ECLI:NL:RBNHO:2025:15752

ECLI:NL:RBNHO:2025:15752, Rechtbank Noord-Holland, 19-12-2025, C/15/371611/ HA RK 25/172

Instantie Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak 19-12-2025
Datum publicatie 21-01-2026
Zaaknummer C/15/371611/ HA RK 25/172
Rechtsgebied Bestuursrecht
Procedure Wraking
Zittingsplaats Haarlem

Samenvatting

Wrakingskamer. Verzoek niet-ontvankelijk, omdat dit naar het oordeel van de wrakingskamer te laat is ingediend. Het wrakingsverzoek dat verzoekers gemachtigden ter zitting op 5 december 2025 hebben ingediend, is niet in behandeling genomen, gelet op het wrakingsverbod dat bij beslissing van 21 november 2025 aan verzoeker is opgelegd (ECLI:NL:RBNHO:2025:14046).

Uitspraak

RECHTBANK

beslissing

Wrakingskamer

zaaknummer: C/15/371611/HA RK 25/172

Beslissing van 19 december 2025

Op het verzoek tot wraking ingediend door:

[verzoeker] , verzoeker

wonende te [woonplaats] ,

gemachtigden: [gemachtigde 1] en [gemachtigde 2] .

Het verzoek is gericht tegen:

mr. M.H. Affourtit-Kramer,

hierna te noemen: de voorzieningenrechter.

1. Procesverloop

Verzoeker heeft op 11 november 2025 schriftelijk de wraking verzocht van de voorzieningenrechter in de bij deze rechtbank, team Bestuur Algemeen, locatie Haarlem, aanhangige zaak met als zaaknummers HAA 25/4029, hierna te noemen: de hoofdzaak.

De voorzieningenrechter heeft niet in de wraking berust en heeft schriftelijk op het verzoek gereageerd.

Het wrakingsverzoek stond op 18 november 2025 op zitting gepland van de wrakingskamer. Verzoeker heeft op 18 november 2025, vlak voor de zitting, een e-mail ingestuurd met onder andere een verzoek om aanhouding. In diezelfde e-mail heeft verzoeker een (eerste) wrakingsverzoek ingediend tegen de wrakingskamer. Gelet op de inhoud van het verzoek om aanhouding, is het verzoek om wraking van de wrakingskamer als een voorwaardelijk verzoek aangemerkt en niet behandeld omdat het aanhoudingsverzoek is ingewilligd. Op 19 november 2025 is een (tweede) verzoek tot wraking van de wrakingsrechters ingediend. In de uitspraak van 21 november 2025 heeft een tweede wrakingskamer de verzoeken tot wraking van de wrakingskamer afgewezen en bepaald dat een volgend wrakingsverzoek van verzoeker niet in behandeling wordt genomen omdat gebleken is van misbruik van het rechtsmiddel wraking.

Het proces van de wrakingszaak tegen de voorzieningenrechter is daarop voortgezet. Het verzoek is behandeld ter openbare zitting van de wrakingskamer van 5 december 2025. Verzoeker en de voorzieningenrechter zijn in de gelegenheid gesteld te worden gehoord. De wederpartij in de hoofdzaak is uitgenodigd de zitting bij te wonen, maar niet verschenen. De heer [gemachtigde 1] en de heer [gemachtigde 2] zijn verschenen namens verzoeker. De voorzieningenrechter heeft van de geboden gelegenheid, met bericht, geen gebruik gemaakt.

2. Feiten

Op 6 november 2025 heeft het onderzoek ter zitting plaatsgevonden in de hoofdzaak over het verzoek van verzoeker om een voorlopige voorziening (met zaaknummer HAA 25/4029) hangende beroep (met zaaknummer HAA 25/3508), tot schorsing van een door het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Bergen aan verzoeker opgelegde last onder dwangsom. Het onderzoek ter zitting is gesloten. De voorzieningenrechter heeft aan het einde van de zitting bij wege van ordemaatregel een voorlopige maatregel getroffen en aangekondigd uiterlijk twee weken nadien uitspraak te doen op het verzoek en mogelijk ook op het connexe beroep.

Verzoeker heeft daarna op 11 november 2025 het wrakingsverzoek ingediend.

3. Het standpunt van verzoeker

Verzoeker heeft ter onderbouwing van het verzoek – samengevat – het volgende aangevoerd.

De voorzieningenrechter heeft de schijn van partijdigheid gewekt door haar vraagstellingen, opmerkingen en talrijke onderbrekingen van verzoeker en zijn gemachtigden, terwijl de wederpartij en de toehoorders (naaste buren) ‘geen strobreed iets in de weg werd gelegd’. De wederpartij mocht talrijke noviteiten inbrengen waarmee verzoeker werd geconfronteerd. De voorzieningenrechter heeft verhinderd dat verzoeker en zijn gemachtigden zich (voldoende) konden uitlaten over de uitlatingen van de wederpartij, en de wederpartij alle ruimte kreeg om hun verhaal naar voren te brengen. Zelfs iemand op de publieke tribune kreeg meer spreektijd. Hiermee is het recht op hoor en wederhoor geschonden.

Verzoeker heeft ook geprotesteerd tegen de aanwezigheid van de naaste buren als procespartij, maar dat hielp niet, waardoor verzoeker daarmee werd overvallen. De omwonenden waren geen rechtspartij, maar werden toegelaten tot de zitting door de voorzieningenrechter.

Verzoeker stelt verder dat er kort voor de zitting nog stukken door de wederpartij mochten worden aangeleverd. Verzoeker heeft de stukken van de derde-partij nooit ingezien. De wederpartij kon een procesdossier indienen, maar dat is wat de rechtbank moet doen. De voorzieningenrechter heeft verzoeker geweigerd inzage te geven in welke processtukken allemaal zijn ingebracht.

De voorzieningenrechter heeft zaken buiten het geschil van de voorlopige voorziening niet mogen toelaten, in het bijzonder de kwestie rondom sociale onveiligheid en een vermeende aangifte bij de politie. De voorzieningenrechter heeft deze beschuldigingen aangenomen. De voorzieningenrechter is buiten de rechtsstrijd getreden.

De voorzieningenrechter heeft de op 1 februari 2021 van rechtswege verleende vergunning naast zich neergelegd.

4. Ordepunten

Verzoeker heeft aan het begin van de wrakingszitting een tiental ordepunten naar voren gebracht. De wrakingskamer zal eerst reageren op deze punten, voordat zij ingaat op de beoordeling van het wrakingsverzoek.

Verzoeker heeft verzocht om een proces-verbaal van de zitting van 6 november 2025 De wrakingskamer stelt vast dat van deze zitting zittingsaantekeningen zijn gemaakt die aan verzoeker zijn toegezonden. Het ontbreken van een officieel proces-verbaal van de zitting in de hoofdzaak van 6 november 2025 staat niet in de weg aan de behandeling van het wrakingsverzoek.

Verzoeker stelt dat hij appel heeft ingediend tegen de beslissing van de wrakingskamer van 21 november 2025 en stelt voor dat de wrakingskamer zich verschoont. De wrakingskamer overweegt daarover dat een uitspraak van een wrakingskamer niet appellabel is, wat betekent dat daartegen geen hoger beroep kan worden ingediend. Gelet hierop en omdat aan verzoeker een wrakingsverbod is opgelegd en omdat de wrakingskamer zelf geen reden ziet om een verzoek tot verschoning in te dienen bij de verschoningskamer, wijst de wrakingskamer dit verzoek af.

Verzoeker betoogt dat het wrakingsverzoek door een andere rechtbank had moeten worden behandeld, althans dat de kennelijk afwijzende beslissing op dat verzoek met verzoeker had moet worden gecommuniceerd. De wrakingskamer stelt vast dat het wrakingsprotocol uitgaat van behandeling van een wrakingsverzoek door de eigen rechtbank. Onder omstandigheden kan aanleiding bestaan om van deze uitgangspunten af te wijken, zoals in artikel 1 van het wrakingsprotocol is vermeld, maar van omstandigheden die daartoe aanleiding geven is niet gebleken.

Verzoeker klaagt over het niet voorafgaand aan de wrakingszitting toesturen van diverse processtukken, terwijl het een wettelijke taak zou zijn dat te doen. De wrakingskamer overweegt dat voor zover verzoekers betoog ziet op het dossier in de hoofdzaak, dit dossier niet ter beoordeling in deze procedure aan de wrakingskamer voor ligt. Voor zover verzoekers verzoek ziet op het wrakingsdossier, overweegt de wrakingskamer dat het wrakingsdossier bestaat uit een proces-verbaal van de zitting (of de zittingsaantekeningen), het wrakingsverzoek en de reactie daarop van de rechter. Verzoeker beschikt over al deze stukken. Voorzover verzoeker beoogt het volledige dossier van de wrakingsverzoeken tegen de wrakingskamer in te zien, merkt de wrakingskamer op dat de wrakingsverzoeken gericht tegen deze wrakingskamer geen onderdeel vormen van de behandeling van het wrakingsverzoek dat nu voor ligt.

Verzoeker wijst de wrakingskamer op het (kennelijk) eerder optreden van wrakingsrechter Bruin in “deze” zaak op 30 juli 2025. De relevantie van deze opmerking is door verzoeker niet onderbouwd en is ook anderszins de wrakingskamer niet duidelijk geworden. De wrakingskamer legt deze opmerking daarom naast zich neer.

Verzoeker vraagt om uitleg van wie het verzoek om spoedeisendheid komt. De wrakingskamer verwijst in dit kader naar artikel 5, eerste lid, van het Wrakingsprotocol. Daarin is bepaald dat het verzoek tot wraking zo spoedig mogelijk in behandeling wordt genomen. De spoedige behandeling van het verzoek vloeit dus voort uit het wrakingsprotocol. Er is geen sprake van enig verzoek om een spoedeisende behandeling. Daarbij komt dat het wrakingsverzoek is gedaan in een procedure omtrent een verzoek om een voorlopige voorziening, welke naar zijn aard een spoedeisende procedure is. Spoedeisende behandeling van een wrakingsverzoek in een dergelijke procedure is des te meer aangewezen

Verzoeker stelt dat er officiële klachten tegen de leden van deze wrakingskamer zijn ingediend die betrekking hebben op het handelen omtrent het wrakingsverzoek tegen hen. Bij de leden van deze wrakingskamer zijn geen klachten tegen hen bekend. Daarnaast zijn deze eventuele klachten geen reden om te wachten met het behandelen van dit wrakingsverzoek.

De ordepunten die zien op de omstandigheden rondom de eerdere wrakingsverzoeken gericht tegen deze wrakingskamer, behoeven geen behandeling omdat deze niet zien op deze wrakingsprocedure tegen de voorzieningenrechter. Op genoemde wrakingsverzoeken is bovendien beslist, en deze zijn afgewezen.

Verzoeker stelt dat niet duidelijk is welke stukken ter behandeling voorliggen aan de wrakingszitting. Verzoeker vermeldt daarbij dat het niet zou mogen gaan over “de twee concept-pagina’s” die per ongeluk bij het echte wrakingsverzoek van 79 pagina’s zijn meegestuurd. Ook is voor verzoeker niet duidelijk of het op 21 november 2025 ingestuurde wrakingsverzoek van 340 pagina’s ter behandeling voorligt. De wrakingskamer stelt vast dat verzoeker een door verzoeker [verzoeker] ondertekende brief van twee pagina’s met enige handgeschreven opmerkingen daarop van 11 november 2025 heeft ingediend. In een stuk van één pagina gedateerd 12 november 2025 heeft verzoeker aangegeven dat de brief van 11 november niet als wrakingsverzoek moet worden beschouwd omdat dit slechts een concept was. Verzoeker heeft een stuk van 79 pagina’s gedateerd op 11 november 2025, getiteld wrakingsverzoek, een stuk van 79 pagina’s van 11 november 2025 getiteld herzien wrakingsverzoek en een stuk van 340 pagina’s gedateerd op 21 november 2025, ingediend. De wrakingskamer stelt voorop dat het aan verzoeker is om aan te geven welke van de door hem ingediende stukken tijdens de zitting aan de orde moeten komen. Verzoeker heeft dit - met uitzondering van de mededeling dat het stuk van 11 november 2025 van 2 pagina’s buiten beschouwing moet worden gelaten - nagelaten en ook ter zitting niet aangegeven hoe de wrakingskamer de ingediende stukken moet duiden, hoewel verzoeker daartoe wel in de gelegenheid is gesteld. Het document van 340 pagina’s wordt door de wrakingskamer opgevat als een nadere toelichting op het eerder ingediende wrakingsverzoek van 79 pagina’s.

Verzoeker stelt tenslotte dat een lijst van leden van de vaste wrakingskamer op de website moest staan, of aan hem gestuurd had moeten worden. Het doel van de lijst van leden van de vaste wrakingskamer is de voorzitter te faciliteren bij het samenstellen van een wrakingskamer. De publicatie van deze lijst dient dan ook niet het belang van verzoeker. Verzoeker heeft ook niet onderbouwd welk belang hij had bij het toezenden van deze lijst.

5. De beoordeling

Op grond van de artikelen 8:15 en 8:16, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) wordt het wrakingsverzoek gedaan zodra de feiten en omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden aan de verzoeker bekend zijn geworden.

De wrakingskamer verklaart het wrakingsverzoek niet-ontvankelijk. De wrakingskamer is namelijk van oordeel dat het wrakingsverzoek te laat is ingediend. Het is immers niet gedaan zodra de feiten en omstandigheden die aan het wrakingsverzoek ten grondslag liggen bekend zijn geworden. De wrakingskamer stelt hierbij voorop dat de aangevoerde omstandigheden zich hebben voorgedaan voorafgaand aan of tijdens de zitting van 6 november 2025, zoals hieronder toegelicht. Die feiten en omstandigheden waren hem toen al bekend. Verzoeker heeft echter pas op 11 november 2025, en daarmee naar het oordeel van de rechtbank te laat, een wrakingsverzoek ingediend.

De wrakingskamer neemt hierbij in aanmerking dat, zoals blijkt uit de reactie van de voorzieningenrechter, al voorafgaand aan de zitting aan verzoeker is meegedeeld dat hij geen gelegenheid kreeg om het procesdossier in te zien. Uit de reactie van de voorzieningenrechter en de zittingsaantekeningen blijkt ook dat de beslissing om de omwonenden als derde-belanghebbende aan te merken aan het begin van de zitting is besproken. Verzoeker had voorafgaand aan of tijdens de zitting al kunnen wraken als hij vond dat hiermee de schijn van partijdigheid was gewekt.

De wrakingskamer overweegt dat ook de overige aangevoerde feiten en omstandigheden die ten grondslag zijn gelegd aan het wrakingsverzoek, zich hebben voorgedaan tijdens de zitting van 6 november 2025. De rechtbank ziet niet in waarom verzoeker het wrakingsverzoek pas vijf dagen later heeft ingediend. Verzoeker heeft daar op de zitting van 5 december 2025 evenmin duidelijkheid over gegeven.

Verzoeker stelt dat het wrakingsverzoek ook is gebaseerd op het handelen van de rechter ná de zitting van 6 november 2025. Verzoeker heeft echter niet toegelicht om welk handelen dit gaat en de rechtbank heeft dat zelf ook niet kunnen achterhalen. Voor zover verzoeker het wrakingsverzoek dus mede baseert op de handelingen van de voorzieningenrechter van ná de zitting van 6 november 2025, kan dat niet tot een ander oordeel leiden omdat het feitelijke grondslag mist.

6. Wrakingsverzoeken tegen de wrakingskamer

Het wrakingsverzoek dat verzoekers gemachtigden ter zitting op 5 december 2025 hebben ingediend, is niet in behandeling genomen, gelet op het wrakingsverbod zoals dat is bepaald in de uitspraak van 21 november 2025.

Beslissing

De rechtbank

- verklaart het verzoek tot wraking van de voorzieningenrechter niet-ontvankelijk,

- beveelt de griffier onverwijld aan verzoeker, de voorzieningenrechter en de wederpartij in de hoofdzaak een voor eensluidende gewaarmerkt afschrift van deze beslissing toe te zenden,

- beveelt dat het proces in de hoofdzaak wordt voortgezet in de stand waarin het zich bevond ten tijde van het indienen van het verzoek.

Deze beslissing is gegeven door mr. C.W.M. Giesen, voorzitter, mr. W. Veldhuijzen van Zanten en mr. H. Bakker, leden van de wrakingskamer, in tegenwoordigheid van mr. A. Molenkamp-Lopar, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 19 december 2025.

griffier voorzitter

Tegen deze beslissing staat geen rechtsmiddel open.

Zittende Magistratuur

Rechters

  • mr. C.W.M. Giesen
  • mr. W. Veldhuijzen van Zanten
  • mr. H. Bakker

Griffier

  • mr. A. Molenkamp-Lopar

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?