RECHTBANK Noord-Holland
Civiel recht
Zittingsplaats Haarlem
Zaaknummer: C/15/370709/KG ZA 25-657
Vonnis in kort geding van 16 december 2025
in de zaak van
[eiser] ,
te [plaats 1],
eisende partij,
hierna te noemen: [eiser],
advocaat: mr. R.J. van de Leur,
tegen
[gedaagde] ,
te [plaats 2],
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde],
advocaat: mr. M.P.C.L. van Marissing.
De zaak in het kort
Twee eigenaren van aangrenzende panden discussiëren over de vraag of de opbouw die gedaagde aan het realiseren is op zijn pand zorgt voor een overbouwsituatie over de erfgrens. Tijdens de zitting hebben partijen overeenstemming bereikt, met uitzondering van de door eiser gevorderde dwangsom en de proceskosten. De voorzieningenrechter legt de gemaakte afspraken in dit vonnis vast en beslist op de voornoemde openstaande kwesties.
1. De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding met producties 1 t/m 14
- de akte vermeerdering eis met producties 15 en 16
- de conclusie van antwoord met producties 1 t/m 5
- de mondelinge behandeling van 2 december 2025, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt- de pleitnotitie van mr. van de Leur namens [eiser]- de pleitnota van mr. van Marissing namens [gedaagde].
Ter gelegenheid van de mondelinge behandeling zijn verschenen:
- [eiser], bijgestaan door mr. van de Leur voornoemd
- [gedaagde], bijgestaan door mr. van Marissing voornoemd.
Ten slotte is vonnis bepaald.
2. De feiten
Sinds 4 mei 2020 is [gedaagde] eigenaar van het perceel met bebouwing gelegen aan
de [adres] te [plaats 1]. [eiser] is eigenaar van de naastgelegen woning.
In maart 2025 is [gedaagde] gestart met de bouw van een opbouw op zijn pand.
In mei 2025 heeft [eiser] aan [gedaagde] laten weten geen overbouw te accepteren.
In september 2025 is discussie tussen partijen ontstaan nadat [gedaagde] de dakgoot van de woning van [eiser] heeft verwijderd, dit tot lekkages bij [eiser] heeft geleid en [gedaagde] per WhatsApp aan [eiser] heeft laten weten dat de op te trekken nieuwe muur van zijn woning ongeveer vier centimeter over de erfgrens komt te staan.
In een brief van 19 september 2025 heeft de advocaat van [eiser] [gedaagde] onder meer gesommeerd de gerealiseerde overbouw te verwijderen en (schriftelijk) te bevestigen dat in de verdere bouwfasen geen overbouw meer zal plaatsvinden en de erfgrens volledig wordt gerespecteerd.
Op 22 september 2025 heeft [gedaagde] per WhatsApp aan [eiser] verzocht om een afspraak te maken zodat hij kan uitleggen waarom hij bouwt zoals de huidige situatie.
[eiser] is vervolgens deze procedure gestart. [gedaagde] heeft in afwachting van de uitspraak de bouw stilgelegd.
3. Het geschil
[eiser] vordert:
I. [gedaagde] te veroordelen om binnen twee weken na betekening van het vonnis op kosten van gedaagde partij:
A. de bouwmuur aan de achterzijde, die over de erfgrens is gebouwd, te verwijderen (en te herbouwen op eigen erf), alsmede het perceel van [eiser] te herstellen naar de oude staat;
B. de overbouw van het dak (dak overstek) en zijgevel van het bouwwerk van [gedaagde] boven het perceel van [eiser] te verwijderen (en te herbouwen op eigen erf), alsmede de dakgoot van [eiser] te herstellen naar de oude staat en omvang;
C. door een deskundig bedrijf/persoon, volledig herstel uit te voeren van alle zaken die vochtschade of lekkage kunnen veroorzaken naar de woning van [eiser] (aldus vakkundig herstel naar de normen van goed en degelijk vakwerk) en na herstel bewijs te overleggen van deze uitgevoerde werkzaamheden middels het overleggen van een werkbon en/of specificatie van de werkzaamheden;
II. [gedaagde] te verbieden bij de verdere realisatie van het bouwwerk een overbouw te realiseren boven het perceel van [eiser];
III. bij gebreke waarvan ten gunste van [eiser] een dwangsom verschuldigd zal worden van € 500,- voor iedere dag dat gedaagde met het voormelde onder I (A, B en C) en II afzonderlijk daarmee in gebreke mocht blijven met een maximum van € 20.000,-, althans een door de voorzieningenrechter in goede justitie te bepalen dwangsom;
IV. [gedaagde] te veroordelen in de proceskosten, vermeerderd met € 131,- (€ 199,- in geval van betekening) aan nakosten, te voldoen binnen veertien dagen na dagtekening van het vonnis, en voor het geval voldoening niet binnen de gestelde termijn plaatsvindt – te vermeerderen met de wettelijke rente, te rekenen vanaf gestelde termijn tot aan de dag van algehele voldoening.
[gedaagde] voert verweer. [gedaagde] concludeert tot niet-ontvankelijkheid van [eiser], dan wel tot afwijzing van de vorderingen van [eiser], met veroordeling van [eiser] in de kosten van deze procedure.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.
4. De beoordeling
Overeenstemming partijen
Ter zitting zijn partijen het eens geworden op de volgende punten.
Vordering I
[gedaagde] heeft de muur aan de achterzijde van zijn woning dusdanig aangepast dat geen sprake is van een overbouwsituatie.
[gedaagde] heeft toegezegd dat de overbouw van het dak (dak overstek) en de zijgevel van het bouwwerk aan de rechterkant van de erfgrens blijven, welke grens nader is aangeduid op de als bijlage I aan dit vonnis aangehechte bouwtekening met een blauwe stippellijn. Enige uitzondering hierop is dat partijen hebben afgesproken dat het boeideel maximaal drie centimeter over de erfgrens mag steken, waarbij [gedaagde] de toezegging heeft gedaan dat als [eiser] ooit een opbouw op zijn woning wil realiseren het boeideel verwijderd zal worden bij de dan gemaakte dakconstructie. [gedaagde] heeft toegezegd een roestvrijstalen dakgoot aan de woning van [eiser] terug te zullen plaatsen, welke dakgoot minimaal de breedte van de voormalige dakgoot zal hebben dan wel iets groter zal zijn.
Tussen partijen is niet in geschil dat geen sprake is van actieve lekkages en dat eerdere lekkages naar tevredenheid zijn verholpen.
Vordering II
[gedaagde] heeft toegezegd bij de verdere realisatie van zijn bouwwerk de erfgrens in acht te nemen. De vordering zal worden toegewezen.
Voormelde overeenstemming brengt mee dat de vorderingen sub I A en C bij gebrek aan belang niet toewijsbaar zijn. De vordering sub I B zal worden toegewezen overeenkomstig de hiervoor genoemde afspraken. Ook de vordering sub II zal worden toegewezen. Wat betreft het onder III gevorderde hebben partijen geen overeenstemming bereikt.
De voorzieningenrechter zal hierna op deze vordering ingaan.
Vordering III - dwangsom
De voorzieningenrechter zal een dwangsom opleggen, zodat voor [gedaagde] een prikkel bestaat tot nakoming van de gedane toezeggingen. De voorzieningenrechter zal bepalen dat een dwangsom pas verschuldigd kan raken eerst nádat [gedaagde] aan [eiser] heeft bericht dat de bouw is gerealiseerd. De voorzieningenrechter gaat ervan uit dat dit uiterlijk 1 februari 2026 het geval zal zijn.
De gevorderde dwangsom zal worden beperkt tot een bedrag van € 250,- per dag met een maximum van € 10.000,-.
Proceskosten
[eiser] vordert een vergoeding van proceskosten, omdat hij eerst een dagvaarding heeft moeten laten uitbrengen voordat [gedaagde] heeft toegezegd bij de (verdere) bouw de erfgrens te zullen respecteren. [gedaagde] voert aan dat hij eind september 2025 al heeft aangestuurd op overleg en meent dat partijen daarom ieder de eigen proceskosten moeten dragen.
Uit het WhatsAppbericht waarnaar [gedaagde] verwijst volgt dat hij graag wilde uitleggen waarom hij bouwde overeenkomstig het op dat moment aan [eiser] bekende bouwplan, waarop de omgevingsvergunning is verleend. Vast staat dat daarin sprake was van een overbouwsituatie. Het plan waarop de hiervoor vermelde overeenstemming voortbouwt is eerst kort voor de zitting aan [eiser] voorgelegd. [eiser] heeft dan ook met reden deze procedure aanhangig gemaakt. [gedaagde] moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen.
De proceskosten van [eiser] worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
€
145,45
- griffierecht
€
331,00
- salaris advocaat
€
1.107,00
- nakosten
€
178,00
(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
€
1.761,45
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.
5. De beslissing
De voorzieningenrechter
verbiedt [gedaagde] bij verdere realisatie van zijn bouwwerk de erfgrens te overschrijden, die is weergegeven met een blauwe stippellijn op de als bijlage I aan dit vonnis aangehechte bouwtekening, met uitzondering van een maximale overschrijding van het boeideel van het bouwwerk van drie centimeter,
bepaalt dat, als [eiser] een opbouw op zijn woning wil realiseren, het boeideel aan het pand van [gedaagde] bij de dan gemaakte dakconstructie verwijderd zal worden,
veroordeelt [gedaagde] tot herstel van de dakgoot van [eiser], door (terug)plaatsing van een roestvrijstalen dakgoot van de oude afmetingen dan wel van iets groter formaat,
veroordeelt [gedaagde] om aan [eiser] een dwangsom te betalen van € 250,- voor iedere dag of gedeelte daarvan dat hij niet aan de veroordelingen onder 5.1 en/of 5.3 voldoet, tot een maximum van € 10.000,- is bereikt, waarbij geldt dat de dwangsom pas verschuldigd kan raken nádat [gedaagde] aan [eiser] heeft bericht dat de bouw is gerealiseerd,
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 1.761,45, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 92,00 plus de kosten van betekening als [gedaagde] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
veroordeelt [gedaagde] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. A.H. Schotman en in het openbaar uitgesproken op 16 december 2025.
1589
Bijlage 1 – bouwtekening