ECLI:NL:RBNHO:2025:15862

ECLI:NL:RBNHO:2025:15862

Instantie Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak 03-12-2025
Datum publicatie 30-01-2026
Zaaknummer C/15/364173 / HA ZA 25-206
Rechtsgebied Civiel recht; Verbintenissenrecht
Procedure Bodemzaak
Zittingsplaats Haarlem

Samenvatting

Incident. Vordering is niet-ontvankelijk voor zover zij zijn gericht tegen gedaagde in zijn hoedanigheid van executeur in de nalatenschap. Afwijzing vordering tot afgifte van stukken.

Uitspraak

RECHTBANK Noord-Holland

Civiel recht

Zittingsplaats Haarlem

Zaaknummer: C/15/364173 / HA ZA 25-206

Vonnis in incident van 3 december 2025 (bij vervroeging)

in de zaak van

1. [eiser 1],

2. [eiser 2],

beiden te [plaats 1],

eisende partijen in de hoofdzaak,

eisende partijen in het incident,

hierna samen te noemen: [eiser 1] en [eiser 2],

advocaat: mr. T.A. Bruins,

tegen

1. [gedaagde 1], in persoon en handelend in zijn hoedanigheid van executeur in de nalatenschap van [erflaatster],

te [plaats 2],2. [gedaagde 2],

te [plaats 4],

gedaagde partijen in de hoofdzaak,

verwerende partijen in het incident,

hierna samen te noemen: [gedaagde 1] en [gedaagde 2],

advocaat: mr. S.J. Kerbusch.

1. De procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit:

de dagvaarding met producties 1 t/m 8

de conclusie van antwoord in het incident met producties 1 en 2 van [gedaagde 1] en [gedaagde 2]

de akte uitlaten producties van [eiser 1] en [eiser 2]

de akte overlegging producties met producties 3 t/m 12 van [gedaagde 1] en [gedaagde 2]

de akte overlegging productie met productie 9 van [eiser 1] en [eiser 2]

de akte uitlating nieuwe producties tevens conclusie tot vermeerdering/wijziging van eis van [eiser 1] en [eiser 2]

de brief van mr. Kerbusch met producties 13 en 14 van [gedaagde 1] en [gedaagde 2]

de mondelinge behandeling in het incident van 31 oktober 2025, waarvan de griffier aantekeningen heeft gemaakt.

Ten slotte is vonnis bepaald in het incident.

2. Feiten

[eiser 1] en [eiser 2] zijn de enige kinderen van de op 17 juli 2017 overleden [erflater] (hierna: vader). Vader heeft bij testament van 6 juni 2001 over zijn nalatenschap beschikt en zijn echtgenote en [eiser 1] en [eiser 2] tot erfgenamen benoemd, ieder voor 1/3 deel.

De ouders van vader, [betrokkene 1] (hierna: opa) en [erflaatster] (hierna: oma) zijn in algehele gemeenschap van goederen gehuwd. Sinds 1988 waren zij eigenaar van het appartementsrecht, rechtgevende op het uitsluitend gebruik van de woning met schuur en verdere aanhorigheden aan de [adres] in [plaats 3] (hierna: de woning).

Op 12 februari 2019 is opa overleden. Hij heeft niet over zijn nalatenschap beschikt.

Op grond van de regels van plaatsvervulling werden [eiser 1] en [eiser 2] erfgenaam in de nalatenschap van opa en kregen zij een vordering op oma. De hoogte van die vordering is nooit vastgesteld.

Op 22 december 2022 heeft oma de woning verkocht en geleverd aan [gedaagde 1] en [gedaagde 2] voor € 321.950,-, onder voorbehoud van het recht van gebruik en bewoning.

Op enig moment is oma verhuisd naar het verpleeghuis [naam] in [plaats 4].

Op 15 februari 2023 is oma overleden. Oma heeft bij testament van 18 juni 2019 over haar nalatenschap beschikt en [gedaagde 1] en [gedaagde 2] tot erfgenamen benoemd, ieder voor een gelijk deel. [eiser 1] en [eiser 2] zijn uitdrukkelijk uitgesloten van erfopvolging.

3. De vordering in de hoofdzaak

[eiser 1] en [eiser 2] vorderen – kort gezegd – voor zover de vordering in het incident niet (geheel) wordt toegewezen, [gedaagde 1] en [gedaagde 2] te veroordelen tot afgifte van diverse (financiële) stukken, op straffe van een dwangsom. Daarnaast vorderen zij [gedaagde 1] en [gedaagde 2] te veroordelen om als voorschot op de nalatenschappen van opa en oma aan hen elk een bedrag van € 50.000,- per nalatenschap te voldoen en een overzicht van het saldo van de nalatenschap van opa op te stellen. [eiser 1] en [eiser 2] vorderen een verklaring voor recht dat de contante waarde van de aan hen toekomende vordering in de nalatenschap van opa gelijk is aan een kwart voor ieder van het vermogen van opa en veroordeling van [gedaagde 1] en [gedaagde 2] tot betaling van dat bedrag. Tot slot vorderen [eiser 1] en [eiser 2] – nadat zij een opstelling hebben kunnen maken van het saldo van de nalatenschap van oma – een verklaring voor recht dat een bedrag van € 148.050,- bij de legitimaire massa dient te worden opgeteld en voor recht te verklaren dat de vordering van [eiser 1] en [eiser 2] in de nalatenschap van oma gelijk is aan de waarde van dat gedeelte van het vermogen van oma waarop een legitimaris in weerwil van gedane giften en gemaakte uiterste wilsbeschikkingen aanspraak op kan maken, te vermeerderen met de wettelijke rente en [gedaagde 1] en [gedaagde 2] te veroordelen tot betaling van dat bedrag.

4. De vordering in het incident

[eiser 1] en [eiser 2] vorderen na hun akte tot wijziging van eis en vervolgens hun vermindering van eis ter zitting [gedaagde 1], voor zover hij als executeur in de nalatenschap van oma is betrokken, en [gedaagde 1] en [gedaagde 2], voor zover [gedaagde 1] niet meer als executeur bij de nalatenschap is betrokken, te veroordelen binnen veertien dagen na betekening van dit vonnis, aan hen een afschrift te verstrekken van:

de aangifte erfbelasting ter zake het overlijden van opa, alsmede de opgelegde aanslag, dan wel een verklaring van de Belastingdienst dat er geen aangifte hoefde te worden gedaan;

de aangifte inkomstenbelasting van opa en oma en de bijbehorende aanslagen over de jaren 2018 en 2019 ter zake opa en over 2018 tot en met 2023 ter zake oma, met uitzondering van de aangifte inkomstenbelasting over 2021 en de aanslag inkomstenbelasting over 2022;

de stukken omtrent de intake van oma bij [naam] en haar dossier waaruit blijkt sinds wanneer zij daar verbleef, ook op tijdelijke basis;

en d.) om binnen één week na dit vonnis de bankinstellingen, waaronder ABN AMRO Bank, Rabobank, ING Bank, SNS Bank, ASN Bank en CMIS NEDERLAND B.V./ GMAC RFC, aan te schrijven per aangetekende brief, met een kopie (met bewijs van verzending) aan [eiser 1] en [eiser 2] te verstrekken, dat [gedaagde 1] en [gedaagde 2] als erfgenamen van oma in het kader van de afwikkeling van de nalatenschap opgave vragen van alle rekeningen, die oma en/of opa vanaf 2018 tot heden hebben aangehouden bij deze banken,

alles op straffe van een dwangsom van € 2.000,-, althans een door de rechtbank te bepalen bedrag, per dag tot aan het moment dat volledig aan het vonnis is voldaan.

[eiser 1] en [eiser 2] stellen dat zij de gevorderde stukken nodig hebben om tot een oordeel te kunnen komen of sprake is van een vernietigbare levering van de woning en hoe hoog hun vordering op oma was vanwege het vooroverlijden van opa en wat de legitimaire massa is ter zake het vermogen van oma op grond waarvan hun legitieme portie kan worden vastgesteld. Ondanks diverse verzoeken daartoe, betogen [eiser 1] en [eiser 2] nog niet alle gevraagde informatie van [gedaagde 1] en [gedaagde 2] te hebben ontvangen.

[gedaagde 1] en [gedaagde 2] voeren verweer en concluderen primair tot niet-ontvankelijkheid en subsidiair tot afwijzing van de vorderingen van [eiser 1] en [eiser 2].

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

5. De beoordeling in het incident

De rechtbank zal [eiser 1] en [eiser 2] in hun vorderingen in het incident, voor zover zij die hebben gericht tegen [gedaagde 1] in zijn hoedanigheid van executeur in de nalatenschap van oma, niet ontvankelijk verklaren. Zoals op de zitting is komen vast te staan, heeft [gedaagde 1] zijn benoeming tot executeur nog niet aanvaard. Daarmee is hij geen executeur in de nalatenschap van oma, zodat de vorderingen tegen hem niet kunnen worden gericht in hoedanigheid als executeur. [gedaagde 1] heeft op de zitting overigens verklaard dat hij binnenkort een afspraak heeft bij de notaris, waar hij zijn benoeming als executeur zal weigeren.

[gedaagde 1] en [gedaagde 2] hebben zich als (primair) verweer op het standpunt gesteld dat [eiser 1] en [eiser 2] ook niet ontvankelijk zijn in hun vorderingen in het incident, voor zover gericht tegen hen in hun hoedanigheid als erfgenamen in de nalatenschap van oma. Zij voeren daarvoor aan dat zij de nalatenschap van erflaatster nog niet hebben aanvaard en dat daarom sprake is van een onbeheerde nalatenschap. De rechtbank verwerpt dat verweer. Dat [gedaagde 1] en [gedaagde 2] de nalatenschap van oma nog niet hebben aanvaard, staat er niet aan in de weg dat [eiser 1] en [eiser 2] belang kunnen hebben bij stukken en informatie, voor zover [gedaagde 1] en [gedaagde 2] daarover beschikken of als erfgenamen daarover de beschikking kunnen krijgen, om hun vordering(en) op de nalatenschap van oma te kunnen vaststellen. [eiser 1] en [eiser 2] kunnen daarom wel worden ontvangen in hun vorderingen, voor zover gericht tegen [gedaagde 1] en [gedaagde 2] in hun hoedanigheid als erfgenamen in de nalatenschap van oma. Die vorderingen zal de rechtbank hierna beoordelen.

[eiser 1] en [eiser 2] zijn geen erfgenamen in de nalatenschap van oma. Door plaatsvervulling als gevolg van het vooroverlijden van vader kunnen zij kunnen wel aanspraak maken op hun legitieme portie. [eiser 1] en [eiser 2] kunnen als legitimarissen tegenover [gedaagde 1] en [gedaagde 2] als erfgenamen aanspraak maken op inzage en afschrift van alle bescheiden die zij voor de berekening van hun legitieme portie nodig hebben. [gedaagde 1] en [gedaagde 2] moeten aan [eiser 1] en [eiser 2] desgevraagd alle daartoe strekkende inlichtingen verstrekken. Uit de wetsgeschiedenis blijkt dat dit informatierecht zo ruim mogelijk moet worden uitgelegd, maar wel met de beperking dat het moet gaan om gegevens die nodig zijn voor de berekening van de legitieme portie. Dat betekent dat [eiser 1] en [eiser 2] recht hebben op de bescheiden waarmee zij de omvang en de waarde van de nalatenschap van oma op het moment van overlijden kunnen controleren. Voor de vaststelling van de omvang van de legitimaire massa zijn echter ook vóór het overlijden gedane giften door oma van belang. [eiser 1] en [eiser 2] hebben daarom ook een gerechtvaardigd belang bij het kunnen controleren of door oma aan [gedaagde 1] en [gedaagde 2] of derden schenkingen zijn gedaan. Zij zijn niet gehouden af te gaan op mededelingen van [gedaagde 1] en [gedaagde 2] daarover. Of [gedaagde 1] en [gedaagde 2] gehouden zijn om alle in dit incident (nog) gevorderde bescheiden en informatie aan [eiser 1] en [eiser 2] te verstrekken, zal de rechtbank hierna (vanaf 5.5) bespreken.

De rechtbank begrijpt dat [gedaagde 1] en [gedaagde 2] de in dit incident gevorderde gegevens en informatie ook stellen nodig te hebben om als erfgenamen in de nalatenschap van opa en door de plaatsvervulling als gevolg van het vooroverlijden van vader, de omvang van hun vordering op de nalatenschap van oma die overeenkomt met de waarde van hun erfdeel in de nalatenschap van opa, vast te kunnen stellen. Omdat het gaat om dezelfde stukken en informatie die [eiser 1] en [eiser 2] vorderen om hun legitieme portie te kunnen bepalen, waarmee zij tegelijk als erfgenamen van opa ook hun vordering op de nalatenschap van oma zouden kunnen bepalen, zal de rechtbank de vorderingen van [gedaagde 1] en [gedaagde 2] voor zover die betrekking heeft op hun vordering als erfgenamen van opa op de nalatenschap van oma, niet afzonderlijk beoordelen.

Sub a – de aangifte en aanslag erfbelasting van opa

[eiser 1] en [eiser 2] vorderen een afschrift van de aangifte erfbelasting en opgelegde aanslag ter zake het overlijden van opa, of een verklaring van de Belastingdienst dat er geen aangifte hoefde te worden gedaan.

De rechtbank zal deze vordering afwijzen. Hiervoor is het volgende van belang. [gedaagde 1] en [gedaagde 2] hebben in de conclusie van antwoord verklaard dat zij deze stukken niet voorhanden hebben en dat zij deze zullen opvragen bij de Belastingdienst. [gedaagde 1] en [gedaagde 2] hebben een kopie van een brief overgelegd, gedateerd 23 juni 2025, die zij aan de Belastingdienst zouden toesturen. Zij hebben toegezegd aan [eiser 1] en [eiser 2] dat zij de aangifte en aanslag erfbelasting aan [eiser 1] en [eiser 2] zullen sturen en in deze procedure zullen overleggen als zij deze stukken hebben ontvangen. Ter zitting hebben [gedaagde 1] en [gedaagde 2] nader toegelicht dat zij de hiervoor genoemde brief destijds niet hebben verstuurd, omdat de boekhouder al stukken, waaronder de aangifte en aanslag erfbelasting, had opgevraagd bij de Belastingdienst voor de aangifte inkomstenbelasting (IB). De Belastingdienst heeft vervolgens aan de boekhouder laten weten deze stukken niet aan hem te kunnen verstrekken, omdat de erfgenamen deze informatie zelf moeten opvragen. [gedaagde 1] en [gedaagde 2] hebben toen alsnog, omstreeks 25 september 2025, de brief van 23 juni 2025 aan de Belastingdienst gezonden, maar hierop hebben zij tot op heden nog geen reactie ontvangen. [gedaagde 1] en [gedaagde 2] beschikken dus (nog) niet over de aanslag en aangifte erfbelasting van opa, maar zij hebben deze stukken wel opgevraagd. Omdat [gedaagde 1] en [gedaagde 2] op dit moment nog niet beschikken over de aangifte en aanslag erfbelasting, kunnen zij ook niet worden veroordeeld om die stukken aan [eiser 1] en [eiser 2] te verstrekken. [gedaagde 1] en [gedaagde 2] hebben ter zitting toegezegd de Belastingdienst op de hoogte te zullen stellen van hun beneficiaire aanvaarding van de nalatenschap van oma, zodra dit bij de notaris geregeld is. De rechtbank gaat er daarom vanuit dat [gedaagde 1] en [gedaagde 2], zoals zij hebben toegezegd, de stukken aan [eiser 1] en [eiser 2] zullen verstrekken als zij deze alsnog van de Belastingdienst ontvangen.

Sub b – de aangiften en aanslagen inkomstenbelasting van opa en oma

[eiser 1] en [eiser 2] vorderen een afschrift van de aangiftes inkomstenbelasting van opa en oma en de daarbij behorende aanslagen over de jaren 2018 en 2019 ter zake opa en over de jaren 2018 tot en met 2023 ter zake oma, met uitzondering van de aangifte IB over 2021 en de aanslag IB over 2022 die zij inmiddels hebben ontvangen,

De rechtbank zal ook deze vordering afwijzen. Uit de conclusie van antwoord in het incident volgt dat – met uitzondering van de al overgelegde aanslag IB 2021 en de aangifte IB 2022 van oma – [gedaagde 1] en [gedaagde 2] de aangiftes en aanslagen van opa en oma niet voorhanden hebben. Ook voor deze stukken geldt dat [gedaagde 1] en [gedaagde 2] die hebben opgevraagd met de brief die zij omstreeks 25 september 2025 aan de Belastingdienst hebben verzonden. Omdat [gedaagde 1] en [gedaagde 2] op dit moment nog niet beschikken over de aangiftes en aanslagen IB, kunnen zij ook niet worden veroordeeld om die stukken te verstrekken aan [eiser 1] en [eiser 2]. De rechtbank gaat er daarom ook hier vanuit dat [gedaagde 1] en [gedaagde 2], zoals zij hebben toegezegd, de stukken aan [eiser 1] en [eiser 2] zullen verstrekken als zij deze alsnog van de Belastingdienst ontvangen.

Sub c – de stukken over de intake van oma in [naam]

[eiser 1] en [eiser 2] vorderen de stukken over de intake van oma bij [naam] en haar dossier waaruit blijkt sinds wanneer zij daar verbleef, ook op tijdelijke basis.

De rechtbank zal deze vordering afwijzen. Dit wordt hierna toegelicht. [gedaagde 1] en [gedaagde 2] hebben in de conclusie van antwoord toegelicht dat zij niet over de gevraagde informatie beschikken, omdat de opname van oma in [naam] is geregeld door de broer van oma, [betrokkene 2] (hierna: [betrokkene 2]). Om toch aan het verzoek te kunnen voldoen heeft [betrokkene 2] navraag gedaan bij [naam]. Bij e-mail van 12 juni 2025 heeft [betrokkene 3], zorgcoördinator bij [naam], aan [betrokkene 2] bericht dat oma van 11 januari 2023 tot aan haar overlijden op 15 februari 2023 in [naam] heeft gewoond. [gedaagde 1] en [gedaagde 2] hebben deze e-mail in deze procedure overgelegd.

Ter zitting hebben [eiser 1] en [eiser 2] hun vordering gehandhaafd. Zij stellen nu dat zij het zorgdossier nodig hebben ter onderbouwing van hun stelling dat oma op 19 december 2022 niet meer wilsbekwaam was. Dit sluit echter niet aan bij de vordering van [eiser 1] en [eiser 2]. Zij hebben immers stukken gevorderd waaruit blijkt sinds wanneer oma in [naam] verbleef. Aan die vordering hebben [gedaagde 1] en [gedaagde 2] voldaan door overlegging van de e-mail van de zorgcoördinator van 12 juni 2025, waaruit blijkt wanneer oma in [naam] heeft verbleven. Daarbij is het overigens de vraag of uit het zorgdossier van [naam] kan blijken of oma al op 19 december 2022 wilsonbekwaam was, omdat zij pas vanaf 11 januari 2023 in [naam] verbleef.

[eiser 1] en [eiser 2] hebben op de zitting gesteld te twijfelen aan de juistheid van de inhoud van de e-mail van [naam]. Maar met de enkele stelling van [eiser 1] en [eiser 2] dat zij van vrienden van oma hebben gehoord dat oma al eerder verhuisd zou zijn naar [naam], hebben zij onvoldoende onderbouwd dat getwijfeld moet worden aan de juistheid van de verklaring van de zorgcoördinator van [naam]. Uit de e-mail van [naam] blijkt duidelijk gedurende welke periode oma in [naam] heeft verbleven. [eiser 1] en [eiser 2] hebben daarom geen belang (meer) bij het verkrijgen van inzage in het zorgdossier van oma om de verblijfsperiode van oma in [naam] te kunnen vaststellen.

Sub d – de opgave van bankrekeningen

[eiser 1] en [eiser 2] vorderen [gedaagde 1] en [gedaagde 2] te veroordelen om de bankinstellingen, waaronder ABN AMRO Bank, Rabobank, ING Bank, SNS Bank, ASN Bank en CMIS NEDERLAND B.V./ GMAC RFC, per aangetekende brief aan te schrijven dat zij als erfgenamen in het kader van de afwikkeling van de nalatenschap opgave vragen van alle rekeningen die oma en/of opa vanaf 2018 tot heden hebben aangehouden bij deze banken.

De rechtbank zal de vordering afwijzen. Hiervoor is het volgende van belang. Vast staat dat [gedaagde 1] en [gedaagde 2] niet bekend zijn met de bankrekening(en) van opa en oma. Zij hebben ter zitting gesteld dat zij vlak voor de zitting de brieven aan bovengenoemde bankinstellingen met het verzoek tot opgave van bankrekeningen van opa en oma vanaf 1 januari 2018 tot heden, hebben ondertekend en dat deze brieven aangetekend (en indien mogelijk ook per e-mail) na de zitting verzonden zullen worden. Zij hebben deze brieven op de zitting getoond en zoals afgesproken na de zitting aan de rechtbank en de advocaat van [eiser 1] en [eiser 2] samen met de verzendbewijzen nagezonden. Daarmee hebben [gedaagde 1] en [gedaagde 2] aan de vordering van [eiser 1] en [eiser 2] voldaan. [eiser 1] en [eiser 2] hebben daarom geen belang meer bij toewijzing van de vordering. De rechtbank volgt [eiser 1] en [eiser 2] niet in hun standpunt dat de tekst van de brieven aan de banken te vrijblijvend is en het nog maar de vraag is of de banken de gevraagde informatie zullen verstrekken. In de brieven hebben [gedaagde 1] en [gedaagde 2] toegelicht dat zij het verzoek doen als erfgenamen in de nalatenschap van oma, met bijgevoegd de verklaring van erfrecht in de nalatenschap van opa, een kopie van het testament van oma en kopieën van hun legitimatiebewijzen. In de brief hebben [gedaagde 1] en [gedaagde 2] de situatie omschreven zoals deze op dit moment feitelijk is, zoals het feit dat zij de nalatenschap nog niet hebben aanvaard, dat [gedaagde 1] zijn benoeming tot executeur niet heeft aanvaard en dat zij een notaris hebben verzocht een verklaring van erfrecht in de nalatenschap van oma op te stellen. Daarnaast hebben [gedaagde 1] en [gedaagde 2] toegezegd dat zij de banken direct zullen informeren over hun beneficiaire aanvaarding van de nalatenschap van oma en de verklaring van erfrecht in de nalatenschap van oma aan de banken zullen nazenden, nadat dit in december 2025 bij de notaris geregeld is.

Proceskosten

Gelet op het familierechtelijke karakter van deze procedure zullen de proceskosten worden gecompenseerd, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

6. De beslissing

De rechtbank

in het incident

verklaart [eiser 1] en [eiser 2] niet ontvankelijk in hun vorderingen, voor zover gericht tegen [gedaagde 1] in hoedanigheid als executeur,

wijst de vorderingen, voor zover gericht tegen [gedaagde 1] en [gedaagde 2] als erfgenamen in de nalatenschap van oma, af,

compenseert de kosten van het incident tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt,

in de hoofdzaak

bepaalt dat de zaak weer op de rol zal komen van 14 januari 2026 voor conclusie van antwoord,

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mr. J. van der Kluit en in het openbaar uitgesproken op 3 december 2025.

1589

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?