de tijd die de verdachte in verzekering heeft doorgebracht.

Maatregel kostenverhaal

De maatregel in artikel 13d van de Opiumwet maakt het mogelijk dat de kosten die ten laste

van de Staat komen in verband met de vernietiging van voorwerpen die ernstig gevaar opleveren voor de leefomgeving of volksgezondheid, worden verhaald op degene die wordt

veroordeeld ter zake van een strafbaar feit dat in verband staat met het voorwerp.

De rechtbank stelt vast dat aan voornoemde vereisten voor oplegging van de maatregel is

voldaan. In de loods in Zaandam waren namelijk stoffen (chemicaliën) aanwezig die een

ernstig gevaar opleverden voor de leefomgeving of voor de volksgezondheid en de Staat heeft kosten gemaakt voor vernietiging daarvan.

De rechtbank is van oordeel dat de kosten die zijn opgenomen in het kostenoverzicht en de

factuur van [bedrijfsnaam] B.V., van in totaal € 17.130,01, voldoende zijn onderbouwd en zijn aan te merken als kosten in de zin van artikel 13d van de Opiumwet. Uit het dossier blijkt tevens dat de factuur van dit bedrijf door de Staat is betaald.

Gelet op het feit dat uit het dossier en het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat in ieder

geval vier personen, waaronder de verdachte, betrokken zijn geweest bij het drugslab, vindt

de rechtbank het redelijk om aan de verdachte een vierde deel van het totaalbedrag toe te

rekenen. De rechtbank zal daarom aan de verdachte de verplichting opleggen tot betaling van

een bedrag, te weten € 4.000,-, aan de Staat ter vergoeding van kosten als bedoeld in artikel 13d van de Opiumwet. Indien dit bedrag niet wordt voldaan, kunnen 50 dagen gijzeling

worden toegepast zonder dat de betalingsverplichting vervalt.

7. Toepasselijke wettelijke voorschriften

De volgende wetsartikelen zijn van toepassing:

8. Beslissing

De rechtbank:

Verklaart bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan zoals hiervoor onder 3.4 weergegeven.

Verklaart niet bewezen wat aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt hem daarvan vrij.

Bepaalt dat het bewezen verklaarde feit het hierboven onder 4. vermelde strafbare feit oplevert.

Verklaart de verdachte hiervoor strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 4 [vier] maanden, met bevel dat deze straf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten op grond dat verdachte voor het einde van de op 2 [twee] jaren bepaalde proeftijd zich aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Veroordeelt de verdachte tot het verrichten van 200 [tweehonderd] uren taakstraf die bestaat uit het verrichten van onbetaalde arbeid, bij het niet of niet naar behoren verrichten daarvan te vervangen door 100 [honderd] dagen hechtenis.

Bepaalt dat de tijd die de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van dit vonnis in verzekering heeft doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde taakstraf in mindering wordt gebracht, met dien verstande dat voor elke dag die de verdachte in verzekering heeft doorgebracht twee uren taakstraf, subsidiair één dag hechtenis, in mindering worden gebracht.

Legt op de Maatregel Kostenverhaal voor een bedrag van € 4.000,00.

Bepaalt de duur van de gijzeling die ten hoogste door de officier van justitie kan worden

gevorderd op 50 dagen. De toepassing van die gijzeling heft de betalingsverplichting niet

op.

Samenstelling rechtbank en uitspraakdatum

Dit vonnis is gewezen door

mr. I.M. Hendriks, voorzitter,

mr. C.S. Schoorl en mr. H.P.H.I. Cleerdin, rechters,

in tegenwoordigheid van de griffiers mr. S. Maerman en mr. E. van Kampen,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 20 oktober 2025.

Zittende Magistratuur

Rechters

  • mr. I.M. Hendriks
  • mr. C.S. Schoorl
  • mr. H.P.H.I. Cleerdin

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?