RECHTBANK NOORD-HOLLAND
Handel, Kanton en Bewind
locatie Zaanstad
Zaaknr./rolnr.: 11640719 \ CV EXPL 25-1044 (MdR)
Uitspraakdatum: 18 december 2025
Vonnis van de kantonrechter in de zaak van:
de besloten vennootschap Winford Amsterdam B.V.
gevestigd te Amsterdam
eiseres
verder te noemen: Winford
gemachtigde: M.A. Levelink
tegen
1. [gedaagde 1]
procederend in persoon
2. [gedaagde 2]
gemachtigde: mr. R. Meinen
allebei wonende te [plaats 2]
gedaagden
verder te noemen: [gedaagde 1] en [gedaagde 2]
De zaak in het kort
De vordering van eiseres tot betaling van schoolgeld voor de minderjarige zoon van gedaagden wordt overwegend toegewezen. Omdat de overeenkomst is gesloten tussen een handelaar en een consument is ambtshalve getoetst aan het Europees consumentenrecht. Omdat eiseres niet heeft voldaan aan de op haar rustende (pre)contractuele informatieverplichtingen wordt een korting van 20% op de hoofdsom toegepast.
1. Het procesverloop
Winford heeft bij dagvaarding van 28 maart 2025 een vordering tegen [gedaagde 1] en [gedaagde 2] ingesteld. [gedaagde 1] is niet verschenen en tegen hem is verstek verleend. [gedaagde 2] heeft schriftelijk geantwoord.
Op 25 november 2025 heeft een zitting plaatsgevonden. [gedaagde 1] is op de zitting verschenen en heeft het verstek gezuiverd. De griffier heeft aantekeningen gemaakt van wat partijen ter toelichting van hun standpunten naar voren hebben gebracht. [gedaagde 2] heeft gebruik gemaakt van pleitaantekeningen, die zijn overgelegd. Voorafgaand aan de zitting heeft Winford bij brief van 6 november 2025 nog stukken toegezonden.
2. De feiten
Winford exploiteert in [plaats 1] een particuliere school voor voortgezet onderwijs.
Winford heeft aan de minderjarige zoon van [gedaagde 1] en [gedaagde 2] (hierna: de zoon) onderwijs gegeven en/of leermiddelen verstrekt.
Winford heeft op 14 oktober 2022 een factuur van € 31.194,00 naar [gedaagde 1] en [gedaagde 2] gestuurd voor het schoolgeld voor het schooljaar 2022-2023, inclusief opslag van 3% voor betaling in drie termijnen, plus boeken, licenties en leermiddelen.
Het onderwijs is gedurende het schooljaar voortijdig beëindigd. Winford heeft daarom op 22 mei 2023 een creditfactuur van € 11.920,00 naar [gedaagde 1] en [gedaagde 2] gezonden. Daarbij is rekening gehouden met een beëindiging per 18 maart 2023.
3. De vordering
Winford vordert dat de kantonrechter [gedaagde 1] en [gedaagde 2] hoofdelijk veroordeelt tot betaling van € 23.407,06, te vermeerderen met wettelijke rente over de hoofdsom en de proces- en nakosten.
Winford legt aan de vordering ten grondslag – kort weergegeven – dat door [gedaagde 1] en [gedaagde 2] een aanmeldformulier is ingevuld en dat ter plekke een mondelinge overeenkomst tot het volgen van particulier onderwijs tot stand is gekomen. Hierbij zijn tevens de algemene voorwaarden ter hand gesteld. Winford heeft voldaan aan haar wettelijke verplichtingen op grond van artikel 6:230l Burgerlijk Wetboek (BW). Winford heeft meermaals contact opgenomen over de betaling en [gedaagde 1] heeft meermaals aangegeven over te gaan tot betaling. [gedaagde 1] en [gedaagde 2] hebben het verschuldigde schoolgeld van € 19.274,00 ondanks sommaties niet voldaan. Winford maakt daarom aanspraak op een bedrag van € 967,74 aan buitengerechtelijke kosten. Daarnaast zijn [gedaagde 1] en [gedaagde 2] vanaf de vervaldatum van de factuur wettelijke rente verschuldigd, deze rente bedraagt tot en met 17 maart 2025 € 2.805,32.
4. Het verweer
[gedaagde 2] betwist de vordering. Zij voert aan – samengevat – dat [gedaagde 1] de vordering heeft erkend. Er is niets afgesproken over hoofdelijke aansprakelijkheid en niets wijst erop dat Winford (tevens) een overeenkomst had met [gedaagde 2] . [gedaagde 2] roept de vernietigbaarheid van de algemene voorwaarden in omdat deze niet aan haar ter hand zijn gesteld. Voor zover de vernietiging van de algemene voorwaarden niet kan worden ingeroepen, bevatten de algemene voorwaarden onredelijk bezwarende bedingen. De totale hoogte van de kosten is niet duidelijk gemaakt aan [gedaagde 2] . [gedaagde 2] is nooit akkoord gegaan met de hoogte van het schoolgeld. De zoon is op 13 maart 2023 de toegang tot de les ontzegd, omdat het schoolgeld niet werd betaald. Voor zover [gedaagde 2] gehouden zou zijn tot het betalen van schoolgeld, kan Winford slechts aanspraak maken op het redelijk loon als bedoeld in artikel 7:411 BW, maar Winford dient te onderbouwen welke kosten daadwerkelijk zijn gemaakt. Het door Winford gevorderde bedrag is geen redelijk loon en dient daarom gematigd te worden. Tot slot betwist [gedaagde 2] de buitengerechtelijke kosten, de wettelijke rente en de proceskosten.
5. De beoordeling
Het gaat in deze zaak om de vraag of [gedaagde 1] en [gedaagde 2] schoolgeld aan Winford moeten betalen. Dat moeten zij inderdaad doen: [gedaagde 1] en [gedaagde 2] worden veroordeeld het grootste deel van het door Winford in rekening gebrachte schoolgeld te voldoen. Hierna wordt uitgelegd hoe dat kantonrechter tot dit oordeel is gekomen.
Vast staat dat partijen mondeling overeen zijn gekomen dat de zoon tegen betaling onderwijs zou volgen bij Winford . [gedaagde 1] en [gedaagde 2] zijn samen op de school in [plaats 1] geweest voor een gesprek waarna een aanmeldformulier is ingevuld en niet ondertekend retour is gestuurd. Niet in geschil is verder dat de zoon een deel van het schooljaar onderwijs heeft gevolgd, dat aan [gedaagde 1] en [gedaagde 2] een factuur en herinneringen zijn gestuurd en dat er niets is betaald.
De algemene voorwaarden van Winford zijn vernietigbaar
Winford baseert haar vordering (deels) op haar algemene voorwaarden. [gedaagde 2] betwist dat de algemene voorwaarden van toepassing zijn en dat de algemene voorwaarden voor of tijdens het sluiten van de overeenkomst aan haar ter hand zijn gesteld.
De toepasselijkheid van de algemene voorwaarden is overeengekomen. [gedaagde 2] heeft op het retour gestuurde aanmeldformulier het vakje ‘ik heb kennisgenomen van de algemene voorwaarden’ aangekruist. Zij heeft de algemene voorwaarden daarmee aanvaard. De algemene voorwaarden zijn echter niet ter hand gesteld. Op de zitting is door Winford meegedeeld dat zij niet aan kan tonen dat de algemene voorwaarden op een juiste wijze, al dan niet elektronisch, zijn overhandigd. Dit betekent dat de door [gedaagde 2] ingeroepen vernietigbaarheid slaagt en Winford geen beroep toekomt op de algemene voorwaarden.
Winford heeft niet voldaan aan de op haar rustende informatieverplichting
De vordering is gebaseerd op een overeenkomst tussen een handelaar en een consument. Tussen partijen is niet in geschil dat sprake is van een overeenkomst anders dan op afstand of buiten de verkoopruimte. Bij het sluiten van dergelijke overeenkomsten moet ter bescherming van de consument aan de wettelijke (pre)contractuele informatieplichten van Boek 6, titel 5, afdeling 2B BW worden voldaan. Dat aan deze plichten is voldaan, moet gemotiveerd worden gesteld en onderbouwd. De kantonrechter moet er ambtshalve op toezien dat die voorschriften worden nageleefd, dus ook als er geen verweer is gevoerd.
De kantonrechter volgt [gedaagde 2] in haar standpunt dat Winford voor het sluiten van de overeenkomst geen duidelijke en begrijpelijke informatie heeft gegeven over de hoogte van het schoolgeld. Winford heeft niet voldoende gesteld en onderbouwd dat zij heeft voldaan aan de op haar rustende (pre)contractuele informatieplichten. Winford heeft verklaard dat tijdens het intakegesprek de hoogte van het schoolgeld altijd aan de orde komt en dat de zoon eerder bij [naam] onderwijs heeft gevolgd waar een identieke prijsstelling geldt. Dit is niet genoeg om aan haar wettelijke (pre)contractuele verplichtingen te voldoen. De schending van de informatieverplichting door Winford leidt tot een sanctie indien de vordering (gedeeltelijk) toewijsbaar is. Wat, zoals hierna zal blijken, het geval is.
De hoogte van het verschuldigde schoolgeld
[gedaagde 2] heeft niet weersproken dat het door Winford in rekening gebrachte tarief van € 31.194,00 een gebruikelijk tarief is. De zoon heeft onderwijs gevolgd, Winford heeft een factuur en herinneringen gestuurd, onder andere naar het huisadres van zowel [gedaagde 1] als [gedaagde 2] , waartegen niet is geprotesteerd. De kantonrechter neemt daarom aan dat [gedaagde 2] de hoogte van het door Winford in rekening gebrachte schoolgeld heeft aanvaard. Er moet door [gedaagde 1] en [gedaagde 2] betaald worden voor het gevolgde onderwijs tot het moment dat de opdrachtovereenkomst, wat de onderhavige overeenkomst is, voortijdig is beëindigd. [gedaagde 1] en [gedaagde 2] zijn een redelijk loon aan Winford verschuldigd.
Volgens Winford moet er worden afgerekend op basis van het gevolgde aantal weken onderwijs. Dit komt de kantonrechter niet ongebruikelijk of onredelijk voor. Het strekt, mede gelet op de toelichting ter zitting, te ver om van Winford een gespecificeerd overzicht van de daadwerkelijk door haar in dit individuele geval gemaakte kosten te verlangen. Winford heeft namelijk toegelicht dat dit moeilijk is om dit achteraf te doen en in een individueel geval te begroten. Dat Winford daartoe op basis van de inhoud van haar algemene voorwaarden wel toe in staat zou moeten zijn, volgt de kantonrechter niet. De daarin opgenomen mogelijkheid van een afrekening op basis van een (overeengekomen) uurtarief betreft geen afrekening van de daadwerkelijke kosten. Daarom zal de kantonrechter het te betalen schoolgeld begroten aan de hand van het aantal weken onderwijs.
Het uitgangspunt is dat er per schooljaar 40 weken onderwijs wordt gegeven. Bij een totaalbedrag van € 31.194,00 komt dat neer op € 779,85 per week. Vier weken vakantie (herfst, kerst en voorjaar) tellen daarbij niet mee. [gedaagde 2] heeft aangevoerd dat de twee door de zoon gevolgde proefweken niet meetellen. Gelet op de toelichting van Winford dat deze weken indien onderwijs wordt afgenomen wel in rekening gebracht worden, wordt [gedaagde 2] daarin niet gevolgd. Het schooljaar is gestart op 5 september 2022. [gedaagde 2] heeft gesteld dat de zoon in verband met een operatie twee weken later, dus per 19 september 2022, is gestart met het onderwijs. Deze twee weken zal de kantonrechter niet meenemen in de berekening. Het had op de weg van Winford als eisende partij gelegen om concreet en onderbouwd de ingangsdatum van het door de zoon gevolgde onderwijs te duiden, maar dat heeft zij niet gedaan en dat komt daarom voor rekening van Winford . Gebleken is dat de zoon tot en met 13 maart 2023 lessen heeft gevolgd of had kunnen volgen. Winford gaat uit van 18 maart 2023, maar ook voor de einddatum geldt dat zij deze onvoldoende heeft onderbouwd, terwijl dat op haar weg lag. Aan de zoon is op 13 maart 2023 de toegang tot de les en Magister ontzegd. Dit betekent dat de zoon in de periode vanaf 19 september 2022 tot en met 13 maart 2023, 25 weken minus 4 weken en dus 21 weken les heeft gevolgd. Dit leidt tot een toe te wijzen bedrag van € 16.376,85 (21 keer € 779,85) aan schoolgeld.
Hiervoor is al overwogen dat er een sanctie zal worden toegepast omdat Winford niet aan de op haar rustende informatie verplichting heeft voldaan. Gelet op de jurisprudentie van het Hof van Justitie van de Europese Unie (HvJ EU) en het hiervoor genoemde arrest van de Hoge Raad moet de kantonrechter aan de schending van de informatieplichten gevolgen verbinden door passende maatregelen te nemen die de consument effectieve rechtsbescherming bieden. Die maatregelen moeten doeltreffend, afschrikwekkend en evenredig zijn.
In deze zaak heeft Winford de essentiële precontractuele informatieplicht zoals opgenomen in artikel 6:230l aanhef en onder c BW geschonden. Met het oog op voornoemde Europeesrechtelijke beginselen en jurisprudentie van het HvJ EU en de Hoge Raad, zal de kantonrechter de overeenkomst gedeeltelijk vernietigen, te weten voor 20% van de door verschuldigde hoofdsom. Daarbij wordt (mede) toepassing gegeven aan de artikelen 3:40 lid 2 en 3:41 BW, en aan de artikelen 6:193b, 6:193d, 6:193f en 6:193j BW, omdat de schending van de informatieplichten ook een oneerlijke handelspraktijk is. Dit betekent dat een bedrag van € 13.101,48 toewijsbaar is (80% van € 16.376,85).
Hoofdelijke veroordeling
Winford heeft hoofdelijke veroordeling van [gedaagde 1] en [gedaagde 2] gevorderd. [gedaagde 2] heeft daartegen verweer gevoerd. Omdat sprake is van een overeenkomst van opdracht en [gedaagde 1] en [gedaagde 2] samen opdracht hebben gegeven, zijn zij hoofdelijk tegenover Winford verbonden. [gedaagde 1] en [gedaagde 2] zullen dan ook hoofdelijk worden veroordeeld.
Erkenning door [gedaagde 1] ter zitting
[gedaagde 1] is op de zitting verschenen en heeft geen verweer gevoerd. Hij heeft erkend dat hij het schoolgeld moet betalen. [gedaagde 1] wil het schoolgeld wel betalen, maar hij beschikt op dit moment niet over de financiële middelen om dat in een keer te kunnen doen of om een voor Winford acceptabele betalingsregeling af te kunnen spreken. De vordering zal daarom ook ten aanzien van [gedaagde 1] worden toegewezen. Dat [gedaagde 1] de vordering erkent, maakt niet dat Winford niet-ontvankelijk is in haar vordering jegens [gedaagde 2] .
De wettelijke rente
De vordering tot vergoeding van de verschenen rente zal worden afgewezen, omdat Winford de rente gelet op de toewijsbare hoofdsom over een te hoog bedrag heeft berekend. Verder heeft Winford onvoldoende onderbouwd vanaf welke datum de wettelijke rente verschuldigd is. Dit is geldt temeer omdat overeen is gekomen dat in termijnen betaald mocht worden en er een creditering heeft plaatsgevonden. De wettelijke rente zal daarom worden toegewezen over de toewijsbare hoofdsom vanaf de dag van de dagvaarding.
De buitengerechtelijke incassokosten
De vordering ten aanzien van de buitengerechtelijke incassokosten wordt toegewezen, omdat is voldaan aan de wettelijke vereisten. Het toewijsbare bedrag wordt vastgesteld volgens het wettelijke tarief dat hoort bij de hoofdsom waartoe [gedaagde 1] en [gedaagde 2] zullen worden veroordeeld. Er wordt een bedrag van € 906,01 toegewezen.
De conclusie
De conclusie is dat de kantonrechter de vordering van Winford tot een bedrag van
€ 14.007,49 (€ 13.101,48 plus € 906,01) zal toewijzen.
De proceskosten
De proceskosten (inclusief de nakosten) komen voor rekening van [gedaagde 1] en [gedaagde 2] , omdat zij overwegend ongelijk krijgen. De vordering is al langere tijd opeisbaar en er zijn meerdere aanmaningen verstuurd. [gedaagde 1] en [gedaagde 2] zijn dus niet ten onrechte of rauwelijks gedagvaard. De proceskosten worden aan de kant van Winford begroot op:
dagvaarding € 121,19
griffierecht € 1.461,00
salaris gemachtigde € 812,00 (2 x € 406,00)
nakosten € 135,00 (plus de kosten van betekening zoals vermeld in de
beslissing)
totaal € 2.529,19
6. De beslissing
De kantonrechter:
veroordeelt [gedaagde 1] en [gedaagde 2] hoofdelijk tot betaling aan Winford van € 14.007,49, te vermeerderen met de wettelijke rente over € 13.101,48 vanaf 28 maart 2025 tot aan de dag van de gehele betaling;
veroordeelt [gedaagde 1] en [gedaagde 2] hoofdelijk tot betaling van de proceskosten, die tot en met vandaag voor Winford worden vastgesteld op € 2.529,19, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [gedaagde 1] en [gedaagde 2] niet tijdig aan de veroordelingen voldoen en het vonnis daarna wordt betekend;
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;
wijst de vordering voor het overige af.
Dit vonnis is gewezen door mr. S. Slijkhuis en op bovengenoemde datum in het openbaar uitgesproken in aanwezigheid van de griffier.
De griffier De kantonrechter