[eiser] , uit Zaandijk, eiser
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Zaanstad, verweerder
(gemachtigde: mr. Y. Kliphuis)
Als derde-partij neemt aan de zaak deel: Aarhus Karlshamn Netherlands B.V. uit Zaandijk (vergunninghoudster).
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de omgevingsvergunning die verweerder aan vergunninghoudster heeft verleend voor het veranderen van haar inrichting aan de Kreeftstraat 1 in Zaandam door plaatsing van inpandige maturatietanks.
Verweerder heeft deze omgevingsvergunning met het besluit van 17 mei 2022 verleend. Met het bestreden besluit van 24 juni 2022 op het bezwaar van eiser is verweerder daarbij gebleven. Voor de motivering van dit besluit heeft verweerder verwezen naar het advies van de externe hoor- en adviescommissie van 21 december 2022 en op basis van dit advies nog een korte aanvullende motivering gegeven.
Verweerder heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
De rechtbank heeft het beroep op 27 maart 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van verweerder met [naam 1] en [naam 2] en namens de Omgevingsdienst Noordzeekanaalgebied mr. [naam 3] en [naam 4] . Vergunninghoudster is vertegenwoordigd door [naam 5] , [naam 6] en [naam 7] , vergezeld door [naam 8] van KWA Bedrijfsadviseurs B.V..
Totstandkoming van het besluit
2. Vergunninghoudster is een producent van oliën en vetten voor de voedingsmiddelenindustrie. Haar inrichting is gevestigd aan de Kreeftstraat 1 in Zaandijk op een bedrijventerrein. Voor het vervaardigen van oliën en vetten voor de bakkerij-industrie zijn maturatietanks nodig, waarin de producten gedurende één of meerdere dagen hun laatste bewerking ondergaan. Vergunninghoudster heeft daarom op 28 januari 2022 een omgevingsvergunning aangevraagd voor het veranderen van haar inrichting door het plaatsen van dergelijke tanks. Het gaat om acht nieuwe maturatietanks met een inhoud van 12,5 m³ die inpandig worden geplaatst. Voor de plaatsing wordt een deel van de vloer gesloopt en een nieuwe fundering aangebracht.
Op de locatie van de inrichting geldt het bestemmingsplan ‘Oud Zaandijk’. De gronden hebben de bestemmingen ‘Bedrijfsdoeleinden’ met de functieaanduiding ‘Vervaardigen van olie en vetten’. Verder geldt daar de gebiedsaanduiding ‘Archeologisch waardevol gebied’. Daarnaast geldt op deze locatie het bestemmingsplan ‘Parapluplan Parkeren Zaanstad’.
De aanvraag is behandeld met de reguliere procedure van paragraaf 3.2 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) en heeft betrekking op de activiteiten ‘bouwen’ en ’milieuneutrale verandering van een inrichting’.
Met het primaire besluit van 28 januari 2022 heeft verweerder de gevraagde omgevingsvergunning verleend. Volgens verweerder wordt voldaan aan de vereisten voor een milieuneutrale verandering van een inrichting. Daarbij is relevant dat de maturatietanks en de pompen ervan inpandig worden gerealiseerd en dat er geen geluidsuitstraling buiten het pand optreedt. Het aantal transportbewegingen dat uit de vervaardiging van het product in de maturatietanks voortvloeit, valt binnen het maximaal aantal vergunde vrachtwagenbewegingen. Verweerder verwacht daarom geen overschrijding van de vergunde waarden voor langtijdgemiddelde beoordelingsniveaus en maximale geluidsniveaus. Ook ten aanzien van de activiteit ‘bouwen’ ziet verweerder geen belemmeringen om de omgevingsvergunning te verlenen. Het aangevraagde voldoet aan alle voorwaarden voor het bouwen van een bouwwerk.
Eiser woont aan de [adres] in Zaandijk. Zijn woning ligt hemelsbreed ongeveer 180 meter van de inrichting van vergunninghoudster. Hij kan zich niet vinden in de verleende omgevingsvergunning en heeft hiertegen bezwaar gemaakt. Anders dan verweerder stelt, heeft de aangevraagde activiteit volgens eiser wel degelijk grote nadelige gevolgen voor het milieu ten aanzien van de aspecten geluid, geur en luchtkwaliteit en is van belang dat de inrichting is gelegen op korte afstand van de Natura 2000-gebieden ‘Het Guisveld’ en ‘De Kalverpolder’. Volgens eiser wordt de huidige vergunde productiecapaciteit in de praktijk al overschreden en zal de verleende omgevingsvergunning alleen maar leiden tot een grotere overschrijding met extra overlast. Ook stelt eiser dat de aanvraag mer-plichtig is.
Met het bestreden besluit heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard en daarmee is de verleende omgevingsvergunning in stand gebleven. Verweerder blijft bij zijn standpunt dat wordt voldaan aan de voorwaarden van artikel 3.10 van de Wabo voor het milieuneutraal wijzigen van de inrichting.
Beoordeling door de rechtbank
3. De rechtbank beoordeelt of verweerder de bestreden omgevingsvergunning mocht verlenen. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eiser.
4. De rechtbank komt tot de conclusie dat verweerder de omgevingsvergunning kon verlenen. De door eiser aangevoerde gronden leiden niet tot vernietiging van het bestreden besluit en daarom is het beroep ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
De voor de beoordeling van het beroep belangrijke wet- en regelgeving is te vinden in de bijlage bij deze uitspraak.
Overgangsrecht invoering Omgevingswet
5. Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Invoeringswet Omgevingswet in werking getreden. Als een aanvraag om een omgevingsvergunning is ingediend vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet, dan blijft op grond van artikel 4.3, aanhef en onder a, van de Invoeringswet Omgevingswet het recht zoals dat gold onmiddellijk vóór dat tijdstip van toepassing tot het besluit op die aanvraag onherroepelijk wordt, met uitzondering van artikel 3.9, derde lid, eerste zin, van de Wabo.
De aanvraag om een omgevingsvergunning is ingediend op 28 januari 2022. Dat betekent dat in dit geval de Wabo, zoals die gold vóór 1 januari 2024, van toepassing blijft.
Belanghebbendheid
6. De rechtbank merkt eiser aan als belanghebbende bij de door hem bestreden omgevingsvergunning. Daarbij is van belang dat eisers woning op relatief korte afstand ligt van de inrichting van vergunninghoudster en dat de vrachtwagenbewegingen die verband houden met de verleende omgevingsvergunning plaatsvinden in eisers straat en voor zijn woning langs.
Participatie omwonenden
7. Eiser voert aan dat verweerder zichzelf als een voorloper ziet in het kader van de Omgevingswet, waarin participatie voorafgaand aan vergunningverlening een belangrijke voorwaarde is. Desondanks heeft er voorafgaand aan de verlening van de hier bestreden omgevingsvergunning geen participatie met omwonenden plaatsgevonden.
In deze zaak is, zoals ook onder 5.1 is overwogen, niet de Omgevingswet, maar de Wabo van toepassing. Participatie wordt onder de Wabo niet als vereiste gesteld, zodat dit ook geen reden kan zijn om de bestreden omgevingsvergunning te vernietigen. Deze beroepsgrond slaagt daarom niet.
Is sprake van een milieuneutrale verandering?
8. Uit het bepaalde in de artikelen 2.14, vijfde lid, en 3.10, derde lid, van de Wabo volgt dat een omgevingsvergunning voor een milieuneutrale verandering kan worden verleend indien:
- de gevraagde verandering van de inrichting niet leidt tot andere of grotere nadelige gevolgen voor het milieu dan volgens de geldende omgevingsvergunning zijn toegestaan;
- de gevraagde verandering niet leidt tot een andere inrichting dan volgens de geldende omgevingsvergunning is toegestaan, en;
- er voor de verandering geen verplichting bestaat tot het maken van een milieueffectrapportage (mer).
Andere of grotere nadelige gevolgen voor het milieu dan reeds vergund
9. Eiser stelt dat de verleende omgevingsvergunning zal leiden tot andere of grotere nadelige gevolgen voor het milieu dan volgens de geldende revisievergunning uit 2006 is toegestaan en zal leiden tot een grotere of andere inrichting dan waarvoor vergunning is verleend. Dagelijks rijden er 8 extra vrachtwagens als gevolg van de vergunning, waardoor te hoge geluidwaardes en negatieve gevolgen voor het milieu optreden vanwege de uitstoot van die vrachtwagens. Ook zal de geuroverlast toenemen door de wijziging van het productieproces en zal de vergunde productiecapaciteit verdergaand worden overschreden. In de huidige situatie is namelijk al sprake van een overschrijding van de maximale productiecapaciteit.
Verweerder stelt voorop dat voor de vraag of sprake is van een milieuneutrale verandering als bedoeld in artikel 3.10 van de Wabo een vergelijking moet worden gemaakt tussen de laatst vergunde werking van de inrichting en de aangevraagde werking van de inrichting. De toetsing is beperkt tot de vraag of aannemelijk is gemaakt dat de verandering niet leidt tot andere of grotere nadelige milieugevolgen ten opzichte van de reeds vergunde situatie. Weliswaar neemt de productiecapaciteit als gevolg van de aangevraagde maturatietanks toe, maar die blijft binnen de in 2015 vergunde productiecapaciteit van 109.500 ton per jaar. Ook de transportbewegingen blijven als gevolg van de aangevraagde verandering onder de in 2006 vergunde grens van 72 transportbewegingen per dag. Na de ingebruikname van de maturatietanks wordt nog altijd voldaan aan de geluidsvoorschriften die in de revisievergunning van 2006 zijn opgenomen.
Er zal voorts geen sprake zijn van een andere inrichting dan waarvoor eerder een vergunning is verleend, want vergunninghoudster blijft een bedrijf waar raffinage van oliën en vetten plaatsvindt.
Verweerder heeft terecht de wijzigingsvergunning uit 2015 bij zijn beoordeling betrokken, nu dit een onherroepelijke, geldende vergunning betreft. Dat eiser meent dat die vergunning destijds niet op basis van een milieuneutrale wijziging kon worden verleend, doet aan de geldigheid van die vergunning niet af. Dit betekent dat die wijzigingsvergunning uit 2015 mede als uitgangspunt moet worden genomen bij de beoordeling in deze zaak. Op grond van die wijzigingsvergunning is de productiecapaciteit van vergunninghoudster gemaximeerd op 109.500 ton per jaar. Verweerder heeft genoegzaam toegelicht dat de huidige productiecapaciteit 90.000 ton per jaar bedraagt en dat de vergunde activiteit een toename van de productie van 8.000 ton op jaarbasis genereert. Daarmee wordt binnen de maximaal toegestane productiecapaciteit gebleven. Dat de bestaande productiecapaciteit in de praktijk al wordt overschreden, heeft eiser onvoldoende concreet gemaakt en is daarmee niet aannemelijk geworden. Datzelfde geldt voor de door eiser gevreesde geuroverlast. Het gaat om een inpandige activiteit en verweerder heeft toegelicht dat daarvan buiten de inrichting geen geuroverlast kan optreden. Verder heeft verweerder voldoende onderbouwd dat de vergunde activiteit 8 transportbewegingen per dag op maandag tot en met vrijdag oplevert en dat hiermee binnen het in 2006 vergunde maximale aantal transportbewegingen van 72 wordt gebleven. Het feitelijke aantal transportbewegingen bedroeg ten tijde van de bezwaarfase immers slechts 40. Gelet hierop kan eiser er dus niet in worden gevolgd dat de verleende omgevingsvergunning leidt tot andere of grotere gevolgen voor het milieu dan reeds is vergund. Deze beroepsgrond slaagt niet.
Milieueffectrapportage
10. Eiser voert aan dat de aanvraag mer-plichtig is.
Verweerder heeft in het verweerschrift verwezen naar de beslissing op bezwaar, het verweerschrift in bezwaar en het advies van de bezwarencommissie, waarin is gemotiveerd dat het opstellen van een milieueffectrapportage niet nodig is. De vergunde wijziging is immers geen nieuwe of bestaande activiteit die onder C of D van de Bijlage bij het Besluit mer valt. Eiser heeft geenszins gemotiveerd dat dit wel het geval is. Verweerder wijst nog op een uitspraak van deze rechtbank, die ging over het in gebruik nemen van het Plant Based Innovation Center in de inrichting van vergunninghoudster. Ook daarin werd geconcludeerd dat geen sprake was van een mer-plichtige wijziging. Tegen die uitspraak heeft eiser geen rechtsmiddelen aangewend.
Eiser heeft dit standpunt van verweerder niet inhoudelijk bestreden, maar slechts gesteld dat er wel een mer-plicht geldt, zonder dit te onderbouwen. Deze beroepsgrond slaagt daarom niet.
Effecten op Natura 2000-gebieden
11. Eiser voert aan dat de inrichting is gelegen binnen 50 meter van de Natura 2000-gebieden ‘Het Guisveld’ en ‘De Kalverpolder’, welke gebieden (zo begrijpt de rechtbank eiser) gevoelig zijn voor stikstofdepositie. De aangevraagde activiteit leidt tot een toename van transportbewegingen en daarmee tot een hogere uitstoot van fijnstof, CO2 en NOx. De omgevingsvergunning had daarom niet verleend mogen worden.
Dat eiser, zoals is overwogen onder 6, als belanghebbende wordt aangemerkt, betekent niet dat alle beroepsgronden die hij aanvoert in volle omvang door de rechtbank kunnen worden beoordeeld. Het kan zijn dat het relativiteitsvereiste uit artikel 8:69a van de Algemene wet bestuursrecht zich tegen de beoordeling van bepaalde beroepsgronden verzet, voor zover eiser zich beroept op rechtsregels die niet strekken tot de bescherming van zijn belangen. De rechtbank is van oordeel dat die situatie zich bij deze beroepsgrond voordoet en zal deze beroepsgrond daarom niet inhoudelijk beoordelen. De rechtbank licht dat hieronder toe.
Eiser beroept zich in deze procedure op de bepalingen uit de Wet natuurbescherming (Wnb) over de beoordeling van projecten die significante gevolgen kunnen hebben voor Natura 2000-gebieden. Die bepalingen strekken tot bescherming van het behoud van natuurwaarden in die gebieden. Dat is een algemeen belang waarvoor een natuurlijk persoon in rechte niet kan opkomen. De individuele belangen van een natuurlijk persoon bij het behoud van een goede kwaliteit van zijn woon- en leefomgeving, waarvan een Natura 2000-gebied deel uitmaakt, kunnen echter zo verweven zijn met de algemene belangen die de Wnb beoogt te beschermen dat niet kan worden geoordeeld dat de betrokken normen in de Wnb kennelijk niet strekken tot bescherming van zijn belangen. Deze situatie doet zich concreet voor als het Natura 2000-gebied deel uitmaakt van de leefomgeving van eiser. In dat geval raakt de aantasting van het gebied ook zijn belang bij het behoud van een goede kwaliteit van zijn woon- en leefomgeving.
Bij de beantwoording van de vraag of verwevenheid zoals hiervoor bedoeld kan worden aangenomen, wordt onder meer rekening gehouden met de situering van de woning van eiser, al dan niet tussen overige bebouwing, met de afstand tussen de woning van eiser en de natuurgebieden, met hetgeen aanwezig is in het gebied tussen de woning en het Natura 2000-gebied en met het al dan niet bestaande, gehele of gedeeltelijke directe zicht vanuit de woning op het gebied.
Op basis van de stukken en het verhandelde ter zitting komt de rechtbank tot de conclusie dat de Natura 2000-gebieden ‘De Kalverpolder’ en ‘Polder Westzaan’ (waar ‘Het Guisveld’ onderdeel van is) geen deel uitmaken van de leefomgeving van eiser. Daarom is er in dit geval geen sprake van verwevenheid van het individuele belang van eiser bij het behoud van een goede kwaliteit van zijn woon- en leefomgeving met de algemene belangen die de Wnb beoogt te beschermen. Daarbij is het volgende van belang.
Ter zitting heeft eiser aangegeven dat de afstand van zijn woning tot ‘Het Guisveld’ zo’n 200-300 meter bedraagt en dat hij hier geen zicht op heeft. Tussen de woning van eiser en ‘Het Guisveld’ is ook nog de provinciale weg en het spoor gelegen. Eiser heeft op zitting toegegeven dat ‘De Kalverpolder’ verder van zijn woning ligt dan 50 meter zoals hij in zijn beroepschrift stelt, en dat tussen zijn woning nog de Zaan en een strook met molens is gelegen. De afstand bedraagt daarom eerder zo’n 300 meter, maar hij heeft nog wel zicht op dit Natura 2000-gebied. Gelet op de afstand van eisers woning tot de natuurgebieden, in samenhang bezien met hetgeen aanwezig is tussen eisers woning en de natuurgebieden, is van een verwevenheid als bedoeld in 11.2 naar het oordeel van de rechtbank geen sprake. De rechtbank oordeelt hiermee ten dele anders dan in de uitspraak van deze rechtbank van 18 september 2023 over de aan vergunninghoudster verleende omgevingsvergunning voor een PBIC, maar in die uitspraak is (ten onrechte) geen rekening gehouden met hetgeen aanwezig is in het gebied tussen eisers woning en het natuurgebied ‘De Kalverpolder’.
Conclusie en gevolgen
12. Gelet op de vorenstaande overwegingen is het beroep ongegrond. Dat betekent dat de aan vergunninghoudster verleende omgevingsvergunning in stand blijft. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.M. Janse van Mantgem, voorzitter, en mr. R.H.M. Bruin en mr. C.M.A.V. van Kleef, leden, in aanwezigheid van R.I. ten Cate, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 8 mei 2025.
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wet- en regelgeving
Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo)
Artikel 2.1
1. Het is verboden zonder omgevingsvergunning een project uit te voeren, voor zover dat geheel of gedeeltelijk bestaat uit:
a. het bouwen van een bouwwerk,
(…)
e. 1°. het oprichten,
2°.het veranderen of veranderen van de werking of
3°.het in werking hebben
van een inrichting of mijnbouwwerk,
(…)
Artikel 2.14
1. Voor zover de aanvraag betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder e:
a. betrekt het bevoegd gezag bij de beslissing op de aanvraag in ieder geval:
(…)
5º. de mogelijkheden tot bescherming van het milieu, door de nadelige gevolgen voor het milieu, die de inrichting of het mijnbouwwerk kan veroorzaken, te voorkomen, of zoveel mogelijk te beperken, voor zover zij niet kunnen worden voorkomen;
(…)
Artikel 3.10
1. Afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht is van toepassing op de voorbereiding van de beschikking op de aanvraag om een omgevingsvergunning, indien de aanvraag geheel of gedeeltelijk betrekking heeft op:
(…)
3. In afwijking van het eerste lid, aanhef en onder c, is afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht niet van toepassing op de voorbereiding van de beschikking op de aanvraag om een omgevingsvergunning met betrekking tot een verandering van een inrichting of mijnbouwwerk of de werking daarvan, die niet leidt tot andere of grotere nadelige gevolgen voor het milieu dan volgens de geldende omgevingsvergunning is toegestaan, waarvoor geen verplichting bestaat tot het maken van een milieueffectrapport als bedoeld in hoofdstuk 7 van de Wet milieubeheer, en die niet leidt tot een andere inrichting of mijnbouwwerk dan waarvoor eerder een omgevingsvergunning is verleend.
(…)