RECHTBANK NOORD-HOLLAND
Familie- en Jeugdrecht
Locatie Haarlem
Zaaknummer: C/15/372106 / JU RK 25-1671
Datum uitspraak: 19 december 2025
Beschikking van de kinderrechter na conflictbehandeling uithuisplaatsing, ex art. 1:265D BW en art. 1:326 BW
in de zaak van
[de moeder] ,
hierna te noemen: de moeder,
wonende te [plaats] ,
advocaat: mr. M.D. Balesar, kantoorhoudende te Heerhugowaard,
over
[de minderjarige] , geboren op [geboortedatum] in [plaats] ,
hierna te noemen: [de minderjarige] .
De kinderrechter merkt als belanghebbende aan:
De Jeugd- & Gezinsbeschermers,
hierna te noemen: de GI,
gevestigd te Amsterdam.
De kinderrechter merkt als informant aan:
[een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder] ,
gevestigd te Purmerend.
1. Het verloop van de procedure
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
de beschikking van 14 februari 2025;
het verzoekschrift met bijlagen van de moeder van 21 november 2025;
het bericht van [een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder] van 4 december 2025;
een brief met bijlagen van de moeder van 11 december 2025.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 12 december 2025. Hierbij zijn verschenen en gehoord:
- de moeder, bijgestaan door mr. J.C. Engels, waarnemend voor mr. M.D. Balesar;
de GI, vertegenwoordigd door [vertegenwoordiger van de GI] ;
[een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder] , vertegenwoordigd door [vertegenwoordiger van een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder] , als informant.
De kinderrechter heeft [de minderjarige] naar zijn mening gevraagd. [de minderjarige] heeft hierover een gesprek gehad met de kinderrechter Tijdens de zitting heeft de kinderrechter samengevat wat [de minderjarige] heeft verteld. De aanwezigen hebben daarop kunnen reageren.
2. De feiten
De moeder is belast met het ouderlijk gezag over [de minderjarige] .
[de minderjarige] verblijft in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder.
De ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] zijn laatstelijk verlengd bij beschikking van 14 februari 2025, tot 28 februari 2026.
De moeder heeft aan de GI verzocht af te zien van een krachtens de machtiging toegestane wijziging van de verblijfplaats van [de minderjarige] . De GI heeft op 17 november 2025 schriftelijk gereageerd en het verzoek afgewezen.
3. Het verzoek van de moeder
De moeder verzoekt de kinderrechter af te zien van een krachtens de machtiging toegestane wijziging van de verblijfplaats van [de minderjarige] . Mocht de rechtbank tot de beslissing komen dat [de minderjarige] wel overgeplaatst dient te worden, dan verzoekt de moeder te onderzoeken of [de minderjarige] (gedeeltelijk) teruggeplaatst kan worden bij de moeder.
Door en namens de moeder is het verzoek als volgt gemotiveerd. De moeder is van mening dat de beslissing tot overplaatsing van [de minderjarige] niet op zorgvuldige wijze tot stand is gekomen. De overplaatsing van [de minderjarige] lijkt vrijwel volledig te zijn gebaseerd op financiële redenen en gewijzigde wet- en regelgeving ten aanzien van het ZZP-schap en is niet ingegeven door de belangen van [de minderjarige] . Het standpunt van de GI voor de overplaatsing is met geen enkele rapportage onderbouwd. In de beschikking van 14 februari jl. heeft de kinderrechter nog geoordeeld dat [de minderjarige] , gelet op zijn persoon en problematiek, niet klaar was voor een overplaatsing naar een andere groep. De moeder stelt dat die situatie tot op heden onveranderd is. De overplaatsing van [de minderjarige] zal juist negatieve gevolgen hebben voor zijn welzijn en ontwikkeling. Zo is eerder gebleken dat [de minderjarige] met zijn huidige problematiek niet in staat is om in een omgeving met andere kinderen te functioneren. Ook heeft hij een zeer grote behoefte aan ondersteuning en begeleiding, wat veel vraagt van zijn opvoeders. [de minderjarige] is om deze reden juist overgeplaatst naar het [groep] , een prikkelarme woonplek met één op één begeleiding, zonder andere kinderen. Daarbij komt dat [de minderjarige] , ondanks zijn ernstige hechtingsproblematiek, inmiddels een sterke hechtingsrelatie heeft opgebouwd met zijn vaste begeleiders. Met een overplaatsging zal hij afscheid moeten nemen van deze begeleiders en een nieuwe hechtingsrelatie moeten aangaan met zijn nieuwe begeleiders. Dit komt zijn hechtingsproblematiek absoluut niet ten goede. Ook komt de intensieve ondersteuning en begeleiding die [de minderjarige] nodig heeft in het geding bij een overplaatsing naar een plek waar meerdere kinderen verblijven. [de minderjarige] zal dan niet meer de grote mate van ondersteuning en begeleiding krijgen die hij nodig heeft. [groep] biedt [de minderjarige] veiligheid, voorspelbaarheid en vertrouwen. Een overplaatsing zal een verlies van zijn vertrouwde omgeving en bekende routines met zich meebrengen, wat juist cruciaal is voor zijn ontwikkeling.
De moeder is zich ervan bewust dat het [groep] een tijdelijke plek zou zijn voor [de minderjarige] . Er is echter nooit een tijdslimiet aan zijn verblijf verbonden en het kan niet zo zijn dat door financiële en politieke kwesties het lot van een kind wordt bepaald. Het is van groot belang dat zorgvuldig wordt onderzocht welke vervolgplek het meest passend en in het belang van [de minderjarige] is. Hiertoe zal eerst het perspectiefonderzoek, dat de GI voornemens is binnen afzienbare tijd af te nemen, moeten plaatsvinden, alvorens [de minderjarige] wordt overgeplaatst. Uit dit perspectiefonderzoek – uitgevoerd door een onafhankelijke deskundige – zullen mogelijke opties volgen die in het belang van [de minderjarige] worden geacht, met een bij [de minderjarige] passend tijdspad waarbinnen de overplaatsing kan plaatsvinden en op welke wijze dit het beste kan worden bewerkstelligd. De moeder verzoekt dan ook om de beslissing tot overplaatsing van de GI van 17 november 2025 ongegrond te verklaren, zodat [de minderjarige] zijn verblijf op groep [groep] tot dit moment kan voortzetten.
4. Het standpunt van de GI
De plaatsing van [de minderjarige] op groep [groep] was bedoeld als tijdelijke plaatsing ter overbrugging, gericht op het stabiliseren van [de minderjarige] . De GI heeft besloten om over te gaan tot wijziging van de verblijfplaats van [de minderjarige] nu [groep] niet langer kan blijven voortbestaan en omdat kinderen niet alleen horen op te groeien in een klinische setting met begeleiders. De nadelen van één op één wonen met professionals in plaats van een gezinssituatie weegt op dit moment niet meer op tegen de voordelen die die setting heeft. De GI acht het in het belang van [de minderjarige] dat hij doorstroomt naar een plek waar hij langdurig kan verblijven. Deze plek zal meer ingericht zijn als een huiselijke setting, waarin de omgeving meer genormaliseerd zal zijn en van waaruit hij kan opgroeien richting zelfstandigheid met behulp van de inzet van professionele begeleiding, hulpverlening en behandeling. De GI stelt dat de overplaatsing in het belang van [de minderjarige] is.
5. De visie van [een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder]
[groep] is opgezet als tijdelijke verblijfplaats voor [de minderjarige] om hem de nodige vaardigheden aan te leren zodat hij nadien kon doorstromen naar een meer normale plek om verder groot te groeien. In eerste instantie was het de bedoeling dat [de minderjarige] hier een halfjaar zou blijven. Gezien werd echter dat een halfjaar onvoldoende was om [de minderjarige] deze vaardigheden bij te brengen. Er is vervolgens besloten om [de minderjarige] langer dan een halfjaar op het [groep] te laten verblijven, terwijl ondertussen verder werd gezocht naar een passende en duurzame verblijfplaats voor hem. Uiteindelijk is geconcludeerd dat wat [de minderjarige] nodig heeft, niet bestaat. Ondertussen werd ook gezien dat [de minderjarige] onvoldoende vooruitgang boekte bij het [groep] . De verwachting is ook niet dat [de minderjarige] deze stappen nog gaat zetten en dat mogelijk geconcludeerd moet worden dat dit het eindpunt is. Ook zal de (trauma)therapie van [de minderjarige] een zeer langdurig proces zijn waarbij het niet in het belang van [de minderjarige] is om in die tijd geïsoleerd op het [groep] te verblijven. Er is daarom besloten om een nieuwe verblijfplaats voor [de minderjarige] op te zetten, in de vorm van een kleinschalige voorziening. Er is een woonhuis gecreëerd waar in totaal drie kinderen kunnen verblijven met intensieve ondersteuning van een team aan begeleiders. Deze plek is inmiddels opgeleverd en klaar om in gebruik te worden genomen. [een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder] vindt het belangrijk dat [de minderjarige] hierheen verhuisd, zodat hij niet alleen verder opgroeit. De verhuizing zal zorgvuldig plaatsvinden, in die zin dat [de minderjarige] als eerste naar het huis zal verhuizen en dat zijn huidige begeleiders de eerste periode ter overbrugging met hem mee zullen gaan. [een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder] begrijpt dat de moeder weerstand toont tegen de overplaatsing, maar er zal ook rekening gehouden moeten worden met de nieuwe wet omtrent de ZZP’ers, waar de huidige begeleiders van [de minderjarige] onder vallen, en de onmogelijkheid om hun diensten langer in te kunnen zetten. Daarbij komt dat als [de minderjarige] niet verhuisd naar de nieuwe setting, zijn plek zal worden vergeven aan een ander kind en opnieuw naar een passende plek gezocht zal moeten worden, waarvan eerder al is gebleken dat die er niet is.
6. De mening van [de minderjarige]
vindt het spannend om te verhuizen, maar een nieuwe plek lijkt hem ook wel leuk. [de minderjarige] heeft al foto’s gezien van het nieuwe huis. Hij gaat met name zijn begeleiders ontzettend missen en vindt het fijn dat zij de eerste periode mee mogen naar het nieuwe huis. Wel zou [de minderjarige] graag twee keer per maand bij zijn moeder willen logeren in plaats van één keer, zoals nu de afspraak is.
7. De beoordeling door de kinderrechter
De kinderrechter beoordeelt of gewijzigde omstandigheden zijn die rechtvaardigen dat de verblijfplaats van [de minderjarige] niet mag worden veranderd, ook al mag de GI dat wel wijzigen op grond van de machtiging tot uithuisplaatsing. De kinderrechter moet in dit kader alle belangen die een rol kunnen spelen ten volle in haar beslissing afwegen. Daarnaast wordt gekeken of de beslissing van de GI zorgvuldig tot stand is gekomen en voldoende is gemotiveerd. De kinderrechter overweegt als volgt.
Niet ter discussie staat dat het verblijf van [de minderjarige] bij het [groep] bedoeld was als tijdelijke oplossing. Moeder enerzijds en de GI en [een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder] anderzijds verschillen echter van mening over de vraag of het in het belang van [de minderjarige] is om nu te verhuizen. Om die vraag te kunnen beantwoorden is voor de kinderrechter van belang of goed door de GI en [een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder] gemotiveerd is dat het voor [de minderjarige] op dit moment het beste is om te verhuizen en dat een overplaatsing daarmee in zijn belang is. De kinderrechter overweegt daartoe als volgt.
Voldoende duidelijk is geworden dat het verblijf van [de minderjarige] bij het [groep] niet ideaal is; het betreft een gecreëerde verblijfsplek op het kantoorterrein van [een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder] . Dit neemt niet weg dat op zorgvuldige wijze tot een vervolgplek moet worden gekomen. [de minderjarige] is een kwetsbare jongen, die onder meer kampt met trauma’s en ernstige hechtingsproblematiek. Mede vanwege deze zorgen en de gedragsproblematiek die hieruit voortvloeit, is [de minderjarige] eerder vanuit een groep overgeplaatst naar het [groep] . Bij het [groep] wordt [de minderjarige] een prikkelarme omgeving geboden met zeer intensieve één op één begeleiding. Dat volgens de GI en [een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder] door [de minderjarige] onvoldoende resultaten worden behaald bij het [groep] , en hij daarom moet worden overgeplaatst naar een omgeving met juist meer prikkels en minder intensieve begeleiding, komt de kinderrechter niet logisch voor. De kinderrechter mist een onderliggend (deskundigen) rapport hiervan bij het besluit van de GI en de brief van [een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder] die dit goed uitleggen en voldoende duidelijk maken , . Ook is naar het oordeel van de kinderrechter onvoldoende onderbouwd waarom de overplaatsing op dit moment dient plaats te vinden. [de minderjarige] verblijft inmiddels al 2,5 jaar op deze tijdelijke locatie, waar hij zich inmiddels veilig voelt, werkt aan zijn doelen en gehecht is aan zijn begeleiders. Hoewel [een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder] heeft aangegeven dat de plek van [de minderjarige] in de nieuw op te richten kleinschalige groep zal worden vergeven aan een ander kind als [de minderjarige] niet binnen afzienbare tijd verhuisd, kan deze plek voor [de minderjarige] gereserveerd worden tot duidelijk is of deze plek daadwerkelijk passend en in het belang van [de minderjarige] is. De GI heeft immers naar voren gebracht dat deze plek onder andere speciaal voor [de minderjarige] is gecreëerd.
De kinderrechter heeft begrip voor de spagaat waar de GI kennelijk in zit, ten aanzien van de nieuwe ZZP-regels. Het belang van [de minderjarige] dient echter zwaarder te wegen dan bureaucratische en/of financiële redenen ter zake. Gelet op de kwetsbaarheid van [de minderjarige] , acht de kinderrechter het niet in zijn belang om hem zonder gedegen onderzoek over te plaatsen. De kinderrechter acht het dan ook van belang dat het verblijf van [de minderjarige] bij het [groep] de komende periode wordt voortgezet, in afwachting van de resultaten van het perspectiefonderzoek, dat de GI kennelijk voornemens is uit te voeren. Aan de hand van de resultaten hiervan zal bekeken moeten worden welke duurzame opgroei(vervolg)plek het meest in het belang van [de minderjarige] wordt geacht en als dit niet bij de moeder is, welke plek het meest passend is en welke randvoorwaarden er nodig zijn om deze overplaatsing succesvol te laten plaatsvinden. De kinderrechter zal daarom afzien van de krachtens de machtiging toegestane wijziging van de verblijfplaats van [de minderjarige] en daarmee bepalen dat zijn verblijf bij het [groep] wordt voortgezet.
8. De beslissing
De kinderrechter:
verklaart het besluit van de GI ongegrond en ziet af van de krachtens de machtiging toegestane wijziging van de verblijfplaats van [de minderjarige] ;
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beschikking is gegeven door mr. A.K. Mireku, kinderrechter, en in het openbaar uitgesproken op 19 december 2025, in aanwezigheid van mr. J.E. van Veen als griffier.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Amsterdam. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.