RECHTBANK NOORD-HOLLAND
Familie- en Jeugdrecht
Locatie Haarlem
Zaaknummer: C/15/371556 / JU RK 25-1579
Datum uitspraak: 12 december 2025
Beschikking van de kinderrechter over een verlenging ondertoezichtstelling en verlenging machtiging tot uithuisplaatsing
in de zaak van
de gecertificeerde instelling de William Schrikker Stichting, Jeugdbescherming en Jeugdreclassering,
hierna te noemen: de GI,
gevestigd te Amsterdam,
over
[de minderjarige] , geboren op [geboortedatum] te [plaats] ,
hierna te noemen: [de minderjarige] .
De kinderrechter merkt als belanghebbende aan:
[de moeder] ,
hierna te noemen: de moeder,
wonende te [plaats] ,
en
[de pleegouder 1] en [de pleegouder 2],
hierna te noemen: de pleegouders,
wonende te [plaats] .
1. Het verloop van de procedure
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
het verzoekschrift met bijlagen van de GI van 31 oktober 2025, ingekomen bij de rechtbank op 5 november 2025;
het toetsingsadvies van de Raad voor de Kinderbescherming zoals bedoeld in artikel 1:265j lid 3 van het Burgerlijk Wetboek van 4 november 2025, ingekomen bij de rechtbank op 5 november 2025.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 12 december 2025. Hierbij zijn verschenen en gehoord:
de pleegouders,
de GI, vertegenwoordigd door [vertegenwoordiger van de GI] .
Hoewel daartoe behoorlijk opgeroepen, is de moeder niet ter zitting verschenen.
De kinderrechter heeft [de minderjarige] naar zijn mening gevraagd. [de minderjarige] heeft hierover een gesprek gevoerd met de kinderrechter. Tijdens de zitting heeft de kinderrechter samengevat wat [de minderjarige] heeft verteld. De aanwezigen hebben daarop kunnen reageren.
2. De feiten
De moeder is belast met het ouderlijk gezag over [de minderjarige] .
[de minderjarige] verblijft in een (netwerk)voorziening voor pleegzorg, te weten zijn broer en diens vriendin.
De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 22 december 2021 [de minderjarige] onder toezicht gesteld, welke ondertoezichtstelling nadien telkens is verlengd en nu nog voortduurt tot 22 december 2025.
De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 29 maart 2023 de machtiging verlengd [de minderjarige] gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen in een voorziening voor pleegzorg, welke machtiging nadien telkens is verlengd en nu nog voortduurt tot 22 december 2025.
3. Het verzoek van de GI
De GI verzoekt de ondertoezichtstelling van [de minderjarige] te verlengen voor de duur van een jaar. Ook verzoekt de GI de machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg te verlengen voor de duur van de ondertoezichtstelling. De GI verzoekt de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
De GI heeft het verzoek als volgt gemotiveerd. Het afgelopen jaar is gewerkt aan het creëren van veilig contact tussen [de minderjarige] en de moeder, waarbij met name de behoeften van [de minderjarige] leidend zijn geweest. [de minderjarige] en de moeder hebben veel contact met elkaar en [de minderjarige] houdt zich hierbij aan de afspraken die zijn gemaakt in het kader van zijn veiligheid. Er wordt bekeken in hoeverre het contact verder uitgebreid kan worden, bijvoorbeeld met logeren, maar het lukt de moeder tot op heden onvoldoende om weerstand te bieden tegen [de oudere broer] , de oudere broer van [de minderjarige] , die nog steeds voor onveilige situaties zorgt in de thuissituatie. Het afgelopen jaar is ook aan een nieuw doel gewerkt, namelijk dat [de minderjarige] zich zowel fysiek als mentaal goed en gezond voelt. In mei 2025 is [de minderjarige] gestart bij het KJTC waar hij is gediagnostiseerd met PTSS. [de minderjarige] is momenteel onder behandeling, wat hij zwaar vindt, maar waar hij wel baat bij heeft en wat hij zelf ook nodig vindt. De GI wil erop toezien dat [de minderjarige] dit traject in alle veiligheid kan doorlopen en eventueel vervolghulp inzetten indien dit nodig blijkt.
[de minderjarige] mag in het pleeggezin blijven tot meerderjarigheid, of langer als hij dat wil. In het pleeggezin krijgt [de minderjarige] kaders, structuur, taken en gezinsmomenten die hij in de thuissituatie bij de moeder nooit echt heeft gehad. [de minderjarige] had in het begin de wens om terug te keren naar de moeder, maar sinds een jaar geeft hij aan dat hij begrijpt dat hij beter af is in het pleeggezin en spreekt de wens om terug te keren naar zijn moeder niet meer uit. De moeder heeft echter nog steeds de wens dat [de minderjarige] weer bij haar komt wonen. De moeder mist [de minderjarige] en gaat er ook vanuit dat hij voor haar zal zorgen. Er is geprobeerd om de moeder middels opvoedondersteuning uitleg te geven over wat zij van [de minderjarige] (en zijn broers) mag en kan verwachten en hoe zij haar moederrol op afstand in kan vullen. De moeder is hierin echter onvoldoende leerbaar gebleken, waardoor deze hulpverlening zal stoppen. De kinderen krijgen nu extra uitleg over het gedrag van de moeder, wat hopelijk tot begrip zal leiden. Ook lukt het de moeder onvoldoende om [de minderjarige] emotionele toestemming te geven voor zijn plaatsing in het pleeggezin. Dit vormt een groot risico in de afschaling naar het vrijwillige kader en maakt dat [de minderjarige] zich nog steeds in een loyaliteitsconflict bevindt. [de minderjarige] is een gevoelige jongen en neemt de ouderrol op zich. Indien geen sprake meer zou zijn van een gedwongen kader, is het zeer waarschijnlijk dat de moeder [de minderjarige] druk zal opleggen om weer bij haar te komen wonen. De GI vindt het onwenselijk in het kader van zowel de veiligheid als de ontwikkeling van [de minderjarige] als van hem wordt verwacht hier zelfstandig weerstand tegen te moeten en kunnen bieden. De betrokkenheid van de GI in het kader van een ondertoezichtstelling is daarom ook op dit moment nog noodzakelijk.
4. De standpunten van de belanghebbenden
De pleegouders hebben naar voren gebracht dat het goed gaat met [de minderjarige] bij hen thuis. Hij doet zijn ding, gaat naar school, werkt en sport. [de minderjarige] en zijn broers, die ook bij de pleegouders wonen, gedragen zich als echte broers, wat de gezinssituatie gezellig druk maakt. Hoewel de pleegvader de broer van [de minderjarige] is, luistert [de minderjarige] wel naar hem. Ook de pleegmoeder heeft een goede band met [de minderjarige] . [de minderjarige] zoekt haar op als hij ergens mee zit. De pleegouders zien wel dat [de minderjarige] geestelijk niet altijd goed in zijn vel zit. Het valt de pleegmoeder op dat [de minderjarige] in zichzelf gekeerd is als hij contact heeft gehad met de moeder. De pleegmoeder maakt zich daarom zorgen dat de moeder [de minderjarige] belast met zorgen en vragen die hem niet aangaan. [de minderjarige] is op dit moment onder behandeling bij het KJTC en de pleegouders hopen dat hem dit zal helpen.
5. De mening van [de minderjarige]
heeft aangegeven dat het goed met hem gaat. Hij moest even wennen toen hij bij zijn broer en schoonzus ging wonen, maar inmiddels heeft hij het gevoel dat hij hier op zijn plek zit. De GI hoeft niet bang te zijn dat hij terug zal keren naar de moeder. Hij heeft het nu goed bij zijn broer en schoonzus en wil hier ook graag blijven. [de minderjarige] geeft aan dat het grootste verschil met drie jaar geleden is dat hij nu gelukkiger is. Hij ervaart nu meer rust. De traumatherapie zal binnenkort ook afgerond worden. Hij vond en vindt het wel lastig om zijn gevoelens te delen, maar hij heeft zijn best gedaan en daar is hij blij mee.
6. De beoordeling door de kinderrechter
De kinderrechter heeft gezien dat het met [de minderjarige] goed lijkt te gaan. Net als zijn broers heeft [de minderjarige] veel in de thuissituatie met zijn moeder meegemaakt. Dankzij hun veerkracht en de stabiliteit die de pleegouders hebben geboden, ontwikkelen [de minderjarige] en zijn broers zich al langere tijd goed. Dat verdient een groot compliment. Het is wel zaak dat alle betrokkenen erop blijven letten dat het ook mentaal goed blijft gaan met [de minderjarige] .
De kinderrechter is niettemin van oordeel dat aan de voorwaarden voor een verlenging van de ondertoezichtstelling is voldaan. Ook op dit moment wordt [de minderjarige] nog ernstig in zijn ontwikkeling bedreigd. De moeder berust niet in het genomen en bekrachtigde perspectiefbesluit, inhoudende dat [de minderjarige] verder zal opgroeien bij de pleegouders. De moeder blijft uiten dat zij graag wil dat [de minderjarige] bij haar thuis komt wonen en belast hem met zorgen en taken die niet passend zijn bij zijn leeftijd. Daarnaast lukt het de moeder niet om de broer van [de minderjarige] de nodige grenzen te bieden, waardoor de moeder niet in staat is om [de minderjarige] een veilige thuissituatie te bieden. Ook kampt [de minderjarige] met trauma gerelateerde klachten waar hij traumatherapie voor krijgt. Het is van groot belang dat [de minderjarige] deze behandeling in alle veiligheid verder kan doorlopen en passende vervolghulp wordt ingezet indien dit nodig blijkt.
De hulpverlening die nodig is om de ontwikkelingsbedreiging bij [de minderjarige] weg te nemen, wordt onvoldoende (effectief) geaccepteerd. Ondanks de ingezette opvoedondersteuning om de moeder te helpen in het passend vormgeven van haar ouderrol op afstand, blijft zij [de minderjarige] belasten en aan hem trekken. De moeder is onvoldoende leerbaar gebleken, waardoor de opvoedondersteuning binnen afzienbare tijd zal worden gestaakt. In plaats daarvan wordt [de minderjarige] bewustwording bijgebracht over het gedrag van de moeder en waarom zij dingen doet zoals zij doet. De kinderrechter vindt het noodzakelijk dat de GI ook de komende periode als regievoerder bij [de minderjarige] betrokken blijft, om ervoor te zorgen dat de nodige hulpverlening wordt in- en doorgezet. Gelet op de ook nu nog aanwezige zorgen, acht de kinderrechter een verlenging van de ondertoezichtstelling voor de duur van één jaar passend en zal als zodanig beslissen.
Ook is de kinderrechter van oordeel dat de verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] noodzakelijk in het belang van zijn verzorging en opvoeding. Een thuisplaatsing van [de minderjarige] is niet meer aan de orde. De moeder berust vooralsnog niet in dit besluit en blijft [de minderjarige] vragen weer bij haar te wonen. [de minderjarige] heeft aangegeven dat hij goed zit bij zijn pleegouders en (daarom) weerstand kan bieden aan zijn moeder. Het is echter in het belang van [de minderjarige] dat de GI en zijn pleegouders de verantwoordelijkheid daarvoor nemen, ook zodat [de minderjarige] zoveel mogelijk onbelast contact met zijn moeder kan blijven ervaren.. De kinderrechter zal de machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] daarom verlengen voor de duur van de ondertoezichtstelling.
7. De beslissing
De kinderrechter:
verlengt de ondertoezichtstelling van [de minderjarige] tot 22 december 2026;
verlengt de machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg tot 22 december 2026;
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 12 december 2025 door
mr. A.K. Mireku, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. J.E. van Veen als griffier, en op schrift gesteld op 19 december 2025.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Amsterdam. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.