RECHTBANK NOORD-HOLLAND
vonnis
Familie en Jeugd
Zittingsplaats Haarlem
zaaknummer / rolnummer: C/15/365654 / KG ZA 25-315
Vonnis in kort geding van 21 augustus 2025
in de zaak van
[de vader] ,
wonende te [plaats] ,
eiser in conventie,
advocaat mr. P.A. Schippers te 's-Hertogenbosch,
tegen
[de moeder] ,
wonende te [plaats] ,
gedaagde,
advocaat mr. D.E. Oud te Krommenie.
Partijen zullen hierna de vader en de moeder genoemd worden.
1. De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
de dagvaarding, met bijlagen, betekend op 5 juni 2025;
de brief, met bijlagen, van de advocaat van de vader van 31 juli 2025.
De mondelinge behandeling van het kort geding heeft plaatsgevonden op 7 augustus 2025. Aanwezig waren vader bijgestaan door mr. Schippers en de moeder (via een videoverbinding) bijgestaan door mr. A. Vogelaar namens mr. D.E. Oud.
De advocaat van de vader heeft ter zitting een pleitnota overgelegd.
2. De feiten
Partijen hebben een affectieve relatie gehad, die is geëindigd in 2014. Uit deze relatie is geboren het minderjarige kind:
- [de minderjarige] , op [geboortedatum] te [plaats] .
De ouders hebben het gezamenlijk gezag over [de minderjarige] en [de minderjarige] heeft zijn hoofdverblijfplaats bij de moeder.
Bij de beschikking van deze rechtbank van 27 augustus 2024 is bepaald dat het door partijen gesloten ouderschapsplan deelt uitmaakt van de beschikking. Daarin is de volgende zorgregeling opgenomen:
De moeder heeft op 10 juni 2025 een verzoek tot wijziging van de zorgregeling ingediend, inhoudende dat [de minderjarige] voortaan één weekend per maand bij de vader verblijft, van vrijdagmiddag 17:00 uur tot zondagavond 19:00 uur, en dat de vakantie- en feestdagenregeling als volgt wordt aangepast:
- oud en nieuw brengt [de minderjarige] bij de vrouw door;
- de kerstvakantie verblijft [de minderjarige] bij de vrouw;
- Pasen brengt [de minderjarige] bij de vrouw door.
Dit verzoekschrift is bij de rechtbank geregistreerd onder het zaaknummer C/15/366636 / FA RK 25-3110.
3. Het geschil
De vader vordert, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, de moeder te gebieden de bij beschikking van 27 augustus 2024 vastgestelde zorgregeling onverkort na te komen binnen twee dagen na het te wijzen vonnis op straffe van een dwangsom te bepalen op € 100 per dag dat de moeder hiervan in gebreke blijft met een maximum van € 10.000 alsmede de moeder te veroordelen in de kosten van het geding.
De vader legt het volgende aan zijn vordering ten grondslag.
De moeder houdt zich sinds de zomervakantie 2024 niet aan de zorgregeling. Zij heeft [de minderjarige] in de zomervakantie tegen de afspraken in vijf weken bij zich gehouden. Medio september 2024 heeft de moeder aan de vader te kennen gegeven dat de reguliere zorgregeling niet langer nagekomen kan worden, omdat de moeder [de minderjarige] heeft ingeschreven bij een voetbalvereniging waar de wedstrijden op zaterdag plaatsvinden. De moeder heeft de vader daarover op geen enkele wijze geconsulteerd, maar wel [de minderjarige] naar de vader laten bellen met de vraag waarom het lidmaatschap van de voetbalvereniging niet door zou kunnen gaan, terwijl [de minderjarige] hier niet mee belast mag worden. De moeder heeft vervolgens laten weten dat [de minderjarige] ook met Pasen niet bij de vader zal zijn en ook de overige christelijke feestdagen niet meer wil vieren. Ze geeft daartoe enkel als reden dat [de minderjarige] Pasen ‘kinderachtig’ vindt.
De moeder verweer.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.
4. De beoordeling
nakoming zorgregeling
Bij de beoordeling van de onderhavige vordering geldt als uitgangspunt dat de door partijen in het ouderschapsplan opgenomen zorgregeling in beginsel moet worden nagekomen zolang deze haar kracht niet heeft verloren, tenzij sprake is van dusdanige ernstige of bijzondere omstandigheden dat niet-nakoming gerechtvaardigd is.
Op de zitting heeft de moeder erkend dat de zorgregeling vaak anders verloopt dan zoals opgenomen in het ouderschapsplan, maar dat de ouders dat dan samen hebben afgesproken. De moeder begrijpt niet dat de vader daar achteraf compensatie voor vraagt. Zo heeft de moeder [de minderjarige] vorig jaar met toestemming van de vader voor een langere periode meegenomen op een vakantie naar Afrika. De moeder betwist dat [de minderjarige] geen christelijke feestdagen bij de vader mag vieren, maar voert aan dat [de minderjarige] er gelet op zijn leeftijd geen behoefte meer aan heeft om Sinterklaas of Pasen bij de vader te vieren. [de minderjarige] wordt ouder, heeft een sociaal leven, gaat volgend jaar naar de middelbare school en het reizen valt hem steeds zwaarder. De moeder wil [de minderjarige] niet tegen zijn zin in naar de vader sturen.
De vader erkent dat hij vaak toestemt met de wijzigingen, maar geeft aan dat hij dat doet om de gemoedsrust te bewaren en dat hij zijn uiterste best doet om zich flexibel op te stellen. De moeder stelt echter wel heel vaak wijzigingen voor en vergeet daar compensatie voor aan te bieden. De vader kan begrijpen dat [de minderjarige] Sinterklaas inmiddels kinderachtig vindt, maar dat zou geen reden mogen zijn om [de minderjarige] zelf te laten bepalen wanneer hij naar de vader gaat. Het is belangrijk dat [de minderjarige] bij de vader is op momenten waarop de familie samenkomt. Bovendien wordt de weerstand van [de minderjarige] gevoed doordat de moeder steeds familiebijeenkomsten organiseert in tijd dat [de minderjarige] volgens het ouderschapsplan bij de vader verblijft.
De ouders onderkennen allebei dat [de minderjarige] er last van heeft dat de verstandhouding tussen de ouders verstoord is. De toon van de berichten die de ouders naar elkaar sturen, is onvriendelijk en een vriendelijk woordje bij de overdracht kan er moeilijk vanaf. Onlangs was het de ouders gelukt op het station een kopje koffie te drinken en een positief gesprekje te voeren. [de minderjarige] fleurde daar helemaal van op.
Aan de voorzieningenrechter is niet gebleken van dusdanige ernstige of bijzondere omstandigheden dat niet-nakoming gerechtvaardigd is. De moeder heeft ervoor gekozen om van [plaats] naar [plaats] te verhuizen. Dat mag er niet toe leiden dat het contact tussen de vader en [de minderjarige] verwatert. Enige weerstand vanuit [de minderjarige] om naar de vader te gaan, is bovendien te verklaren door de verstoorde verstandhouding tussen de ouders. Zo fleurde [de minderjarige] helemaal op toen de ouders een positief overdrachtsmoment hadden. Dat [de minderjarige] bepaalde feestdagen kinderachtig zou vinden, is eveneens geen reden om hem niet alsnog naar de vader te brengen. [de minderjarige] is niet oud genoeg om zelf te bepalen wanneer hij naar de vader gaat en feestdagen als Sinterklaas en Pasen draaien niet alleen om cadeautjes krijgen en eieren zoeken maar ook om tijd met de familie. Als partijen goed met elkaar konden communiceren, zouden zij in onderling overleg en zonder spanningen afwijkende afspraken kunnen maken, waarbij zij zich flexibel naar elkaar opstellen. Kennelijk lukt dat niet, zodat de afspraken uit het ouderschapsplan zo strikt mogelijk moeten worden nageleefd. Dat betekent dat de omgangsmomenten niet lichtzinnig moeten worden afgezegd en dat de moeder, als de omgang wel wordt afgezegd, uit zichzelf een voorstel doet om het omgangsmoment in te halen. De vordering van de vader zal aldus worden toegewezen.
dwangsom
De voorzieningenrechter ziet geen aanleiding om de gevorderde dwangsommen op te leggen, zodat deze vordering zal worden afgewezen.
kosten van het geding
Gelet op de relatie tussen partijen zullen de proceskosten tussen hen worden gecompenseerd, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.
5. De beslissing
De voorzieningenrechter
gebiedt de moeder de bij beschikking van 27 augustus 2024 vastgestelde zorgregeling onverkort na te komen;
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. C.S. Goedèl en in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van de griffier mr. A.E.J. van Schie op 21 augustus 2025.
Tegen dit vonnis kan hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof te Amsterdam binnen vier weken na de dag van de uitspraak. Het beroep moet worden ingesteld door tussenkomst van een advocaat. Omdat het vonnis uitvoerbaar bij voorraad is verklaard, heeft het vonnis al wel geldende werking zolang op het (eventuele) beroep niet is beslist.