ECLI:NL:RBNHO:2025:15818

ECLI:NL:RBNHO:2025:15818

Instantie Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak 17-12-2025
Datum publicatie 26-01-2026
Zaaknummer 11522811
Rechtsgebied Civiel recht; Verbintenissenrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Alkmaar

Samenvatting

Deze zaak gaat over een tussen partijen gesloten bewaarnemingsovereenkomst en de vraag of de bewaarnemer heeft voldaan aan de op hem rustende zorgplicht en teruggaveplicht van de auto in dezelfde staat. De bewaargever vindt dat dat niet het geval is en vordert om die reden schadevergoeding. De kantonrechter oordeelt dat de bewaargever de schending van de zorgplicht en teruggaveplicht onvoldoende heeft onderbouwd. Dat had vanwege de gemotiveerde betwisting door de bewaarnemer wel op zijn weg had gelegen. De gestelde tekortkomingen in de nakoming van de bewaarnemingsovereenkomst kunnen daarom niet worden vastgesteld. Ook is onvoldoende aangevoerd voor een geslaagd beroep op dwaling en onrechtmatig handelen door de bewaarnemer. Dit leidt tot afwijzing van de schadevordering.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Civiel recht

Kantonrechter

Zittingsplaats Alkmaar

Zaaknummer: 11522811 \ CV EXPL 25-398 (NE)

Vonnis van 17 december 2025

in de zaak van

[eiser] ,

te [plaats 1] ,

eisende partij,

hierna te noemen: [eiser] ,

procederend in persoon,

[toevoeging verleend onder [nummer] ]

tegen

[gedaagde] ,

te [plaats 2] ,

gedaagde partij,

hierna te noemen: [gedaagde] ,

gemachtigde: mr. R.S. Schouten.

De zaak in het kort

Deze zaak gaat over een tussen partijen gesloten bewaarnemingsovereenkomst en de vraag of de bewaarnemer heeft voldaan aan de op hem rustende zorgplicht en teruggaveplicht van de auto in dezelfde staat. De bewaargever vindt dat dat niet het geval is en vordert om die reden schadevergoeding. De kantonrechter oordeelt dat de bewaargever de schending van de zorgplicht en teruggaveplicht onvoldoende heeft onderbouwd. Dat had vanwege de gemotiveerde betwisting door de bewaarnemer wel op zijn weg had gelegen. De gestelde tekortkomingen in de nakoming van de bewaarnemingsovereenkomst kunnen daarom niet worden vastgesteld. Ook is onvoldoende aangevoerd voor een geslaagd beroep op dwaling en onrechtmatig handelen door de bewaarnemer. Dit leidt tot afwijzing van de schadevordering.

1. De procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding

- de conclusie van antwoord

- het tussenvonnis van 26 maart 2025

- de akte van [eiser]

- de antwoordakte van [gedaagde]

- het tussenvonnis van 18 juni 2025

- de mondelinge behandeling van 20 november 2025, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt

- de e-mail van 6 november 2025 met nadere stukken van [eiser] .

Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De feiten

[gedaagde] voert een bedrijf dat zich richt op het bieden van stalling voor caravans, campers, aanhangers en auto’s.

[eiser] is eigenaar van een Jaguar QEV uit 1999 (hierna: de auto).

[eiser] is op 14 november 2015 langs geweest bij [gedaagde] om de opslaglocaties op het terrein van [gedaagde] te bekijken. Partijen hebben vervolgens een overeenkomst gesloten ter bewaarneming van de auto van [eiser] op het terrein van [gedaagde] en [eiser] heeft de auto ter bewaarneming bij [gedaagde] achtergelaten.

Op 27 oktober 2017 heeft [eiser] de auto opgehaald.

Op 1 december 2018 heeft [eiser] de auto opnieuw bij [gedaagde] gestald en betaalde daarvoor € 25,00 per maand aan stallingskosten. De auto is in een overdekte ruimte gezet en is daar blijven staan en [eiser] heeft steeds de verschuldigde stallingskosten betaald.

In mei 2023 heeft [gedaagde] geconstateerd dat [eiser] gedurende meerdere bezoeken aan de opslaglocatie in de periode vanaf 6 mei 2023 werkzaamheden aan de auto heeft uitgevoerd en daarbij onderdelen van de auto in de aanhanger van [eiser] worden gelegd. [gedaagde] heeft [eiser] daarop aangesproken en medegedeeld dat dit op grond van de bewaarnemingsovereenkomst niet is toegestaan. Omdat [eiser] daarna opnieuw onderdelen uit de auto heeft gehaald, heeft [gedaagde] aan [eiser] medegedeeld dat de overeenkomst na de stallingsperiode niet wordt verlengd.

Per brief van 11 augustus 2023 heeft [eiser] aan [gedaagde] gevraagd de auto op een later moment te kunnen ophalen.

[eiser] heeft [gedaagde] per brieven van 18, 20 en 29 september 2023 aansprakelijk gehouden voor schadeposten en verzocht de auto te verplaatsen naar een plek conform de overeenkomst.

Op 30 september 2023 heeft [eiser] de overeenkomst opgezegd en op dezelfde datum heeft [eiser] de auto van de opslaglocatie van [gedaagde] afgevoerd.

3. Het geschil

[eiser] vordert - samengevat – terugbetaling van de stallingskosten van € 1.781,00, € 13.422,16 aan schadevergoeding, € 1.105,04 aan buitengerechtelijke incassokosten en (werkelijke) proceskosten van € 132,19 en € 230,17.

[eiser] legt aan de vordering - samengevat - ten grondslag dat tussen partijen een overeenkomst van opdracht (en subsidiair een overeenkomst tot bewaarneming) tot stand is gekomen en dat [gedaagde] tekort is geschoten in zijn verplichtingen uit deze overeenkomst, zodat [eiser] deze rechtsgeldig heeft ontbonden en hij recht heeft op terugbetaling van de stallingskosten en vergoeding van schade. [eiser] heeft aan [gedaagde] kenbaar gemaakt dat de auto moet zijn beschermd tegen hagel, krassen en vogelpoep en de auto daarom in een afgesloten overdekte hal zou worden gestald op harde ondergrond. De auto moest verder schadevrij en in dezelfde staat worden teruggegeven. Dit is een resultaatsverbintenis. [eiser] heeft de facturen steeds tijdig betaald, maar bij de hernieuwde plaatsing heeft [gedaagde] niet voldaan aan de tussen partijen gemaakte afspraken. [gedaagde] heeft niet de zorg geleverd zoals van een bewaarnemer mag worden verwacht en heeft niet voldaan aan de verplichting de auto in dezelfde staat terug te geven.

[eiser] heeft ook gedwaald als gevolg van de door [gedaagde] gegeven onjuiste voorstelling van zaken door het geven van onjuiste informatie en het verzwijgen van informatie over de plaats van de stalling en de wijze waarop de auto gestald zou worden. [eiser] heeft daarom de overeenkomst rechtsgeldig buitengerechtelijk vernietigd.

Ook heeft [gedaagde] diverse onrechtmatige daden gepleegd jegens [eiser] wat leidt tot aansprakelijkheid van [gedaagde] voor (immateriële) schade.

[gedaagde] voert verweer en concludeert tot afwijzing van de vorderingen van [eiser] , met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van [eiser] in de kosten van deze procedure.

[gedaagde] voert - samengevat - het volgende verweer. Tussen partijen geldt uitsluitend de bewaarnemingsovereenkomst zoals deze in 2015 is gesloten. Deze is, toen [eiser] zijn auto op 1 december 2018 opnieuw bij [gedaagde] in bewaring gaf, op dezelfde voorwaarden voortgezet. [gedaagde] betwist dat aanvullende afspraken over de stalling zijn gemaakt of garanties zijn gegeven. Ook betwist [gedaagde] dat hij onjuiste informatie heeft verstrekt. [eiser] heeft de auto in 2018 zelf op de betreffende plek gezet en daarmee ingestemd. [eiser] heeft vervolgens vijf jaar niet naar de auto omgekeken en nagelaten de auto op een andere plek te krijgen of op te halen. [gedaagde] betwist dan ook dat hij is tekortgeschoten in de zorgplicht. Een beroep op schending van de zorgplicht is ook te laat. [eiser] heeft nooit eerder dan op 18 september 2023 (nadat [gedaagde] had aangegeven dat de stalling zou eindigen) geklaagd over de plek van de stalling of de toestand van de auto. Bij de omstandigheid dat de auto niet in dezelfde staat is teruggegeven moet ook worden betrokken dat [eiser] door verwijdering van onderdelen, de auto in praktisch gesloopte staat heeft achtergelaten. [gedaagde] voert verder verweer tegen de gestelde onrechtmatige daden. Ten slotte betwist [gedaagde] de schadeposten.

In de antwoordakte voert [gedaagde] aan dat [eiser] zijn vorderingen nog steeds niet op ordentelijke wijze heeft voorgelegd, hij daardoor in zijn belangen wordt geschaad en dat de dagvaarding en akte daarom nietig moeten worden verklaard.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.

4. De beoordeling

De wijze waarop de dagvaarding is ingesteld

Onder verwijzing naar wat de kantonrechter daarover in het tussenvonnis van 26 maart 2025 heeft overwogen, oordeelt de kantonrechter dat de oorspronkelijke dagvaarding niet voldoet aan de eisen die daaraan in de wet en op grond van de goede procesorde worden gesteld. Met het oog daarop is [eiser] in de gelegenheid gesteld om zijn vordering bij akte alsnog op duidelijke en beknopte wijze te presenteren. Deze akte is op 23 april 2025 genomen. Hoewel deze akte nog steeds (enkele) vragen oproept over de vordering van [eiser] en de grondslag daarvoor en [gedaagde] terecht stelt dat deze akte niet volledig voldoet aan wat in het tussenvonnis is bepaald, kan daaruit naar het oordeel van de kantonrechter echter in voldoende mate worden afgeleid wat [eiser] van [gedaagde] vordert en wat hij daaraan feitelijk en juridisch ten grondslag legt, waarbij de kantonrechter - voor zover nodig - de rechtsgronden aanvult. [gedaagde] is ook in staat gebleken om daartegen gemotiveerd inhoudelijk verweer te voeren. Voor een nietigverklaring ziet de kantonrechter dan ook geen aanleiding. Wel zal de kantonrechter bepalen dat de dagvaarding wordt vervangen door de door [eiser] ingediende akte. Deze vormt dan ook de basis van de verdere inhoudelijke beoordeling van de zaak en de inhoud van de dagvaarding wordt buiten beschouwing gelaten. Daarbij zal de kantonrechter kennis nemen van de door [eiser] ingediende producties, ook die bij de dagvaarding zijn ingediend, maar alleen indien en voor zover [eiser] daar in de akte expliciet naar heeft verwezen.

Bij de inhoudelijke beoordeling wordt ook betrokken wat partijen tijdens de zitting hebben aangevoerd. Aan het bezwaar van [gedaagde] dat [eiser] nieuwe feiten en standpunten naar voren heeft gebracht waardoor hij in zijn procesbelang zou zijn geschaad, wordt voorbij gegaan. Ter zitting is gebleken dat [gedaagde] daar, waar nodig, adequaat op heeft kunnen reageren.

De overeenkomst tussen partijen

[gedaagde] heeft een overeenkomst overgelegd waarvan hij stelt dat deze in november 2015 door [eiser] is ondertekend en een kopie daarvan aan [eiser] is verstrekt. [eiser] stelt dat de overeenkomst achteraf is opgesteld en betwist de authenticiteit. In dit geval kan in het midden blijven of een schriftelijke overeenkomst is aangegaan, omdat tussen partijen in ieder geval vast staat dat een overeenkomst is gesloten. Deze overeenkomst moet worden gekwalificeerd als een overeenkomst van bewaarneming, waarvoor het navolgende geldt.

Bewaarneming is de overeenkomst waarbij de ene partij, de bewaarnemer, zich

tegenover de andere partij, de bewaargever, verbindt, een zaak die de bewaargever hem toevertrouwt of zal toevertrouwen, te bewaren en terug te geven. De bewaargever is bij wijze van uitgangspunt bewaarloon verschuldigd en de bewaarnemer moet bij de bewaring de zorg van een goed bewaarnemer in acht nemen. De bewaarnemer is verplicht de auto aan de bewaargever terug te geven in dezelfde staat waarin hij de auto heeft ontvangen. Op de bewaarnemer rust niet een zogenoemde resultaatsverbintenis. Als de bewaarnemer aan zijn zorgplicht heeft voldaan, dan zal de eventuele tekortkoming in de nakoming van de teruggaveplicht hem niet kunnen worden toegerekend.

Wat moet worden verstaan onder de zorgplicht en hoe ver deze moet gaan in een concreet geval, is in de eerste plaats afhankelijk van de inhoud van de overeenkomst zelf en van uitleg daarvan (de zin die partijen in het licht van alle omstandigheden van het geval over en weer redelijkerwijs daaraan mochten toekennen en wat zij redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten). Hoe ver de zorg van een goed bewaarnemer moet gaan, hangt af van onder andere de aard van de zaak, de professionele hoedanigheid van de bewaarnemer, aard en omvang van de overeenkomst en de hoogte van het eventuele bewaarloon.

Op grond van de overeenkomst rust dus op [gedaagde] de verplichting zich als goed bewaarnemer te gedragen en (in beginsel) tot teruggave van de auto in dezelfde staat. Meer of andere verplichtingen rusten in dit geval niet op [gedaagde] . De door [eiser] gestelde aanvullende afspraken, bestaande uit de stalling van de auto in een afgesloten overdekte hal op een harde ondergrond en dagelijkse inspectierondes, zijn betwist door [gedaagde] en aan de zijde van [eiser] vervolgens niet nader onderbouwd. [eiser] heeft volstaan met een enkele stelling. De gestelde aanvullende afspraken zijn daarom niet komen vast te staan in deze procedure en daaraan wordt voorbij gegaan. Dat betekent dat [eiser] zijn vordering niet kan baseren op het niet nakomen van deze afspraken door [gedaagde] .

Geen tekortkomingen van [gedaagde]

Volgens [eiser] is [gedaagde] zijn verplichtingen uit de overeenkomst vanaf 1 december 2018 niet nagekomen. [eiser] wordt hierin niet gevolgd. Dit wordt als volgt toegelicht.

[eiser] stelt zich op het standpunt dat de auto op een ongeschikte plek stond en [gedaagde] daarom niet aan de op hem als bewaarnemer rustende zorgplicht heeft voldaan. De auto stond op anderhalve meter van een grote deuropening op mul zand. Volgens [eiser] werd de auto daardoor blootgesteld aan zandstormen, wind, regen, vogelpoep en zand en maakt dat de plek ongeschikt voor het bewaren van de auto. De kantonrechter volgt [eiser] hierin niet. Los van de vraag wie de auto op 1 december 2018 op de betreffende plek heeft gestald ( [eiser] of [gedaagde] ), wist [eiser] waar de auto stond en heeft hij toen met die plek ingestemd. [eiser] heeft de situatie vervolgens jarenlang zo laten voortbestaan. Daarmee heeft hij de situatie aanvaard. Ook op de zitting, na herhaaldelijk doorvragen van de kantonrechter, heeft [eiser] geen goede reden kunnen geven voor het laten voortduren van de bestaande situatie en heeft hij niet goed kunnen uitleggen waarom hij niet heeft ingegrepen en de auto heeft weggehaald als hij vond dat de auto op een ongeschikte plek stond. [eiser] stelt weliswaar dat hij vanaf medio 2019 iedere twee maanden langs kwam en toen steeds mondeling klaagde over de plek, maar dat blijkt nergens uit en is gemotiveerd weersproken door [gedaagde] , die stelt dat [eiser] vijf jaar niet naar zijn auto heeft omgekeken en pas in september 2023 klachten heeft geuit. De kantonrechter gaat daarom niet mee in het standpunt van [eiser] dat de auto op een ongeschikte plek stond vanwege de grote opening op anderhalve meter van zijn auto en het mulle zand. Daarvoor is meer nodig.

De schending van de zorgplicht bestaat er volgens [eiser] ook uit dat [gedaagde] heeft aangeraden de autoramen deels open te zetten voor ventilatie en heeft afgeraden een ademende autohoes over de auto te plaatsen, wat tot (meer) schade heeft geleid. Ook dit is weersproken door [gedaagde] en vervolgens niet concreet gemaakt door [eiser] .

Dit betekent dat [eiser] onvoldoende heeft onderbouwd dat [gedaagde] zijn zorgplicht heeft geschonden. Op dit punt kan dus geen tekortkoming worden vastgesteld.

De tekortkoming van [gedaagde] bestaat volgens [eiser] verder uit de staat waarin hij zijn auto van [gedaagde] heeft teruggekregen. [eiser] stelt dat hij een auto in goede staat in bewaring heeft gegeven en dat de auto totaal is verwoest door de ongeschikte plek met lakschade en schade in het interieur door zand en weersinvloeden. Op zichzelf genomen staat vast dat [eiser] de auto op 30 september 2023 niet in dezelfde staat heeft teruggekregen als de staat waarin deze was toen de auto in bewaring werd gegeven. Dat betekent echter niet dat [gedaagde] niet aan zijn verplichtingen heeft voldaan. [gedaagde] heeft er namelijk terecht op gewezen dat bij de omstandigheid dat de auto niet in dezelfde staat is teruggegeven moet worden betrokken de leeftijd van de auto (uit 1999) die sinds 2018 niet APK was gekeurd en ruim vier jaar zonder enige vorm van onderhoud in de stalling van [gedaagde] is achtergelaten. Ook heeft [gedaagde] er terecht op gewezen dat [eiser] vanaf mei 2023 onderdelen van de auto heeft verwijderd, de auto in praktisch gesloopte staat heeft achtergelaten en dus zelf heeft verhinderd dat de auto in dezelfde staat kon worden teruggegeven. Dat vindt ook steun in de overgelegde foto’s en de erkenning van [eiser] tijdens de zitting dat hij inderdaad de stoelen, de motorkap, het dashboard, het middenconsole, de linker voorportier en de linker vleugel van de auto heeft verwijderd. [gedaagde] kon de auto simpelweg niet in dezelfde staat terugleveren door toedoen van [eiser] zelf. In deze situatie had [eiser] er bovendien op bedacht moeten zijn dat er sprake zou zijn van (enige vorm van) vervuiling. De auto was immers voor een groot deel uit elkaar gehaald. Dat de situatie daadwerkelijk zo ernstig is als [eiser] stelt, heeft hij verder niet met objectieve stukken, zoals een rapport van een onafhankelijk deskundige, onderbouwd. Nu achteraf kan dat niet meer worden beoordeeld of onderzocht. [eiser] heeft de auto immers uit elkaar gehaald en opgehaald. Dus wat de toestand van de auto was toen [eiser] de auto terug kreeg bij het einde van de bewaarneming kan niet meer worden onderzocht. Dit ligt in de risicosfeer van [eiser] en komt dan ook voor zijn rekening. Een tekortkoming in de nakoming van de teruggaveplicht kan dan ook niet worden vastgesteld.

Geen dwaling

[eiser] stelt zich ook op het standpunt dat hij heeft gedwaald als gevolg van een door [gedaagde] gegeven onjuiste voorstelling van zaken door het geven van onjuiste informatie en het verzwijgen van informatie over de plaats van de stalling en de wijze waarop de auto gestald zou worden, namelijk in een afgesloten overdekte hal met harde ondergrond met regelmatige inspectes. Het beroep op dwaling slaagt niet.

Voor een geslaagd beroep op dwaling is vereist dat sprake is van een onjuiste voorstelling van zaken op grond waarvan de overeenkomst is aangegaan en dat de overeenkomst bij een juiste voorstelling van zaken niet of niet op dezelfde voorwaarden zou zijn gesloten. Ook is vereist dat de wederpartij een onjuiste inlichting heeft gegeven of een mededelingsplicht heeft geschonden of ook van een onjuiste voorstelling van zaken uitging.

In de eerste plaats kan geen sprake zijn van een onjuiste voorstelling van zaken, reeds omdat, zoals hiervoor is overwogen, [eiser] wist waar de auto was gestald. Hij was er dus mee bekend dat de auto op relatief korte afstand van een opening stond in het mulle zand. [eiser] heeft de auto daar achtergelaten en heeft het daar vervolgens jarenlang bij gelaten.

Ook als [eiser] zou worden gevolgd in zijn standpunt dat hij heeft gedwaald over de plaats van de stalling en de wijze waarop de auto zou worden gestald, ligt het op zijn weg feiten en omstandigheden aan te voeren waaruit blijkt dat [gedaagde] hem onjuist heeft ingelicht of de mededelingsplicht heeft geschonden. Dat heeft [eiser] onvoldoende gedaan. Daarnaast is voor het slagen van een beroep op dwaling ook vereist dat [eiser] stelt - en in geval van betwisting aannemelijk had gemaakt - dat hij de overeenkomst zonder de dwaling niet dan wel niet op dezelfde voorwaarden was aangegaan. [eiser] is de stallingskosten blijven betalen en heeft de auto al die tijd op dezelfde plek laten staan zonder actie te ondernemen. Daarom heeft [eiser] onvoldoende aannemelijk gemaakt dat hij de overeenkomst zonder de dwaling niet dan wel niet op dezelfde voorwaarden zou zijn aangegaan.

Geen onrechtmatig handelen

Volgens [eiser] heeft [gedaagde] onrechtmatige daden jegens hem gepleegd door hem te confronteren met een verzonnen voertuigeis, hem te belemmeren zijn auto te bezoeken en schade daaraan vast te stellen en hem te bedreigen om zijn auto op straat te zetten en schade aan de auto toe te brengen. Ook hier geldt dat [gedaagde] gemotiveerd verweer heeft gevoerd en het dus aan [eiser] is om zijn standpunten concreet te maken en voldoende te onderbouwen. Dat heeft hij niet gedaan. Ook heeft [eiser] zijn schade als gevolg van het gestelde onrechtmatig handelen door [gedaagde] volstrekt niet (deugdelijk) onderbouwd, nog afgezien van de vraag of de gestelde schade het gevolg is van het gestelde onrechtmatig handelen (het causaal verband). De door [eiser] ingediende stukken kunnen in ieder geval niet dienen als een toereikende onderbouwing van de door hem gestelde schade.

Proceskosten

[eiser] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [gedaagde] worden begroot op:

- salaris gemachtigde

1.218,00

(3 punten × € 406,00)

- nakosten

135,00

(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)

Totaal

1.353,00.

5. De beslissing

De kantonrechter

wijst de vorderingen van [eiser] af,

veroordeelt [eiser] in de proceskosten van € 1.353,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [eiser] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. S. Slijkhuis en in het openbaar uitgesproken op 17 december 2025.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?