RECHTBANK NOORD-HOLLAND
vonnis
Familie en Jeugd
Zittingsplaats Haarlem
zaaknummer / rolnummer: C/15/362403 / KG ZA 25-97
Vonnis in kort geding van 16 april 2025
in de zaak van
[eiser] ,
wonende te [plaats] ,
eiser,
advocaat mr. D.J. Klock, kantoorhoudende te Haarlem,
tegen
[gedaagde] ,
wonende te [plaats] ,
gedaagde,
advocaat mr. W.D. van Doorn, kantoorhoudende te Amsterdam.
Partijen zullen hierna de vader en de moeder genoemd worden.
1. De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
de dagvaarding, met bijlagen 1 tot en met 8, van de vader van 27 februari 2025;
de brief, met bijlagen 1 tot en met 3, van de advocaat van de moeder van 25 maart 2025;
de bijlagen 9 t/m 11, van de advocaat van de vader van 25 maart 2025.
De mondelinge behandeling van het kort geding heeft plaatsgevonden op 2 april 2025. Aanwezig waren partijen en hun advocaten. De moeder werd tevens bijgestaan door een tolk in de Engelse taal.Mr. W.D. van Doorn heeft gepleit overeenkomstig de door hem overgelegde pleitnotities.
2. De feiten
Partijen zijn gehuwd geweest, welk huwelijk is geëindigd op [datum] door inschrijving van de echtscheidingsbeschikking van 24 februari 2021 van deze rechtbank. Uit dit huwelijk is geboren de minderjarige:
- [de minderjarige] , geboren op [geboortedatum] te [plaats] , [land] ( [de minderjarige] ).
De ouders hebben gezamenlijk het gezag over [de minderjarige] . De hoofdverblijfplaats van [de minderjarige] is bij de moeder.
Bij genoemde echtscheidingsbeschikking is de volgende verdeling van de zorg- en opvoedingstaken (zorgregeling) vastgesteld:
[de minderjarige] verblijft iedere woensdag en zaterdag van 10.00 tot 19.00 uur bij de vader. Uitbreiding van deze zorgregeling vindt plaats onder regie van de GI.
Partijen hebben de zorgregeling uitgebreid, in die zin dat [de minderjarige] bij de vader verblijft:
- iedere woensdagmiddag tot donderdagochtend;
- eenmaal in de twee weken een heel weekend (zaterdag 10.00 uur tot zondag 19.00 uur);
- de helft van de schoolvakanties.
Bij beschikking van 7 februari 2020 is [de minderjarige] (voorlopig) onder toezicht gesteld, welke ondertoezichtstelling nadien is verlengd en heeft voortgeduurd tot 19 mei 2023.
Bij beschikking van 10 november 2023 van deze rechtbank is het verzoek van de moeder tot eenhoofdig gezag afgewezen.
De vader en [de minderjarige] hebben de Nederlandse nationaliteit. De moeder heeft de Russische nationaliteit.
3. Het geschil
De vader vordert dat de voorzieningenrechter bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
bepaalt dat de moeder de zorgregeling zoals die tussen partijen geldt, te weten dat [de minderjarige] iedere week van woensdagmiddag tot donderdagochtend en eenmaal in de twee weken van zaterdagochtend 10.00 uur tot zondagavond 17.00 uur omgang met hem heeft, nakomt;
de moeder veroordeelt tot betaling van een dwangsom aan de vader van € 250 voor iedere keer dat zij de voornoemde zorgregeling niet nakomt;
de moeder veroordeelt in de kosten van deze procedure.
De vader legt het volgende aan zijn vordering(en) ten grondslag.
De moeder heeft op 17 februari 2025 via een WhatsApp bericht laten weten dat hij [de minderjarige] voorlopig niet mocht zien. Aan dat gesprek is op 16 februari 2025 een telefoongesprek voorafgegaan waarin de moeder aan de vader vertelde dat zij van [de minderjarige] had begrepen dat de vader zonder onderbroek in bed had geslapen en dat [de minderjarige] het geslachtsdeel van de vader heeft gewassen. De moeder zou naar aanleiding van deze uitspraak Veilig Thuis hebben ingeschakeld. Deze uitspraken van [de minderjarige] zijn volgens de vader niet juist. Daarnaast kan een dergelijke uitspraak – nog los van de vraag of het wel of niet klopt wat [de minderjarige] gezegd heeft – er volgens de vader niet toe leiden dat hij zijn dochter niet meer mag zien. Er is geen sprake van een onveilige situatie waardoor de omgang tussen hem en [de minderjarige] zou moeten worden geschorst of opgeschort. De zorgregeling is – gedeeltelijk - vastgelegd in een beschikking en uitgangspunt is dat een door de rechtbank vastgestelde zorgregeling moet worden uitgevoerd. De moeder heeft ernstige aantijgingen aan het adres van de vader gedaan, zonder ook maar enige feitelijke onderbouwing en het is onduidelijk hoe veel tijd het onderzoek door Veilig Thuis in beslag zal gaan nemen. Gelet op het feit dat de moeder eigenhandig heeft besloten dat [de minderjarige] en de vader geen contact meer met elkaar mogen hebben, acht de vader een dwangsom op zijn plaats. Tot slot is de vader van mening dat de moeder in de kosten van de procedure moet worden veroordeeld omdat zij de omgang niet langer nakomt en hij daardoor genoodzaakt is deze procedure te starten.
De moeder heeft daartegen als verweer gevoerd dat zij moet ingrijpen als de veiligheid van [de minderjarige] in het geding komt. [de minderjarige] kwam thuis met zorgelijke uitspraken, waarop de moeder Veilig Thuis heeft ingeschakeld. De ouders dienen het onderzoek van Veilig Thuis af te wachten voordat zij de zorgregeling kunnen herzien. De moeder wenst de overnachtingen tot die tijd op te schorten. [de minderjarige] kan overdag wel naar de vader. De moeder heeft ter zitting voorgesteld dat [de minderjarige] op woensdag uit school tot 19.00 en om de week op zaterdag en zondag van 10.00 uur tot 19.00 uur bij de vader verblijft.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.
4. De beoordeling
Nu de gewone verblijfplaats van [de minderjarige] in Nederland is, is de Nederlandse rechter bevoegd om naar het recht van Nederland te beslissen op het verzoek tot vaststelling van een zorgregeling.
Bij de beoordeling van de onderhavige vordering die betrekking heeft op de omgang, geldt als uitgangspunt dat de door partijen overeengekomen zorgregeling in beginsel moet worden nagekomen zolang deze haar kracht niet heeft verloren, tenzij sprake is van dusdanige ernstige of bijzondere omstandigheden dat niet-nakoming gerechtvaardigd is.
De voorzieningenrechter overweegt het volgende.
De zorgen van de moeder zijn op het eerst gezicht serieus maar de uitleg van de vader op de zitting over wat in feite is gebeurd geeft een andere lading aan het verhaal. De vader heeft toegelicht dat [de minderjarige] een eigen bed heeft maar altijd bij hem wil slapen, omdat ze ook gewend is bij de moeder in bed te slapen. De vader slaapt altijd met ondergoed aan als [de minderjarige] bij hem verblijft. [de minderjarige] vindt het leuk om met de vader in bad te gaan en dan een emmertje water over zijn hoofd heen te gooien. [de minderjarige] zei op een gegeven moment “ik ga je piemel wassen” en gooide toen een emmertje water over het onderlichaam van de vader heen. De vader heeft [de minderjarige] uitgelegd dat hij dat niet leuk vond en dat dit deel van zijn lichaam privé is, aldus de vader.
Het is bekend dat jonge kinderen vaak verschillende verhalen vertellen tegen hun ouders met als reden dat zij de versie willen vertellen waarvan zij denken dat die ouder het wil horen. Daarmee kunnen kinderen, onbedoeld, een draai aan het verhaal geven die het oorspronkelijke verhaal uit de context haalt.
Op de zitting is voorts gebleken dat [de minderjarige] inmiddels doordeweeks weer bij de vader overnacht. De moeder heeft daarover toegelicht dat zij dit niet wil, maar dat zij geen andere keus heeft omdat ze niet kan voorkomen dat de vader [de minderjarige] op woensdag uit school haalt. De moeder heeft dit wel geprobeerd door [de minderjarige] eerder uit school te halen, maar kreeg toen problemen met de leerplichtambtenaar.
De voorzieningenrechter is van oordeel dat de omstandigheden niet dusdanig ernstig of bijzonder zijn dat de doordeweekse overnachting weer afgeschaald moet worden. Omdat bij de moeder op dit moment onvoldoende vertrouwen bestaat om [de minderjarige] (ook) in de weekenden bij de vader te laten overnachten zal de weekendregeling voorlopig worden beperkt tot de door de moeder voorgestelde regeling zonder overnachting, in ieder geval voor de duur van het onderzoek van Veilig Thuis. De voorzieningenrechter ziet aanleiding om daar een dwangsom aan te verbinden ter hoogte van € 100 per dag of dagdeel dat de moeder de zorgregeling niet nakomt, met een maximum van € 5.000. De ouders zullen na de afronding van het onderzoek door Veilig Thuis, afhankelijk van de onderzoeksresultaten, stapsgewijs kunnen terugkeren naar de oorspronkelijk zorgregeling. Ter zitting hebben partijen zich naar mediation laten doorverwijzen omdat opnieuw duidelijk is geworden dat sprake is van groot wantrouwen tussen de ouders en dat [de minderjarige] daar het slachtoffer van is.
Gelet op de relatie tussen partijen zullen de proceskosten tussen hen worden gecompenseerd, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.
5. De beslissing
De voorzieningenrechter
veroordeelt de moeder, in ieder geval voor de duur van het onderzoek door Veilig Thuis zoals aangegeven onder 4.3, in zoverre tot nakoming van de zorgregeling die tussen partijen geldt, dat [de minderjarige] bij de vader verblijft:
iedere week van woensdagmiddag tot donderdagochtend;
eenmaal in de twee weken van zaterdag 10.00 uur tot 19.00 uur en van zondag 10.00 uur tot 19.00 uur;
veroordeelt de moeder om aan vader een dwangsom te betalen van € 100 voor iedere dag of gedeelte daarvan dat zij niet aan de in 5.1 uitgesproken hoofdveroordeling voldoet, tot een maximum van € 5.000 is bereikt,
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;
compenseert de proceskosten, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt;
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. A. Stefels en in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van de griffier mr. A.E.J. van Schie op 16 april 2025. Bij ontstentenis van de rechter is deze beschikking ondertekend door mr. E.C.M. van Mierlo, rechter, tevens teamvoorzitter.
Tegen dit vonnis kan hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof te Amsterdam binnen vier weken na de dag van de uitspraak. Het beroep moet worden ingesteld door tussenkomst van een advocaat. Omdat het vonnis uitvoerbaar bij voorraad is verklaard, heeft het vonnis al wel geldende werking zolang op het (eventuele) beroep niet is beslist.