RECHTBANK NOORD-HOLLAND
Familie en Jeugd
Locatie Alkmaar
gezag
zaak-/rekestnr.: C/15/366676 / FA RK 25-3135
Beschikking van de enkelvoudige kamer voor familiezaken van 19 december 2025
in de zaak van:
[de moeder] ,
wonende in [plaats] ,
hierna te noemen: de moeder,
advocaat mr. A. van Westen uit Hoorn,
tegen
[de vader] ,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
hierna te noemen: de vader,
advocaat mr. D.E.M. Boukens uit Hoorn.
Als belanghebbenden zijn aangemerkt:
[de pleegouder 1] en [de pleegouder 2],
wonende in [plaats] ,
hierna te noemen: de pleegouders.
Als informant is aangemerkt:
de gecertificeerde instelling William Schrikker Stichting Jeugdbescherming & Jeugdreclassering,
gevestigd in Amsterdam,
hierna te noemen: de GI.
1. De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
het verzoek, met bijlagen, van de moeder, ontvangen op 6 juni 2025;
het F9-formulier, met bijlagen, van de moeder, ontvangen op 22 juni 2025;
het F9-formulier, met bijlage, van de moeder, ontvangen op 18 november 2025;
het e-mailbericht, met bijlage, van [de minderjarige] van 25 november 2025;
het verweer van de vader, ontvangen op 26 november 2025;
het F9-formulier, met bijlage, van de moeder, ontvangen op 4 december 2025.
De behandeling van de zaak heeft plaatsgevonden op de zitting van 4 december 2025 in aanwezigheid van:
de moeder, bijgestaan door haar advocaat,
de vader, bijgestaan door zijn advocaat,
de GI, vertegenwoordigd door [vertegenwoordiger van de GI] ;
de Raad voor de Kinderbescherming (hierna te noemen: de Raad), vertegenwoordigd door [vertegenwoordiger van de raad] ;
de pleegouders.
De minderjarige [de minderjarige] is in de gelegenheid gesteld om haar mening kenbaar te maken. [de minderjarige] heeft de kinderrechter daarover een brief gestuurd.
2. De feiten
Partijen hebben tot 2017 een affectieve relatie met elkaar gehad.
Het minderjarige kind van partijen is [de minderjarige], geboren op [geboortedatum] in [plaats] .
De vader heeft [de minderjarige] erkend. Partijen hebben sinds [datum] het gezamenlijk gezag over [de minderjarige] . [de minderjarige] woont sinds 18 juni 2020 bij de pleegouders (te weten: de grootouders moederszijde).
Bij beschikking van de kinderrechter van 18 juni 2020 is [de minderjarige] onder toezicht gesteld en uit huis geplaatst bij de pleegouders, welke ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing daarna steeds zijn verlengd en nu nog duren tot 18 juni 2026.
3. Het verzoek
De moeder verzoekt te bepalen dat het gezag over [de minderjarige] aan haar toekomt en zij verzoekt de beschikking uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
Zij heeft haar verzoek als volgt onderbouwd. Het contact tussen [de minderjarige] en de vader is al meer dan twee jaar verbroken en de vader is onvoldoende betrokken bij [de minderjarige] . De communicatie tussen partijen is verstoord geraakt, waardoor zij niet met elkaar kunnen overleggen. De vader is ook niet bereikbaar voor overleg of toestemming, wat de moeder belemmert in het nemen van beslissingen over [de minderjarige] . Als partijen wel contact met elkaar hebben, heeft [de minderjarige] daar last van. Hoewel de vader van de hulpverlening veel kansen heeft gekregen tot het contactherstel met [de minderjarige] en om zijn verantwoordelijkheid te nemen als vader, heeft hij zijn gedrag niet veranderd. Ook de GI bevestigt deze situatie. De vader heeft bijvoorbeeld niet voldaan aan de door de GI gegeven schriftelijke aanwijzing. Tot slot is ook Stichting [stichting] het eens met het verzoek van de moeder.
Door en namens de moeder is hier tijdens de zitting aan toegevoegd dat de vader niet weet wat in [de minderjarige] ’s belang is, omdat hij geen omgang met haar heeft. Het contact tussen partijen leidde in het verleden tot escalaties, zelfs bij [de minderjarige] ’s school, de GI en andere hulpverleners. Op dit moment worden veel gezagsbeslissingen over [de minderjarige] middels de GI genomen. Als partijen zelfstandig gezagsbeslissingen moeten nemen (zoals over vakanties of een schoolkeuze), zal dat opnieuw tot escalaties leiden. Het nemen van gezagsbeslissingen leidt ook tot stress bij de moeder, omdat zij daarover contact moet opnemen met de vader. [de minderjarige] heeft last van die stress.
4. Het verweer
De vader heeft daartegen verweer gevoerd en hij verzoekt het verzoek van de moeder af te wijzen.
Hij heeft aangevoerd dat hoewel de communicatie tussen partijen via de GI verloopt, de moeder niet wordt belemmerd in de uitoefening van het gezag. De vader verleent altijd zijn toestemming voor belangrijke gezagsbeslissingen en is daarvoor bereikbaar. Hij vermoedt dat de moeder het verzoek alleen heeft ingediend om [de minderjarige] ’s achternaam te wijzigen. De vader wil heel graag omgang met [de minderjarige] , wat ook in [de minderjarige] ’s belang is. Als de moeder alleen wordt belast met het gezag over [de minderjarige] , vreest de vader dat dit van negatieve invloed is op zijn contactherstel met [de minderjarige] en zijn ouderpositie.
Door en namens de vader is tijdens de zitting betwist dat het nemen van gezagsbeslissingen altijd tot escalaties leidt, omdat die beslissingen via de GI worden genomen en de vader zijn toestemming altijd verleent. Dat de moeder het lastig vindt om met de vader in contact te treden, is onvoldoende reden om het gezamenlijk gezag van partijen te beëindigen. Bovendien heeft de Raad eerder aangegeven geen belemmering te zien voor het gezamenlijk gezag van partijen. De vader wijst erop dat de moeder negatief over hem spreekt tegenover [de minderjarige] en hij wil voorkomen dat hij in een achtergestelde positie terechtkomt in het kader van de uitvoering van de hulpverlening. Zijn verzoek om de schriftelijke aanwijzing in te trekken is helaas afgewezen door de GI.
5. De visie van de GI
De GI heeft tijdens de zitting aangegeven dat zij weinig mogelijkheden ziet voor een samenwerking tussen partijen, omdat dit erg snel tot escalaties kan leiden. Dat er nu geen problemen zijn over gezagsbeslissingen, is vanwege de betrokkenheid van de GI. Er is in de afgelopen jaren veel hulpverlening geprobeerd in te zetten voor de vader en de middelen van de GI zijn nu zo goed als uitgeput. Voor [de minderjarige] is de betrokkenheid van de GI niet meer nodig. [de minderjarige] volgt therapie, wat inmiddels goed verloopt. Zij heeft echter (onherstelbare) schade opgelopen in de hechting. Zij vertrouwt de vader niet. Op het moment dat de omgang met de vader wordt opgebouwd, ervaart [de minderjarige] daardoor spanning.
6. De visie van de Raad
De Raad heeft tijdens de zitting aangegeven dat de Raad geen concreet advies kan geven over het verzoek. De Raad vermoedt dat de ondertoezichtstelling niet zal worden verlengd, waardoor de betrokkenheid van de GI wegvalt. In die situatie vraagt de Raad zich sterk af of er voldoende mogelijkheden zijn voor het nemen van gezamenlijke gezagsbeslissingen door partijen, zelfs als de vader zijn toestemming zou verlenen. Het nemen van gezagsbeslissingen leidt namelijk tot stress en escalaties. [de minderjarige] is een heel kwetsbaar meisje en zij heeft daardoor een beperkte draagkracht. Op een gegeven moment moet er duidelijkheid voor haar komen. Zij heeft in al haar kwetsbaarheid een scherpe radar voor onrust tussen partijen. Minimale onrust zal bij haar grote beweging en onrust veroorzaken. Als de GI op dit moment mogelijkheden zou zien om te werken naar contactherstel, zou de Raad waarschijnlijk zeggen dat dit niet het moment is om het gezag van de vader te beëindigen, maar de Raad ziet nu weinig mogelijkheden om vorm te geven aan contactherstel.
7. De beoordeling
De rechtbank kan het gezamenlijk gezag beëindigen en één van beide ouders met het gezag over een kind belasten, als er een onaanvaardbaar risico is dat het kind klem of verloren zou raken tussen de ouders en niet te verwachten is dat hierin binnen afzienbare tijd voldoende verbetering komt of als dit anderszins in het belang van het kind noodzakelijk is.
Voor gezamenlijk gezag is vereist dat de ouders daadwerkelijk in staat zijn tot een behoorlijk overleg ter zake en dat zij beslissingen van enig belang over hun kind in gezamenlijk overleg kunnen nemen, of in ieder geval in staat zijn afspraken te maken over situaties die zich rond het kind kunnen voordoen, zodanig dat het kind niet klem of verloren raakt tussen de ouders.
Bij de beoordeling van het verzoek van de moeder stelt de rechtbank voorop dat het uitgangspunt van de wet is dat ouders in beginsel gezamenlijk het gezag over hun minderjarige kind uitoefenen. Er kunnen zich alleen situaties voordoen waarin het noodzakelijk is dat slechts één van de ouders na het uiteengaan het ouderlijk gezag uitoefent.
In dit geval ziet de rechtbank voldoende grond om van voornoemd wettelijk uitgangspunt af te wijken en legt uit waarom. Zoals de GI aangeeft, heeft [de minderjarige] moeite met het vertrouwen van anderen, hechtingsproblemen en in dit verband behoefte aan therapie. De Raad geeft aan dat [de minderjarige] vanwege haar kwetsbaarheid zeer gevoelig is voor onrust tussen partijen. Uit de stukken en hetgeen naar voren is gebracht op de zitting blijkt dat er in de afgelopen jaren veel hulpverlening is ingezet om de onrustige en verstoorde verstandhouding tussen partijen te verbeteren. De GI, de hulpverlening, de pleegouders en de moeder geven aan dat het niet mogelijk is om constructief met de vader te overleggen en de samenwerking met hem aan te gaan. Dit leidt namelijk tot escalaties. Vanwege het gedrag van de vader is zijn contact met [de minderjarige] ook al meer dan twee jaar gestopt. De vader heeft zich er niet voor ingezet om de schriftelijke aanwijzing over het contactherstel met [de minderjarige] op te volgen en [de minderjarige] wil nu geen contact meer met hem. De vader houdt vast aan zijn wantrouwen richting de hulpverlening en aan zijn overtuiging dat de moeder en de pleegouders negatief over hem spreken tegenover [de minderjarige] . Daardoor is de vader onbereikbaar voor de hulpverlening en wil hij geen contact met de moeder. Tijdens de zitting is niet gebleken dat hierin binnen afzienbare tijd verandering komt. De rechtbank is daarom van oordeel dat het voor partijen praktisch onmogelijk is geworden om het gezamenlijk gezag uit te oefenen. Het is gebleken dat ieder contact tussen partijen een risico vormt tot een escalatie, zodat het niet in [de minderjarige] ’s belang is dat partijen gezamenlijk belast blijven met het gezag over haar. Bovendien is de vader vanwege het gebrek aan contact onvoldoende op de hoogte van hoe het met [de minderjarige] gaat, zodat hij onvoldoende kan beoordelen wat in haar belang is. De rechtbank wijst het verzoek van de moeder daarom toe.
De rechtbank verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.
8. De beslissing
De rechtbank:
bepaalt dat het gezamenlijk gezag van partijen over de minderjarige [de minderjarige] , geboren op [geboortedatum] in [plaats] , wordt beëindigd en bepaalt dat de moeder alleen het gezag over voornoemde minderjarige toekomt;
verklaart deze beslissing uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beschikking is gegeven door mr. C. Maat, rechter, tevens kinderrechter, in tegenwoordigheid van mr. F.G. van der Erve als griffier en in het openbaar uitgesproken op 19 december 2025.
Tegen deze beschikking kan – voor zover er definitief is beslist – door tussenkomst van een advocaat hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof te Amsterdam. De verzoekende partij en/of de zich verwerende partij dient het hoger beroep binnen de termijn van drie maanden na de dag van de uitspraak in te stellen.