RECHTBANK Noord-Holland
Civiel recht
Zittingsplaats Haarlem
Zaaknummer: C/15/370497 / KG ZA 25-643
Vonnis in kort geding van 11 december 2025
in de zaak van
[eiser] ,
te [plaats 1],
eisende partij,
hierna te noemen: [eiser],
advocaat: mr. L.C.G.M. Joosten,
tegen
[gedaagde] ,
te [plaats 2],
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde],
onttrokken gemachtigde: [gemachtigde 1].
De zaak in het kort
In een tussenvonnis zijn partijen in de gelegenheid gesteld om nadere informatie in de procedure te overleggen over de medische gesteldheid van de hond. Door de co-owner zijn geen stukken (tijdig) in de procedure gebracht. De voorzieningenrechter oordeelt dat niet bewezen is dat er een noodzaak tot onmiddellijke sterilisatie van de hond was. Daarmee
staat vast dat er een tekortkoming is in de nakoming van de plaatsingsovereenkomst.
De vorderingen als ingesteld bij vermeerdering van eis worden toegewezen. De voorzieningenrechter verklaart voor recht dat de plaatsingsovereenkomst is ontbonden en bepaalt verder: dat de kosten van het dierenartsonderzoek voor rekening van de co-owner komen, dat de co-owner de door haar ingeschakelde dierenartsen moet verzoeken om binnen twee weken (op haar kosten) het patiëntendossier van de hond aan de eigenaar te sturen, en bepaalt dat de hond definitief bij de eigenaar zal blijven en niet terugkeert naar de co-owner.
1. De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het tussenvonnis van 30 oktober 2025
- de beantwoording vragen uit tussenvonnis alsmede vermeerdering van eis van [eiser]
- het bericht van de voorzieningenrechter van 20 november 2025, waarin [gedaagde] in de gelegenheid is gesteld om binnen één week te reageren en is bericht dat daarna vonnis zal worden gewezen
- het bericht van [gemachtigde 1] van 26 november 2025, waarin zij zich terugtrekt als gemachtigde van [gedaagde]
- de e-mail van [gedaagde] van 26 november 2025, met daarin een reactie op de vermeerdering van eis.
Ten slotte is vonnis bepaald.
2. De vermeerdering van eis
[eiser] heeft haar eis vermeerderd als volgt:
IV. voor recht te bepalen dat de overeenkomst tussen partijen van 28 juli 2021 is ontbonden door nalatigheid in de verplichtingen van [gedaagde] en het onthouden van passende zorg voor Sofie;
V. te bepalen dat de kosten voor het onderzoek van Sofie bij Dierenartsenpraktijk [bedrijf] voor rekening van [gedaagde] komen;
VI. te bepalen dat [gedaagde] binnen drie dagen na de datum van dit vonnis een mail naar de dierenarts in [plaats 2] en een mail naar de [plaats 3] dierenarts stuurt met een cc naar [eiser] en haar advocaat waarin [gedaagde] aan beide dierenartsen aangeeft dat zij volledige openheid en alle informatie mogen verstrekken aan [eiser] aangaande Sofie en het verzoek om binnen twee weken het dossier van Sofie rechtstreeks te mailen naar [eiser] dan wel haar advocaat. Dit alles op straffe van een dwangsom van €500,- per dag of dagdeel dat [gedaagde] te laat is met het verzenden van de mail;
VII. te bepalen dat indien er kosten zijn verbonden aan het verstrekken van informatie en/of het dossier door de dierenarts te [plaats 2] en/of de [plaats 3] dierenarts, dat deze kosten voor rekening komen van [gedaagde];
VIII. te bepalen dat Sofie (definitief) zal verblijven bij [eiser] en aldus niet terug zal keren naar [gedaagde].
In reactie op de vermeerdering van eis voert [gedaagde] aan dat de hond niet de benodigde zorg is ontnomen en ook wel degelijk de juiste voeding heeft gekregen, zodat de hond daadwerkelijk bij haar kan verblijven.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.
3. De verdere beoordeling
Ontbinding plaatsingsovereenkomst
In het tussenvonnis van 30 oktober 2025 heeft de voorzieningenrechter overwogen dat beoordeeld moet worden of aannemelijk is dat in een bodemgeschil zal worden geoordeeld dat de door [eiser] ingeroepen gedragingen van [gedaagde] een voldoende zwaarwegende grond voor opzegging van de plaatsingsovereenkomst vormen.
Op grond van de plaatsingsovereenkomst is het [gedaagde] niet toegestaan om zonder instemming van [eiser] ingrepen aan de hond te laten verrichten, tenzij dit om gezondheidsredenen noodzakelijk is. De strekking van de desbetreffende bepaling in de plaatsingsovereenkomst is dat de eigenaar van de hond zich de bevoegdheid heeft voorbehouden om zelf te beoordelen of een ingreep noodzakelijk is. Dat geldt zeker voor sterilisatie, omdat onnodige sterilisatie het economische doel van de plaatsingsovereenkomst volledig ondergraaft.
[gedaagde] draagt de bewijslast van haar stelling dat zij op diergeneeskundige gronden onmiddellijk een sterilisatie heeft laten uitvoeren.
De voorzieningenrechter heeft [gedaagde] in het tussenvonnis een handreiking gedaan door te vermelden welke informatie van belang wordt geacht om dit bewijs te kunnen leveren. Er zijn door [gedaagde] geen stukken (tijdig) in de procedure gebracht.
Omdat niet bewezen is dat er een noodzaak tot onmiddellijke sterilisatie van de hond was, staat vast dat er een tekortkoming is in de nakoming van de plaatsingsovereenkomst.
Daar komt bij dat de voorzieningenrechter de indruk heeft dat [gedaagde] ook overigens een loopje heeft genomen met haar verplichtingen onder de plaatsingsovereenkomst.
Zo heeft [gedaagde] – ondanks meerdere verzoeken daartoe – geweigerd informatie aan [eiser] te verstrekken over de loopsheid van de hond en een bij de hond geconstateerde baarmoederontsteking. Ook is op grond van de door [eiser] overgelegde verklaring van de [plaats 3] dierenarts (productie 18) aannemelijk dat [gedaagde] geknoeid heeft met het patiëntendossier, nu het door [gedaagde] aan [eiser] verstrekte patiëntendossier van de hond een pagina blijkt te bevatten die niet door deze dierenarts is opgesteld. Bovendien heeft [gedaagde] meermaals de afgifte van de hond aan [eiser] gedwarsboomd, terwijl zij op grond van de plaatsingsovereenkomst tot die afgifte is gehouden.
De gevorderde verklaring voor recht kan in kort geding niet worden gegeven.
De vorderingen sub V t/m VIII zijn wel toewijsbaar, met dien verstande dat een bepaling in kort geding uit de aard der zaak niet definitief kan zijn.
De voorzieningenrechter zal aan dit vonnis als bijlage I een voorbeeldtekst aanhechten die [gedaagde] kan gebruiken om aan de veroordeling onder 4.3. te voldoen. [gedaagde] dient alleen de naam van de dierenarts en het e-mailadres van [eiser] (haar wel bekend) nog in te vullen. Nu de hond op grond van het tussenvonnis al aan [eiser] is afgegeven, is het belang aan de vorderingen sub I en II komen te ontvallen.
De voorzieningenrechter zal de gevorderde dwangsom beperken en maximeren als in de beslissing vermeld.
Proceskosten
[gedaagde] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. Voor een van [gedaagde] veroordeling in de reële proceskosten is onvoldoende grond. De proceskosten van [eiser] worden begroot op:
- griffierecht
€
331,00
- salaris advocaat
€
1.107,00
- nakosten
€
178,00
(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
€
1.616,00
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.
4. De beslissing
De voorzieningenrechter
bepaalt dat Sofie (totdat partijen anders afspreken of een rechter anders beslist) zal verblijven bij [eiser] en aldus niet terug zal keren naar [gedaagde],
bepaalt dat de kosten voor het onderzoek van Sofie bij Dierenartsenpraktijk [bedrijf] voor rekening van [gedaagde] komen,
bepaalt dat [gedaagde] binnen drie dagen na de datum van dit vonnis een door haar ondertekend schriftelijk bericht naar de dierenarts in [plaats 2] en een mail naar de [plaats 3] dierenarts stuurt met een cc naar [eiser] en haar advocaat waarin [gedaagde] aan beide dierenartsen aangeeft dat zij volledige openheid en alle informatie mogen verstrekken aan [eiser] aangaande Sofie en het verzoek om binnen twee weken het dossier van Sofie rechtstreeks te mailen naar [eiser] dan wel haar advocaat,
bepaalt dat [gedaagde] een dwangsom zal verbeuren van € 100,00 voor iedere dag dat zij niet aan de onder 4.3. uitgesproken veroordeling voldoet, tot een maximum van € 2.000,00 is bereikt,
bepaalt dat indien er kosten zijn verbonden aan het verstrekken van informatie en/of het dossier door de dierenarts te [plaats 2] en/of de [plaats 3] dierenarts, dat deze kosten voor rekening komen van [gedaagde],
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 1.616,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 92,00 plus de kosten van betekening als [gedaagde] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
veroordeelt [gedaagde] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. A.H. Schotman en in het openbaar uitgesproken op 11 december 2025.
1589
Bijlage I – voorbeeldtekst bericht aan dierenarts
Geachte [naam dierenarts],
Hierbij geef ik u op last van de voorzieningenrechter van de rechtbank Noord-Holland toestemming om volledige openheid te geven en alle informatie betreffende hond Sofie, geboren op 1 juni 2021, chipnummer: [nummer], te delen met de rechtmatige eigenaar van de hond, mevrouw [eiser].
Ik verzoek u om binnen twee weken het volledige patiëntendossier van hond Sofie rechtstreeks te mailen naar het e-mailadres van mevrouw [eiser]: [e-mailadres], met een kopie van die mail naar mij.
Alvast hartelijk dank voor uw medewerking.
Ik stuur een kopie van dit bericht naar de genoemde mevrouw [eiser].
Met vriendelijke groet,[gedaagde]
(handtekening)
Omdat op deze verplichting een dwangsom is gesteld is het verstandig om dit bericht naar beide dierenartsen aangetekend te verzenden.