ECLI:NL:RBNHO:2025:15854

ECLI:NL:RBNHO:2025:15854

Instantie Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak 28-11-2025
Datum publicatie 30-01-2026
Zaaknummer C/15/370224 / KG ZA 25-631
Rechtsgebied Civiel recht; Verbintenissenrecht
Procedure Kort geding
Zittingsplaats Haarlem

Samenvatting

Ex-samenwoners. Verdeling gezamenlijke woning. De man weigert medewerking aan toedeling van de woning aan de vrouw. De vrouw stelt dat de man hiertoe gehouden is op grond van een mondelinge overeenkomst en dat het handelen van de man in strijd is met de redelijkheid en billijkheid. De vorderingen worden afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK Noord-Holland

Civiel recht

Zittingsplaats Haarlem

Zaaknummer: C/15/370224 / KG ZA 25-631

Vonnis in kort geding van 28 november 2025

in de zaak van

[eiser] ,

te [plaats],

eisende partij,

hierna te noemen: [eiser],

advocaat: mr. C. van der Ploeg,

tegen

[gedaagde] ,

te [plaats],

gedaagde partij,

hierna te noemen: [gedaagde],

advocaat: mr. J.H. Evekink.

De zaak in het kort

Partijen hebben met elkaar samengewoond. Inmiddels is de relatie geëindigd. De vrouw wenst de gezamenlijke woning toegedeeld te krijgen tegen een getaxeerde waarde van € 480.000,-. De man weigert zijn medewerking aan die toedeling. Volgens de vrouw is de man hiertoe gehouden omdat tussen hen een mondelinge overeenkomst bestaat en het handelen van de man in strijd is met de redelijkheid en billijkheid. De man betwist dit.

De voorzieningenrechter wijst de vorderingen af.

1. De procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding met producties 1 t/m 19

- de conclusie van antwoord in kort geding en voorwaardelijke eis in reconventie met producties 1 t/m 3

- de brief met aanvullende producties 20 t/m 22 van [eiser]

- de mondelinge behandeling van 19 november 2025, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt- de pleitnota van mr. van der Ploeg namens [eiser].

Ter gelegenheid van de mondelinge behandeling zijn verschenen:

- [eiser], bijgestaan door mr. van der Ploeg voornoemd

- [gedaagde], bijgestaan door mr. Evekink voornoemd.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De feiten

Partijen hebben een affectieve relatie gehad en vijf jaar met elkaar samengewoond.

In januari 2020 hebben partijen de gezamenlijke eigendom, ieder voor de onverdeelde helft, verkregen van de woning gelegen aan de [adres] in [plaats] (hierna: de woning). De koopsom bedroeg € 310.000,-.

Op 30 januari 2020 hebben partijen een samenlevingsovereenkomst gesloten.

In september 2022 is uit de relatie een dochter geboren.

In juni 2024 is de affectieve relatie tussen partijen beëindigd. Na verbreking van de relatie was (en is) het uitgangspunt dat [eiser] de woning zou overnemen, als zij financieel in staat zou zijn om [gedaagde] zijn deel van de overwaarde te betalen en onder de voorwaarde dat hij uit de hoofdelijke aansprakelijkheid voor de op de woning rustende hypothecaire geldlening wordt ontslagen.

Op 25 oktober 2024 hebben partijen een mediation-overeenkomst gesloten met als doel het beëindigen van de samenleving en het vastleggen van afspraken rondom de dochter.

Op 19 december 2024 hebben [eiser] en [gedaagde] per WhatsApp aan elkaar gestuurd:

[eiser] : [gedaagde] het is goed als de woning binnenkort wordt getaxeerd toch

Dan hebben we de waarde waar je t gister over had

[gedaagde] : Dat kan je het beste met je adviseur bespreken

Want als je nu gaat taxeren en over een jaar pas alles rond maakt dan heeft het geen zin

Even als voorbeeld

Op 3 januari 2025 is de woning – in opdracht van [eiser] – getaxeerd. De taxatiewaarde bedraagt € 480.000,-. De factuur van deze taxatie is door [eiser] betaald.

In een WhatsAppbericht van 9 januari 2025 vraagt [eiser] aan [gedaagde] of ze die week kunnen overleggen over, onder meer, het taxatierapport. In reactie hierop heeft [gedaagde] gevraagd of [eiser] hem het taxatierapport kan toesturen. Dit heeft [eiser] vervolgens gedaan.

In februari 2025 heeft [eiser] zich tot een hypotheekadviseur gewend.

Op 25 maart 2025 hebben [eiser] en haar werkgever een addendum op haar arbeidsovereenkomst gesloten waarin staat dat [eiser] met ingang van 1 april 2025 haar werkzaamheden uitbreidt naar 40 uur per week.

Op 25 april 2025 heeft de hypotheekadviseur aan [eiser] een BLG-rente aanbod gestuurd. Daarbij is aangegeven dat de bank nog diverse documenten van [eiser] nodig heeft.

[eiser] heeft twee concept beëindigingsovereenkomsten (in mei en in juni) opgesteld. Deze concepten zijn niet ondertekend.

Op 13 juni 2025 hebben partijen via mediation een ouderschapsplan opgesteld en ondertekend.

Op 26 juni 2025 heeft BLG-bank een hypotheekofferte aan [eiser] verstrekt (hierna: de offerte). Op 4 juli 2025 heeft [eiser] de offerte ondertekend. Op basis van de offerte kan [eiser] – uitgaande van een woningwaarde van € 480.000,- – de hypothecaire geldlening volledig op zich nemen en aan [gedaagde] de overwaarde van zijn aandeel in de woning betalen. De offerte is geldig tot 23 december 2025.

Omdat de medewerking van [gedaagde] aan overdracht van zijn aandeel in de woning uitbleef heeft [eiser] een advocaat ingeschakeld. In een brief van 29 augustus 2025 heeft de advocaat aan [gedaagde] verzocht te laten weten of hij instemt met overdracht van zijn aandeel in de woning aan [eiser].

In reactie op deze brief heeft [gedaagde] laten weten dat hij vreest voor dakloosheid en dat hij een hertaxatie van de woning wenst.

Partijen wonen tot op heden nog steeds samen in de woning.

3. Het geschil

in conventie

[eiser] vordert – na wijziging van eis – kort gezegd, de wijze van verdeling van de woning te bepalen als volgt:

de woning wordt tegen een waarde van € 480.000,- toegedeeld aan [eiser], met veroordeling van [eiser] om uiterlijk bij de levering een bedrag van € 81.179,- aan [gedaagde] te betalen;

[gedaagde] te veroordelen om op eerste verzoek van de notaris onvoorwaardelijk de notariële leveringsakte te tekenen waarbij het onverdeelde aandeel van [gedaagde] in de woning wordt geleverd aan [eiser], onder de voorwaarde dat uiterlijk bij de levering de BLG-wonen bank heeft verklaard dat [gedaagde] zal worden ontslagen uit de hoofdelijke aansprakelijkheid voor de op de woning rustende hypothecaire geldlening;

[gedaagde] te veroordelen om de woning uiterlijk binnen één maand na betekening van dit vonnis, of op een datum die de voorzieningenrechter redelijk acht, te verlaten en te ontruimen;

te bepalen dat dit vonnis na betekening aan [gedaagde] in de plaats zal treden van zijn medewerking en/of handtekening in het geval hij weigerachtig is zijn medewerking te verlenen aan de notariële levering van zijn onverdeelde aandeel in de eigendom van de woning, aan [eiser];

[gedaagde] te veroordelen tot het betalen van een dwangsom van € 2500,- voor iedere dag(deel), dat hij in gebreke blijft om na betekening aan dit vonnis aan een of meer van de vorderingen a. t/m d. correct na te komen.

[eiser] stelt dat partijen mondeling hebben afgesproken dat de taxatiewaarde leidend zou zijn voor de afwikkeling van de samenlevingsovereenkomst en meer in het bijzonder voor de verdeling van de woning. Een door [gedaagde] gewenste nieuwe taxatie is in strijd met de afspraken tussen partijen en in strijd met de redelijkheid en billijkheid. De taxatie is zorgvuldig en met medeweten van [gedaagde] tot stand gekomen en partijen waren op de hoogte van het doel ervan. Steeds is duidelijk geweest dat [eiser] de woning zou overnemen, mits zij daarvoor financiering kon verkrijgen. [eiser] heeft aanzienlijke inspanningen geleverd; een hypotheekadviseur ingeschakeld, haar arbeidsuren uitgebreid en vervolgens een hypotheekofferte verkregen die geldig is tot 23 december 2025. Er is geen valide grond voor de weigering van [gedaagde] om aan de verdeling mee te werken, zeker niet een grond die zwaarder weegt dan het belang van [eiser] om de woning toegedeeld te krijgen.

[gedaagde] voert verweer. [gedaagde] concludeert tot niet-ontvankelijkheid van [eiser], dan wel tot afwijzing van de vorderingen van [eiser], met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van [eiser] in de kosten van deze procedure.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

in voorwaardelijke reconventie

In het geval [eiser] besluit de kortgedingprocedure in te trekken vordert [gedaagde] [eiser] te veroordelen in de werkelijk door hem gemaakte proceskosten van € 6.050,00, inclusief alle nakosten, dan wel ter hoogte van een bedrag aan werkelijke proceskosten zoals de voorzieningenrechter in goede justitie juist acht, althans de vrouw te veroordelen in de kosten van deze procedure overeenkomstig het liquidatietarief, inclusief alle nakosten.

[gedaagde] voert aan dat hij de daadwerkelijke proceskosten vordert omdat [eiser] het op een nodeloze procedure heeft aan laten komen.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4. De beoordeling

Spoedeisend belang

De stelling van [eiser] dat de aan haar verstrekte hypotheekofferte op 23 december 2025 verloopt, is voldoende om een spoedeisend belang bij de vordering aan te nemen.

Niet gebleken van overeenstemming over woningwaarde

[eiser] stelt dat partijen mondeling zijn overeengekomen dat de woning tegen de taxatiewaarde van € 480.000,- aan [eiser] mag worden toegedeeld, mits zij financieel in staat is de op de woning rustende hypothecaire geldlening volledig op zich te nemen én aan [gedaagde] de overwaarde van zijn aandeel in de woning te betalen. [gedaagde] voert aan dat hij geen bezwaar heeft tegen toedeling van de woning aan [eiser], maar hij betwist dat tussen partijen overeenstemming bestaat over de waarde van de woning.

De voorzieningenrechter moet in dit kort geding beoordelen of de ingestelde vorderingen in een bodemprocedure een zodanige kans van slagen hebben, dat vooruitlopend daarop toewijzing van een voorlopige voorziening gerechtvaardigd is. Als uitgangspunt geldt ook dat in deze kortgedingprocedure geen plaats is voor bewijslevering.

Beoordeeld moet worden of voorshands voldoende aannemelijk is dat partijen overeenstemming hadden over toedeling van de woning tegen de taxatiewaarde van € 480.000,-. Dit is niet het geval. Uit de overgelegde stukken kan niet worden afgeleid dat partijen overeenstemming over de waarde van de woning hebben bereikt. Nergens uit blijkt dat partijen voorafgaand aan de taxatie hebben afgesproken dat dit bedrag bepalend zou zijn. Vast staat dat de taxatie in opdracht van [eiser] is verricht. [eiser] is daarna weliswaar voortvarend aan de slag gegaan om te onderzoeken of toedeling van de woning tegen de taxatiewaarde mogelijk was, maar nergens uit blijkt dat [gedaagde] op enig moment met deze waardering akkoord was. Ook de concept beëindigingsovereenkomsten zijn op eigen initiatief van [eiser] opgesteld. Hoewel niet is gebleken dat [gedaagde] in reactie op de eerste concept beëindigingsovereenkomst van mei 2025 bezwaren heeft geuit tegen de daarin opgenomen waarde van € 480.000,-, heeft [gedaagde] onweersproken aangevoerd dat hij heeft aangegeven zich juridisch te willen laten voorlichten over de te maken afspraken. Enige beëindigingsovereenkomst is ook nooit door partijen ondertekend. Gelet op deze omstandigheden is van een (mondelinge) overeenkomst over de waarde van de woning in deze kortgedingprocedure onvoldoende gebleken.

Geen strijd met de redelijkheid en billijkheid

[eiser] betoogt daarnaast dat zij een nieuwe taxatie in strijd acht met de redelijkheid en billijkheid, omdat de taxatie zorgvuldig en met medeweten van [gedaagde] tot stand is gekomen en partijen op de hoogte waren van het doel daarvan. Het gunnen van extra tijd aan [gedaagde] mag er volgens [eiser] niet toe leiden dat zij nu het financiële risico draagt en [gedaagde] daaruit mogelijk een voordeel behaalt.

Hoewel de voorzieningenrechter begrijpt dat het voor [eiser] onrechtvaardig kan aanvoelen, is het niet meewerken door [gedaagde] aan toedeling van de woning tegen een waarde van € 480.000,- niet zo onaanvaardbaar dat hij nu gedwongen kan worden tot medewerking tegen deze waarde. Voorafgaand aan het laten uitvoeren van een taxatie heeft [gedaagde] bovendien aangegeven dat taxeren geen zin heeft als pas een jaar later ‘alles rond is’. [gedaagde] hoeft niet in te stemmen met de taxatiewaarde en mag zich hierover juridisch laten voorlichten. Bovendien is de vertraging niet alleen aan de kant van [gedaagde] veroorzaakt. Vast staat dat [eiser] de hypotheekofferte pas op 4 juli 2025 heeft getekend. Dat is een half jaar na de taxatie. [gedaagde] handelt dus niet in strijd met de redelijkheid en billijkheid door nu niet mee te werken aan toedeling van de woning voor de destijds getaxeerde waarde.

De voorzieningenrechter merkt ten overvloede nog het volgende op. [gedaagde] heeft ter zitting verklaard dat zijn insteek niet is dat opnieuw getaxeerd moet worden, maar dat hij op basis van de huidige situatie een beslissing over toedeling van de woning wil nemen. Daarbij heeft [gedaagde] ook gezegd dat als overname van de woning door [eiser] om de een of andere reden niet (meer) haalbaar is, hij zeker bereid is om hierover in gesprek te gaan. De voorzieningenrechter geeft partijen dringend in overweging dat gesprek zo snel mogelijk te voeren, bijvoorbeeld aan de hand van de prijsontwikkeling in hun regio (zie bijvoorbeeld de NVM-site), zodat zij nog vóór het aflopen van de offerte overeenstemming kunnen bereiken over de voorwaarden waaronder de toedeling van de woning aan [eiser] kan plaatsvinden. Vertraging in dit traject kan ertoe leiden dat de offerte voor de hypotheek verloopt en dat [eiser] en de dochter van partijen de woning moeten verlaten voor een relatief beperkt financieel belang.

Proceskosten

De voorzieningenrechter ziet geen reden om af te wijken van het uitgangspunt dat in procedures tussen ex-samenwoners de proceskosten zullen worden gecompenseerd, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

In voorwaardelijke reconventie

De vordering in reconventie is ingesteld onder de voorwaarde dat [eiser] deze kortgedingprocedure zou intrekken. Omdat dit niet is gebeurd komt de voorzieningenrechter niet toe aan de beoordeling van deze vordering.

5. De beslissing

De voorzieningenrechter

wijst de vorderingen van [eiser] af,

compenseert de kosten van de procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

Dit vonnis is gewezen door mr. W.S.J. Thijs en in het openbaar uitgesproken op 28 november 2025.

1589

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?