Rechtbank noord-holland
uitspraak van de meervoudige kamer van 19 december 2025 in de zaken tussen
[eiser] , wonende te [woonplaats] , eiser,
de inspecteur van de Belastingdienst, verweerder.
Zittingsplaats Haarlem
Bestuursrecht
zaaknummers: HAA 23/5388, HAA 23/5389, HAA 23/5390 en HAA 23/5391
en
Procesverloop
HAA 23/5388 (navorderingsaanslag IB/PVV 2016)
Verweerder heeft aan eiser over het jaar 2016 een navorderingsaanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV) opgelegd (hierna: navorderingsaanslag IB/PVV 2016), berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 39.761. Daarbij is een vergrijpboete opgelegd van € 2.779 en is € 2.173 belastingrente in rekening gebracht.
Verweerder heeft bij uitspraak op bezwaar van 4 mei 2023 het bezwaar toegewezen en het belastbaar inkomen uit werk en woning verminderd en vastgesteld op een bedrag van € 32.041, de belastingrente dienovereenkomstig verminderd tot een bedrag van € 1.450 en de vergrijpboete vernietigd.
HAA 23/5389 (navorderingsaanslag Zvw 2016)
Verweerder heeft aan eiser over het jaar 2016 een navorderingsaanslag Inkomensafhankelijke bijdrage Zorgverzekeringswet (Zvw) opgelegd (hierna: navorderingsaanslag Zvw 2016), berekend naar een bijdrage-inkomen van € 27.525. Daarbij is € 295 belastingrente in rekening gebracht.
Verweerder heeft bij uitspraak op bezwaar van 4 mei 2023 het bezwaar afgewezen en het bijdrage-inkomen en de belastingrente gehandhaafd.
Bij beschikking van 20 mei 2023 is het bijdrage-inkomen verminderd en vastgesteld op een bedrag van € 13.674. De belastingrente is dienovereenkomstig verminderd tot een bedrag van € 147.
HAA 23/5390 (aanslag IB/PVV 2017)
Verweerder heeft aan eiser voor het jaar 2017 een aanslag IB/PVV opgelegd (hierna: aanslag IB/PVV 2017), berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 80.000. Daarbij is een verzuimboete opgelegd van € 369 en is € 1.865 belastingrente in rekening gebracht.
Verweerder heeft bij uitspraak op bezwaar van 4 mei 2023 het bezwaar afgewezen en het belastbaar inkomen uit werk en woning, de verzuimboete en de belastingrente gehandhaafd.
HAA 23/5391 (aanslag Zvw 2017)
Verweerder heeft aan eiser voor het jaar 2017 een aanslag Zvw opgelegd (hierna: aanslag Zvw 2017), berekend naar een bijdrage-inkomen van € 35.334. Daarbij is € 133 belastingrente in rekening gebracht.
Verweerder heeft bij uitspraak op bezwaar van 4 mei 2023 het bezwaar afgewezen en het bijdrage-inkomen en de belastingrente gehandhaafd.
Alle zaken
Eiser heeft beroepen ingesteld.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
Eiser heeft nadere stukken ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 30 september 2025.
Eiser is verschenen, bijgestaan door [naam 1] . Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. [naam 2] [naam 3] , mr. [naam 4] , mr. [naam 5] , mr. [naam 6] en mr. [naam 7] .
De beroepen zijn gelijktijdig behandeld met de beroepen met zaaknummers HAA 23/5385 en HAA 23/5386. Deze zaken betreffen naheffingsaanslagen omzetbelasting en gelijktijdig afgegeven beschikkingen. De rechtbank doet afzonderlijk uitspraak.
De beroepen zijn eveneens gelijktijdig behandeld met het beroep met zaaknummer HAA 23/5392 (betreffende een aanslag Zvw voor het jaar 2018). De rechtbank heeft in deze zaak de zitting geschorst teneinde de zaak gelijktijdig te behandelen met de in bezwaar aangehouden procedure inzake de aanslag IB/PVV voor het jaar 2018.
Overwegingen
Feiten
De ondernemingen
1. Eiser was gedurende de onderhavige jaren werkzaam als advocaat en genoot in deze hoedanigheid winst uit onderneming (hierna: de IB-onderneming). De IB-onderneming werd gedreven in de vorm van een eenmanszaak.
2. Eiser was vanaf de oprichting op 10 maart 2016 tot aan de opheffing op 16 februari 2017 100% aandeelhouder in [bedrijf 1] B.V. Deze entiteit was op haar beurt 100% aandeelhouder in [bedrijf 2] B.V. (hierna: de BV).
3. De BV heeft in haar aangifte vennootschapsbelasting voor het (boek)jaar 2016 € 66.136 loonkosten op de winst in aftrek gebracht. Deze loonkosten hadden betrekking op vijf werknemers (hierna: de werknemers). De aanslag vennootschapsbelasting voor het (boek)jaar 2016 is overeenkomstig de ingediende aangifte vastgesteld.
4. Vanaf de bankrekening op naam van de eenmanszaak is een totaalbedrag van € 42.160,40 betaald aan de werknemers. Het bedrag omvat het nettoloon aan de werknemers voor het jaar 2016.
Het boekenonderzoek en de informatiebeschikking
5. Bij brief met dagtekening 23 februari 2021 is een boekenonderzoek aangekondigd bij eiser. Onderzocht is de aanvaardbaarheid van de aangifte IB/PVV voor het jaar 2018 alsmede de juistheid van de aangiften omzetbelasting over de tijdvakken in de periode 1 januari 2018 tot en met 31 december 2018.
6. Op 16 maart 2021 vraagt eiser twee weken uitstel voor het indienen van stukken. Het uitstel wordt, bij e-mailbericht van 18 maart 2021, verleend tot 31 maart 2021.
7. Bij brief met dagtekening 1 april 2021 heeft verweerder aan eiser nogmaals verzocht de gevraagde informatie te verstrekken.
8. Bij brief met dagtekening 6 april 2021 is het boekenonderzoek uitgebreid naar de jaren/tijdvakken 2016 tot en met 2018.
9. Tussen 6 april 2021 en 17 september 2021 hebben partijen meermaals contact gehad over de aan te leveren informatie.
10. Als vervolg op telefonisch contact tussen partijen op 13 april 2021 stuurt eiser naar verweerder op dezelfde dag het volgende e-mailbericht:
‘(…)
Wij hebben elkaar vanmorgen uitgebreid besproken en zoals besproken wil ik graag een aantal zaken even benoemen in deze email:
(…)
6. Zoals ik vanmorgen heb aangegeven is er in 2017 een BV geliquideerd door de vorige accountant van [eiser], door deze liquidatie is een bedrag van tussen de € 50.000- € 60.000 aan fiscaal compensabele verliezen verdwenen. Ik zal in de komende tijd exact uitzoeken om welk bedrag het gaat en wat er mis is gegaan destijds. Zoals u zich kan voorstellen zou [eiser] dit compensabele verlies alsnog graag willen benutten, ik hoop dat wij hierover in overleg kunnen.
(…)’
11. Op 15 april 2021 stuurt verweerder naar eiser het volgende e-mailbericht:
‘(…)
6. Alvorens in overleg te gaan verzoek ik u mij al te willen geven op welke fiscale gronden u neemt dat het mogelijk is zijn een compensabel verlies van de geliquideerde BV in de aangifte inkomstenbelasting te verwerken.
(…)’
12. Op 23 september 2021 is een informatiebeschikking afgegeven wegens het niet verstrekken van informatie en het voeren van een administratie die niet voldoet aan de eisen. Eiser heeft tegen de informatiebeschikking bezwaar aangetekend.
13. Vervolgens hebben partijen meermaals contact gehad. Zo stuurt eiser naar verweerder op 5 november 2021 het volgende e-mailbericht:
‘(…)
Graag wil ik u nog de volgende zaken toelichten:
1. Zoals u weet heeft [eiser] in de periode 11 maart 2016 t/m 16 februari 2017 een B.V. (en holding) gehad waaruit diverse activiteiten zijn verricht, ook is een aantal personeelsleden verloond via deze B.V. Ik heb de verkoopfacturen van de B.V. nog niet ontvangen, derhalve heb ik om de totale BTW impact te kunnen vaststellen alle mutaties 2016 en 2017 opgenomen in deze administratie. Ook de loonjournaalposten van 2016 en 2017 van de B.V. zijn dus opgenomen in de bijgevoegde auditfiles (wel separaat geboekt dus goed te onderscheiden). Omdat de omzet is geboekt in de administratie hebben we op basis van het matchingprincipe de bijbehorende kosten dus ook opgenomen in deze administratie;
(…)’
14. Op 8 december 2021 en 9 december 2021 hebben onderzoeken bij het kantoor van de heer [naam 1] plaatsgevonden.
15. Op 14 december 2021 stuurt eiser naar verweerder het volgende e-mailbericht:
‘(…)
Zoals telefonisch vanmorgen reeds besproken stuur ik u bij deze een opsomming van gemaakte afspraken n.a.v. van het gezamenlijke gesprek bij mij op kantoor op 8 december jl. en uw bezoek van mijn kantoor op 9 december jl.
1. Tijdens ons gesprek heb ik toegelicht dat ik alle mutaties van 2016 van zowel de eenmanszaak als de B.V. heb opgenomen in de administratie van de eenmanszaak. Dus zowel de omzet als de kosten (bijvoorbeeld de loonadministratie) zijn nu opgenomen in de administratie van de eenmanszaak, waarvan de auditfile reeds in uw bezit is. Vanaf de kant van de belastingdienst hebben jullie ook aangegeven dat dit de meest praktische oplossing is en zijn jullie het eens dat de belastingdienst op deze manier “niks tekort komt”.
(…)
3. Op woensdag hebben jullie ons verzocht om een analyse te maken van de verschillen tussen de administratie 2016 (welke u via een auditfile heeft ontvangen) van mijn kantoor en de administratie (welke als onderbouwing is gebruikt van de ingediende aangifte destijds) zoals deze is gevoerd door mevrouw [naam 8] . Afgelopen donderdag heeft u mij verzocht om deze analyse niet te maken, maar om een herziene aangifte inkomstenbelasting over het jaar 2016 in te dienen op basis van de administratie 2016 zoals ik deze heb geboekt. Ik zal proberen om deze aangifte deze week samen te stellen, uiterlijk 24 december aanstaande zal ik deze indienen en een kopie hiervan aan u en de heer Baarbe sturen.
(…)’
16. Op 17 maart 2022 is uitspraak op bezwaar gedaan op het bezwaarschrift gericht tegen de informatiebeschikking. De beslissing luidt als volgt:
‘(…)
De informatiebeschikking is terecht afgegeven. Op 23 september 2021 had [eiser], ondanks herhaalde verzoeken, nog niet aan zijn informatieverplichting voldaan. [eiser] is in de gelegenheid gesteld om dat alsnog te doen. Dit heeft hij gedaan. De informatiebeschikking is weliswaar terecht afgegeven, maar doordat [eiser] alsnog aan zijn verplichtingen heeft voldaan, heeft de informatiebeschikking, behalve de opschorting van de aanslag, navorderings- en naheffingstermijnen geen gevolgen. (…)
Het bezwaar is ongegrond. De informatiebeschikking blijft in stand, maar heeft niet tot gevolg dat de bewijslast wordt omgekeerd en verzwaard.
(…)’
17. Op 6 april 2022 stuurt verweerder naar eiser het volgende bericht in een bijlage bij een e-mailbericht:
‘(…)
Tijdens onze laatste bespreking is een overzicht verstrekt met betrekking tot de voorlopige correctieberekening van de winst over het jaar 2016. De heer [naam 1] heeft aangegeven op het onderdeel loonkosten terug te zullen komen. Hierop is geen reactie ontvangen.
(…)’
18. De bevindingen van het boekenonderzoek zijn vastgelegd in een controlerapport met dagtekening 24 oktober 2022. In het rapport zijn, voor zover van belang, de volgende passages opgenomen:
‘(…)
Reikwijdte van het onderzoek
(…)
Voor inkomstenbelasting over het jaar 2017 is niet vereiste aangifte ingediend. Over dit jaar is een ambtshalve aanslag opgelegd. Tegen deze aanslag is bezwaar aangetekend. Dit jaar is niet onderzocht.
(…)
Conclusie
(…)
Tijdens het inleidend gesprek heeft de adviseur aangegeven dat de administratie volledig opnieuw moest worden ingeboekt. Er is gesproken over het samenvoegen van de administratie van de BV en de eenmanszaak. Partijen zijn het oneens over de door belastingplichtige ingenomen stelling dat hier door ondergetekende een toezegging over is gedaan.
Uit praktische overwegingen zijn boekingen die betrekking hebben op de bv uit het grootboek gefilterd van de eenmanszaak.
Dit is een praktische oplossing waren alle partijen zich in kunnen vinden.
(…)
Omzetbelasting
(…) 2017 (…)
Verschuldigd volgens administratie 35.453
Correctie omzetbelasting kort verhu 813
Correctie voorbelasting 10.086
Per saldo verschuldigd 46.352
Voorbelasting volgens administratie 20.537
Per saldo af te dragen 25.815
Afgedragen op aangifte
Verschil 25.815
(…)’
Navorderingsaanslag IB/PVV 2016 en navorderingsaanslag Zvw 2016
19. Op 28 februari 2017 is eiser uitgenodigd tot het doen van aangifte IB/PVV voor het jaar 2016. De aangifte moet uiterlijk op 1 mei 2017 ontvangen zijn.
20. Op 31 maart 2017 heeft eiser verzocht om uitstel tot het doen van aangifte. Dit uitstel is verleend tot 1 mei 2018.
21. Op 11 juli 2018 heeft eiser aangifte IB/PVV voor het jaar 2016 gedaan. De belastbare winst uit onderneming bedraagt € 52.670 (negatief) en bestaat onder meer uit een bedrag van € 81.457 aan loonkosten.
22. Op 30 augustus 2019 is aan eiser een aanslag IB/PVV voor het jaar 2016 opgelegd. In de aanslag is het bedrag van € 81.457 aan loonkosten niet geaccepteerd.
23. Op 5 januari 2022 heeft eiser een aangiftebiljet IB/PVV voor het jaar 2016 ingediend, waarin eiser een bedrag van € 81.458 aan loonkosten in aftrek brengt.
24. Bij brief met dagtekening 20 juni 2022 deelt verweerder aan eiser het volgende mee:
‘(…)
Met betrekking tot het onderzoek naar de aanvaardbaarheid van de aangiften inkomsten- en omzetbelasting deel ik u het volgende mee.
Het onderzoek neemt meer tijd in beslag dan verwacht. (…) Ter voorkoming van verjaring zal ik voor het jaar 2016 een (…) navorderingsaanslag inkomstenbelasting (…) opleggen.
Jaar 2016
Inkomstenbelasting
De correctie over het jaar 2016 is met u en uw adviseur de heer [naam 1] besproken tijdens ons bezoek. (…)
De correcties zijn als volgt:
Minder loonkosten € 81.457
Opbrengsten [bedrijf 3] (geen winst uit advocatenpraktijk) € 10.392
Meer omzet € 8.681
(…)’
25. Met dagtekening 20 juli 2022 zijn de navorderingsaanslag IB/PVV 2016 en de navorderingsaanslag Zvw 2016 conform het schrijven van 20 juni 2022 opgelegd.
Aanslag IB/PVV 2017 en aanslag Zvw 2017
26. Op 28 februari 2018 is eiser uitgenodigd tot het doen van aangifte IB/PVV voor het jaar 2017. Er is uitstel verleend tot 1 mei 2019.
27. De herinnering voor het doen van aangifte IB/PVV voor het jaar 2017 is verstuurd op 25 januari 2019 met het verzoek uiterlijk 8 februari 2019 aangifte te doen.
28. Op 27 maart 2019 is eiser aangemaand de aangifte IB/PVV voor het jaar 2017 uiterlijk op 10 april 2019 te doen.
29. Met dagtekening 19 februari 2020 is de aanslag IB/PVV 2017 ambtshalve opgelegd. Ook is hierbij een verzuimboete van € 369 opgelegd en is € 1.865 belastingrente in rekening gebracht. Het verzamelinkomen is vastgesteld op € 80.000 en is als volgt opgebouwd:
Winst uit onderneming € 61.633
Pensioen, lijfrente of andere uitkering € 18.367
Belastbaar inkomen uit werk en woning € 80.000
30. Met dagtekening 19 februari 2020 is de aanslag Zvw 2017 opgelegd naar een bijdrage-inkomen van € 35.334. Daarbij is € 133 belastingrente in rekening gebracht.
31. Op 31 maart 2020 heeft eiser een aangiftebiljet IB/PVV voor het 2017 ingediend. Het hierin opgenomen verzamelinkomen bedraagt € 16.523 en is als volgt opgebouwd:
Winst uit onderneming € 1.920
Pensioen, lijfrente of andere uitkering € 18.367
Inkomsten eigen woning € 3.764 (negatief)
Belastbaar inkomen uit werk en woning € 16.523
32. Op 11 januari 2023 heeft eiser opnieuw een aangiftebiljet IB/PVV voor het jaar 2017 ingediend. Het hierin opgenomen verzamelinkomen bedraagt € 22.671 en is als volgt opgebouwd:
Winst uit onderneming € 8.068
Pensioen, lijfrente of andere uitkering € 18.367
Inkomsten eigen woning € 3.764 (negatief)
Belastbaar inkomen uit werk en woning € 22.671
Bezwaarfase
33. Eiser heeft bij schrijven met dagtekening 28 augustus 2022 voor alle onderhavige jaren een (aanvullend) bezwaarschrift ingediend. Voor de aanslag IB/PVV 2017 en de aanslag Zvw 2017 is het op 31 maart 2020 ingediende aangiftebiljet reeds aangemerkt als bezwaar (zie onder 31).
34. Bij brief met dagtekening 9 maart 2023 heeft verweerder aan eiser zijn voornemen kenbaar gemaakt.
35. Eiser heeft per e-mailbericht van 21 maart 2023 aangegeven niet te willen worden gehoord.
36. Op 4 mei 2023 heeft verweerder in één geschrift uitspraak op bezwaar gedaan. De uitspraak op bezwaar luidt – voor zover relevant – als volgt:
‘- Ik wijs uw bezwaar tegen de aanslag inkomstenbelasting 2016 en de daarbij gegeven beschikking belastingrente gedeeltelijk toe. Het inkomen uit werk en woning wordt verminderd tot € 32.041. De belastingrente wordt dienovereenkomstig verminderd;
- Ik vernietig de boetebeschikking voor het jaar 2016;
- Ik wijs uw bezwaar tegen de voor 2016 opgelegde aanslag inkomensafhankelijke bijdrage Zorgverzekeringswet af;
- Ik wijs uw bezwaar tegen de aanslagen inkomstenbelasting en inkomensafhankelijke bijdrage Zorgverzekeringswet 2017, de beschikkingen belastingrente en de verzuimboete, af;
(…)’
37. Met dagtekening 20 mei 2023 is aan eiser een verminderingsbeschikking inzake Zvw voor het jaar 2016 opgelegd. Het bijdrage-inkomen is vastgesteld op € 13.674 en de beschikking belastingrente is verlaagd naar een bedrag van € 147.
Geschil
38. In geschil is of de (navorderings)aanslagen IB/PVV 2016 en 2017 en de (navorderings)aanslagen Zvw 2016 en 2017 terecht aan eiser zijn opgelegd en, zo ja, of deze tot de juiste bedragen zijn vastgesteld.
39. Voor wat betreft de navorderingsaanslag IB/PVV 2016 is meer specifiek in geschil of:
- eiser recht heeft op een aftrek voor loonkosten ten bedrage van € 66.136, en
- sprake is van schending van het vertrouwensbeginsel door het niet in aanmerking nemen van de hiervoor genoemde loonkosten.
40. Voor wat betreft het jaar 2016 heeft eiser op de zitting uitdrukkelijk en ondubbelzinnig alle gronden gericht tegen de opbrengst uit verhuur van de [adres] (reeds teruggedraaid in de uitspraak op bezwaar), de vergrijpboete (reeds vernietigd in de uitspraak op bezwaar) en de navorderingstermijn ingetrokken.
41. Voor wat betreft de aanslag IB/PVV 2017 is meer specifiek in geschil of het verzamelinkomen tot een te hoog bedrag is vastgesteld. Voorts is in geschil of de verzuimboete terecht en tot het juiste bedrag is opgelegd.
42. Verder is voor beide jaren in geschil of algemene beginselen van behoorlijk bestuur zijn geschonden.
43. Voor beide jaren is tevens in geschil of de rentebeschikkingen terecht en tot de juiste bedragen zijn vastgesteld.
Beoordeling van het geschil
Vooraf - bewijsaanbod ter zitting
44. Eiser voert aan dat de IB-onderneming loonkosten in aftrek kan brengen, (onder meer) omdat een arbeidsrelatie bestaat tussen de eenmanszaak en de werknemers. Hij heeft daartoe, voor het eerst op de zitting, een bewijsaanbod gedaan om zijn standpunt (alsnog) te onderbouwen. Eiser geeft aan op een later moment arbeidsovereenkomsten te kunnen overleggen.
45. Bij de beslissing of een partij (hier zijnde eiser) de gelegenheid moet krijgen bewijsstukken na de zitting alsnog over te leggen, zal een afweging moeten plaatsvinden van enerzijds het belang dat die partij heeft bij het overleggen van die stukken en de redenen waarom hij dit niet in een eerdere fase van de procedure voor de rechtbank heeft gedaan, en anderzijds het algemeen belang van een doelmatige procesgang (zie HR 3 februari 2006, ECLI:NL:HR:2006:AV0821).
46. De rechtbank passeert het ter zitting gedane bewijsaanbod van eiser. Gelet op de door eiser ingenomen standpunten had eiser eerder de arbeidsovereenkomsten kunnen en moeten overleggen. Eiser heeft voorafgaand aan de zitting voldoende tijd gehad om zijn standpunt met stukken nader te onderbouwen. Hij heeft om hem moverende redenen daarvan afgezien. Daar komt bij dat eiser op de zitting geen duidelijkheid heeft kunnen verschaffen over de omvang van het bewijsaanbod – meer specifiek: of het bewijsaanbod betrekking heeft op alle werknemers of slechts een deel van de werknemers en of het de arbeidsrelaties in het jaar 2016 betreft. Schorsen van het onderzoek ter zitting om het bewijsaanbod alsnog gestalte te geven, zou het algemeen belang van een doelmatige procesgang onevenredig treffen.
Navorderingsaanslag IB/PVV 2016 – loonkosten in aftrek?
47. Eiser stelt zich op het standpunt dat bij het bepalen van de winst uit de IB-onderneming loonkosten tot een bedrag van € 66.136 in aanmerking genomen moeten worden. Door de opheffing van de BV is bij de BV een bedrag van ongeveer € 60.000 aan verliezen verloren gegaan. Dit bedrag mag eiser in zijn IB-onderneming voor de inkomstenbelasting in aanmerking nemen. Verweerder komt niets tekort, aldus eiser. Eiser betoogt verder dat rekening moet worden gehouden met het matchingbeginsel – bij de IB-onderneming is omzet (‘van het personeel’, aldus eiser) in aanmerking genomen, dus daar horen ook kosten bij. Op de zitting heeft eiser verder gesteld dat hijzelf de werkgever van de werknemers was, en dat de BV dus niet de werkgever van de werknemers was (zie hiertoe eveneens het bewijsaanbod onder 44). Eiser betwist dat de BV inhoudingsplichtige voor de loonheffingen was en dientengevolge loonheffingen heeft ingehouden/afgedragen.
48. Verweerder stelt zich op het standpunt dat de loonkosten bij het bepalen van de winst uit de IB-onderneming niet in aanmerking genomen kunnen worden. Eiser heeft na herhaalde verzoeken van verweerder nimmer inzage gegeven in de arbeidsovereenkomsten met de werknemers. Eiser heeft dan ook niet nader onderbouwd waarom de kosten bij de IB-onderneming in aanmerking genomen mogen worden. De BV heeft gehandeld als werkgever en heeft de loonheffingen ingehouden en afgedragen en de loonkosten in 2016 ten laste van haar resultaat gebracht. De loonkosten zijn niet ten behoeve van de IB-onderneming gemaakt, aldus verweerder.
49. De rechtbank merkt allereerst op dat het geschil zich beperkt tot de vraag of de loonkosten als een bestanddeel van de winst uit onderneming moeten worden aangemerkt (artikel 3.8 van de Wet inkomstenbelasting 2001 (Wet IB 2001)). Dit betreft een totaalwinstvraagstuk. Hetgeen eiser heeft opgemerkt over het matchingbeginsel (en het toerekenen van kosten aan omzet), als beginsel van goed koopmansgebruik, speelt derhalve geen rol.
50. De rechtbank stelt voorop dat het uitgangspunt bij de beoordeling of als kosten van de onderneming opgevoerde posten als zodanig kunnen worden aanvaard, dient te zijn of de desbetreffende uitgaven op zakelijke gronden zijn gedaan, dat wil zeggen met het oog op de zakelijke belangen van de onderneming (zie HR 18 maart 1998, ECLI:NL:HR:1998:AA2488). Het is aan eiser om feiten en omstandigheden te stellen, en bij betwisting door verweerder aannemelijk te maken, dat de in geschil zijnde loonkosten op zakelijke gronden zijn gedaan. De argumentatie van eiser dat de loonkosten reeds in aanmerking mogen worden genomen omdat bij de BV verliezen verloren zijn gegaan, vindt geen steun in de wet of het totaalwinstbegrip.
51. Anders dan eiser heeft gesteld, stelt de rechtbank allereerst vast dat de BV inhoudingsplichtige voor de loonheffingen ten aanzien van de werknemers was. De BV heeft loonheffingen ingehouden en (tezamen met de eenmanszaak) afgedragen ten aanzien van de werknemers. Dit volgt rechtstreeks uit de door de BV ingediende, en bij aanslag gevolgde, aangifte voor de vennootschapsbelasting. De stukken bevatten geen aanknopingspunten waaruit volgt dat de BV niet inhoudingsplichtige ten aanzien van de werknemers was. Daar komt bij dat de BV de loonkosten ook daadwerkelijk op haar winst in aftrek heeft gebracht. Het feit dat loonkosten en (gedeeltelijk) loonheffingen zijn overgemaakt vanaf een rekening op naam van de eenmanszaak, heeft niet tot gevolg dat de eenmanszaak als inhoudingsplichtige aangemerkt wordt.
52. De stelling van eiser dat de eenmanszaak de loonverplichtingen als werkgever is aangegaan is, na betwisting door verweerder, niet aannemelijk gemaakt. Zoals reeds hiervoor is opgemerkt heeft eiser geen enkel inzicht gegeven in eventuele verplichtingen die de eenmanszaak als werkgever zou zijn aangegaan. De stelling van eiser dat hij aan verweerder in een eerder stadium per e-mail arbeidsovereenkomsten van de werknemers heeft overgelegd heeft verweerder weersproken. Op de zitting kon eiser desgevraagd niet aangeven waar in het procesdossier bewijs hiervoor te vinden is. De rechtbank ziet hiertoe ook geen aanknopingspunten in het procesdossier en gaat er dus vanuit dat geen arbeidsovereenkomsten zijn overgelegd. Ook verwijst de rechtbank naar hetgeen omtrent het bewijsaanbod ter zitting is opgemerkt onder 44-46. Daar komt bij dat de BV heeft gehandeld als zijnde de werkgever van de werknemers door loonheffingen in te houden en (deels) af te dragen. Het feit dat de eenmanszaak de nettolonen vanaf haar rekening heeft betaald, is onvoldoende om te kunnen concluderen dat reeds daarom sprake was van een arbeidsrelatie tussen de eenmanszaak en de werknemers.
53. Het vorenstaande brengt de rechtbank tot het oordeel dat eiser met al hetgeen hij heeft gesteld niet aannemelijk heeft gemaakt dat de loonkosten tot een bedrag van € 66.136 zijn gemaakt ten behoeve van de IB-onderneming. Dit betekent dat deze kosten bij het bepalen van de winst uit de IB-onderneming niet in aanmerking genomen mogen worden. Het gelijk is tot dusverre aan verweerder.
Navorderingsaanslag IB/PVV 2016 - schending vertrouwensbeginsel?
54. Eiser stelt zich op het standpunt dat met het corrigeren van de loonkosten het vertrouwensbeginsel is geschonden. Verweerder heeft betwist dat een afspraak – waaruit zou volgen dat de loonkosten in aftrek kunnen worden gebracht – is gemaakt.
55. Bij de beoordeling of het vertrouwensbeginsel is geschonden stelt de rechtbank voorop dat voor een geslaagd beroep op het vertrouwensbeginsel vereist is dat de belastingplichtige aannemelijk maakt dat van de zijde van de overheid toezeggingen of andere uitlatingen zijn gedaan of gedragingen zijn verricht waaruit de belastingplichtige in de gegeven omstandigheden redelijkerwijs kon en mocht afleiden of, en zo ja, hoe de ambtenaar in een concreet geval zijn bevoegdheden zou uitoefenen (zie HR 19 juni 2020, ECLI:NL:HR:2020:1069).
56. Voor een onderbouwing van eiser zijn stelling dat verweerder een (impliciete) toezegging heeft gedaan inhoudende dat de loonkosten bij de IB-onderneming in aftrek mogen worden gebracht, heeft eiser naar verscheidene door hem verzonden e-mailberichten verwezen. Naar het oordeel van de rechtbank kan echter uit de door eiser aangehaalde e-mailberichten van 13 april 2021 (zie onder 10) en 5 november 2021 (zie onder 13) slechts – voor zover relevant – worden opgemaakt dat eiser een bij de BV verloren gegaan verlies van € 50.000 - € 60.000 wenst te benutten, nog exact moet uitzoeken om welk bedrag het gaat en wat er is mis gegaan en dat hij in overleg wenst te treden. Uit het door eiser aangehaalde e-mailbericht van 14 december 2021 (zie onder 15) kan slechts – voor zover relevant – worden opgemaakt dat eiser bepaalde mutaties van 2016 heeft opgenomen in de administratie van de eenmanszaak en dat eiser stelt dat verweerder heeft aangegeven dat deze administratieve verwerking is aangegeven door verweerder. Uit deze e-mailberichten volgt geenszins dat door verweerder een (impliciete) toezegging is gedaan waaruit volgt dat de loonkosten bij de IB-onderneming in aftrek kunnen worden gebracht. Ook uit de door verweerder aan eiser verzonden e-mailberichten van 15 april 2021 (zie onder 11) en 6 april 2022 (zie onder 17) volgt niet dat overeenstemming over het in aanmerking nemen van loonkosten is bereikt. In het bericht van 15 april 2021 is slechts aan eiser gevraagd zijn standpunt toe te lichten en in het bericht van 6 april 2022 is slechts opgenomen dat de heer [naam 1] heeft aangegeven op het onderdeel loonkosten terug te komen, maar dat daarop geen reactie is ontvangen. Ook overigens is in de overgelegde stukken niet een aanwijzing te vinden dat verweerder een (impliciete) toezegging heeft gedaan over het in aftrek toestaan van de loonkosten.
57. Eiser heeft verder gesteld dat voorafgaand en/of gedurende het boekenonderzoek een controlemedewerker mondeling heeft toegezegd dat de administraties samengevoegd mochten worden, waaruit volgens eiser een (impliciete) toezegging volgt dat de loonkosten bij de IB-onderneming in aftrek mogen worden gebracht. De heer [naam 1] heeft conform de stelling van eiser op de zitting verklaard. Verweerder heeft betwist dat een dergelijke toezegging mondeling is gedaan. Naar het oordeel van de rechtbank is de stelling van eiser, tegenover de betwisting door verweerder, onvoldoende om aannemelijk te achten dat een dergelijke toezegging mondeling is gedaan. De rechtbank betrekt hierbij dat in het rapport boekenonderzoek (zie onder 18) reeds is vermeld dat partijen het oneens zijn over de door eiser ingenomen stelling dat door de controlemedewerker een toezegging zou zijn gedaan.
58. Gelet op het voorgaande heeft eiser naar het oordeel van de rechtbank niet aannemelijk gemaakt dat van de zijde van verweerder toezeggingen of andere uitlatingen zijn gedaan of gedragingen zijn verricht waaruit eiser kon en mocht afleiden dat de loonkosten bij de IB-onderneming in aftrek mochten worden gebracht. Dit betekent dat het betoog van eiser niet slaagt.
59. Nu de rechtbank van oordeel is dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat sprake is van een toezegging, andere uitlating of gedraging, komt de rechtbank niet toe aan de vraag of eiser op nakoming mocht rekenen.
Aanslag IB/PVV 2017 – de hoogte van het verzamelinkomen
60. Voor wat betreft de aanslag IB/PVV 2017 dient de rechtbank allereerst de vraag te beantwoorden of eiser de vereiste aangifte heeft gedaan. Indien de vereiste aangifte niet is gedaan, dan dient de bewijslast te worden omgekeerd (artikel 27e, eerste lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR)). Omkering (en verzwaring) van de bewijslast betekent dat eiser moet doen blijken dat en in hoeverre de uitspraak op bezwaar onjuist is.
61. Tussen partijen is niet in geschil dat de uitnodiging tot het doen van aangifte, de herinnering tot het doen van aangifte en de aanmaning tot het doen van aangifte door eiser zijn ontvangen (zie onder 26 tot en met 28). Verder is niet in geschil dat eiser geen aangifte heeft gedaan binnen de in de aanmaning gestelde termijn (te weten 10 april 2019).
62. Gelet op het voorgaande staat vast dat eiser is uitgenodigd, herinnerd en aangemaand tot het doen van aangifte voor het jaar 2017. Nu eiser binnen de daartoe gestelde termijnen geen aangifte heeft gedaan, is de rechtbank van oordeel dat eiser niet de vereiste aangifte heeft gedaan. De bewijslast wordt dus omgekeerd en verzwaard.
63. De omkering en verzwaring van de bewijslast ontslaat verweerder niet van zijn verplichting een redelijke schatting te maken van de inkomensbestanddelen. Het vereiste van een redelijke schatting strekt, in de context van de omkering en verzwaring van de bewijslast, ertoe te voorkomen dat een aanslag naar willekeur wordt vastgesteld (vgl. HR 31 mei 2013, ECLI:NL:HR:2013:BX7184).
64. Verweerder heeft de schatting (zie onder 29) gebaseerd op het door eiser genoten inkomen van [pensioenfonds] (€ 18.367) en de aangegeven omzet (€ 61.633). Op de zitting heeft verweerder – desgevraagd – toegelicht dat het als winst uit onderneming in aanmerking genomen bedrag van € 61.633 bestaat uit een bedrag van € 46.352 zelf aangegeven omzet voor de omzetbelasting (waarbij verweerder verwijst naar paragraaf 5.2 van het rapport boekenonderzoek; zie onder 18), vermeerderd met 21% omzetbelasting en een bedrag van € 5.547,08. Wat betreft het bedrag van € 5.547,08 heeft verweerder op de zitting toegelicht dat dit een afrondingsverschil is om tot een afgerond bedrag van € 80.000 te komen.
65. De rechtbank overweegt dat bij het beoordelen van de schatting van verweerder, de rechtbank slechts toetst of verweerder bij de afweging van de in aanmerking komende belangen in redelijkheid tot de onderhavige schatting heeft kunnen komen. Naar het oordeel van de rechtbank voldoet de schatting van verweerder aan deze toets. Verweerder heeft in redelijkheid als basis voor zijn schatting het ontvangen bedrag van [pensioenfonds] en de door eiser zelf aangegeven omzet kunnen nemen. Dat verweerder het bedrag heeft afgerond, maakt niet dat reeds daarom niet sprake is van een redelijke schatting. Het ligt op de weg van eiser om, voor zover hij de juistheid van die gegevens of de juistheid anderszins van de schatting betwist, daarvoor (tegen)bewijs te leveren op de in artikel 27e, eerste lid, van de AWR bedoelde wijze.
66. De rechtbank staat daarom voor de vraag of eiser overtuigend heeft aangetoond dat de uitspraak op bezwaar onjuist is. Eiser heeft betoogd dat de ‘winst’ € 8.923 behoort te zijn en dat – zo begrijpt de rechtbank – deze berekening lager uitvalt omdat eiser de balans heeft ontdaan van een rekening-courantschuld en overigens ook heeft opgeschoond. Verder verwijst eiser naar zijn (digitale) grootboekadministratie. Als het verweerder niet duidelijk was geweest, dan had verweerder – naast verscheidene vragenbrieven in het jaar 2020, welke eiser meent pas op een later moment te hebben ontvangen – maar (nog) meer vragen moeten stellen. Bovendien is de aanslag hoger dan voorgaande jaren, aldus eiser.
67. Met al hetgeen eiser heeft aangevoerd, heeft hij niet overtuigend aangetoond dat de (in de uitspraak op bezwaar gehandhaafde) aanslag IB/PVV 2017 te hoog is vastgesteld. Het is de rechtbank volstrekt onduidelijk gebleven waar het bedrag van € 8.923 uit zou bestaan. Het slechts verwijzen naar eerder overgelegde auditfiles / grootboekkaarten / resultatenrekeningen, zonder enige toelichting, is onvoldoende. Ook de stelling dat de aanslag IB/PVV 2017 hoger is dan voorgaande jaren is, zonder enige toelichting, onvoldoende. Wat betreft het betoog van eiser dat verweerder (meer) vragen had moeten stellen, vindt – zoals hierboven opgemerkt en overwogen – geen steun in het recht.
Schending algemene beginselen van behoorlijk bestuur (overig)?
68. Eiser heeft betoogd dat tijdens een kantoorbezoek op 3 februari 2022 een bedreiging door een controleambtenaar zou hebben plaatsgevonden. Op de zitting heeft eiser nog betoogd dat hij de aanleiding van het boekenonderzoek niet vertrouwt. Eiser zou zich gedurende meerdere jaren in het openbaar negatief hebben uitgelaten over verweerder en/of Dienst Toeslagen. Bij eiser bestaat het vermoeden dat de negatieve uitlatingen aanleiding zijn geweest voor het onderzoek.
69. Wat betreft de gestelde bedreiging op het kantoor van eiser overweegt de rechtbank als volgt. Eiser en [naam 1] hebben tijdens de zitting een nadere toelichting gegeven op het handelen van de controleambtenaar tijdens het boekenonderzoek. Hieruit valt af te leiden dat onenigheid bestond over het samenvoegen van de twee administraties. Eiser zou hebben gezegd dat een afspraak bestond over de aftrekbaarheid van loonkosten, waarna de controleambtenaar gezegd zou hebben dat een dergelijke afspraak niet bestond. Nergens volgt uit dat de gedragingen van de controleambtenaar van zodanige aard waren, dat deze in de weg staan aan het opleggen van de (navorderings)aanslagen met (voor het jaar 2016) als basis het controlerapport. Dat eiser het hiervoor beschreven gesprek over een afspraak die al dan niet zou zijn gemaakt als onredelijk en intimiderend heeft ervaren, maakt dit niet anders. Van bedreiging is geenszins sprake.
70. De aanname van eiser dat verweerder het boekenonderzoek is gestart omdat eiser zich negatief zou hebben uitgelaten over verweerder en/of Dienst Toeslagen, is – tegenover de betwisting door verweerder – niet aannemelijk geworden.
71. Voor zover eiser zich op schending van overige algemene beginselen van behoorlijk bestuur heeft beroepen, is het onvoldoende gemotiveerd. Dit geldt ook voor hetgeen eiser heeft opgemerkt over de onzorgvuldigheid ten aanzien van de (navorderings)aanslagen Zvw.
72. Al hetgeen eiser heeft betoogd ten aanzien van het derdenonderzoek bij de Raad voor Rechtsbijstand, behoeft geen bespreking in deze uitspraak nu het derdenonderzoek bij de Raad voor Rechtsbijstand heeft plaatsgevonden in het kader van de aanslag IB/PVV voor het jaar 2018 (HAA 23/5392).
Beschikkingen belastingrente 2016
73. Volgens eiser heeft het opleggen van de navorderingsaanslagen te lang geduurd. Dit is volgens eiser te wijten aan de lange duur van het boekenonderzoek.
74. Voor de navorderingsaanslag IB/PVV 2016 en de navorderingsaanslag Zvw 2016 geldt dat de belastingrente is berekend over het tijdvak 1 juli 2017 tot en met 20 augustus 2022. De rechtbank stelt vast dat dit tijdvak conform het tweede lid van artikel 30fc van de AWR is bepaald.
75. Voor zover eiser stelt dat het tijdvak waarover belastingrente in rekening is gebracht onredelijk lang is omdat de navorderingsaanslagen pas op 20 juli 2022 zijn opgelegd, kan deze stelling niet leiden tot een gegrond beroep. De navorderingsaanslagen zijn namelijk opgelegd binnen de daartoe in artikel 16 van de AWR gestelde termijn.
76. Ten aanzien van het boekenonderzoek, dat voor het jaar 2016 is gestart op 6 april 2021 en is afgerond met de aanbieding van het rapport boekenonderzoek op 24 oktober 2022, kan niet worden gezegd dat dit onnodig lang heeft geduurd. Gedurende het boekenonderzoek is veelvuldig gecorrespondeerd tussen verweerder en eiser en diens adviseur. Eiser heeft om uitstel verzocht voor het indienen van de opgevraagde stukken en is vervolgens meerdere keren herinnerd de stukken te overleggen (zie onder meer onder 6 tot en met 11). Vervolgens is verweerder overgegaan tot het afgeven van een informatiebeschikking omdat eiser de gevraagde informatie niet had overgelegd. De rechtbank volgt dus niet de stelling van eiser dat hij te allen tijde de controlemedewerker direct van antwoorden en onderliggende stukken heeft voorzien. De met dit gehele proces gemoeide tijd van ruim anderhalf jaar, acht de rechtbank gezien de vele benodigde informatieverzoeken van verweerder niet onredelijk lang. Daar komt bij dat verweerder reeds voor het afronden van het boekenonderzoek is overgegaan tot het opleggen van de navorderingsaanslagen.
77. Gelet op de hiervoor genoemde feiten en omstandigheden is de rechtbank van oordeel dat met het voorbereiden en vaststellen van de in geding zijnde navorderingsaanslagen, geen langere termijn is gemoeid dan op grond van het evenredigheidsbeginsel kan worden aanvaard.
78. Het beroep van eiser op artikel 1 van het Eerste Protocol bij het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) is geenszins onderbouwd om tot een beoordeling te komen.
Beschikkingen belastingrente 2017
79. Volgens eiser heeft het opleggen van de (ambtshalve) aanslagen te lang geduurd. Dit is volgens eiser te wijten aan de lange duur van het boekenonderzoek.
80. Voor de (ambtshalve) aanslag IB/PVV 2017 en de (ambtshalve) aanslag Zvw 2017 geldt dat de belastingrente is berekend over het tijdvak 1 juli 2018 tot en met 31 maart 2020. De rechtbank stelt vast dat dit tijdvak conform het tweede lid van artikel 30fc van de AWR is bepaald.
81. Voor zover eiser stelt dat het tijdvak waarover belastingrente in rekening is gebracht onredelijk lang is omdat de aanslagen pas op 19 februari 2020 zijn opgelegd, kan deze stelling niet leiden tot een gegrond beroep. De aanslagen zijn namelijk opgelegd binnen de daartoe in artikel 11 van de AWR gestelde termijn.
82. Nu de onderliggende aanslagen voor het jaar 2017 niet onderdeel zijn geweest van het boekenonderzoek en eiser zijn standpunt betreffende de tijdigheid niet nader heeft gemotiveerd, slaagt het standpunt van eiser voor het overige eveneens niet.
83. Het beroep van eiser op artikel 1 van het Eerste Protocol bij het EVRM is geenszins onderbouwd om tot een beoordeling te komen.
Verzuimboete bij de aanslag IB/PVV 2017
84. De verzuimboete voor een bedrag van € 369 is opgelegd wegens het niet doen van aangifte. Vast staat dat eiser, na een ontvangen uitnodiging, herinnering en aanmaning, geen aangifte voor het jaar 2017 heeft gedaan. Het beboetbare feit heeft zich daarom voorgedaan. Een verzuimboete kan dan slechts vervallen of worden verminderd bij afwezigheid van alle schuld of bij een wanverhouding tussen de boete en het beboetbare feit.
85. Eiser heeft aangevoerd dat hij tijdelijk arbeidsongeschikt was en dat hij daarom geen overzicht had van de termijn waarbinnen aangifte gedaan moest zijn. Naar het oordeel van de rechtbank is hetgeen eiser heeft aangevoerd onvoldoende om aan te nemen dat sprake is van afwezigheid van alle schuld op grond waarvan de boete zou moeten vervallen. De uitnodiging, de herinnering en de aanmaning tot het doen van aangifte voor het jaar 2017 heeft eiser ontvangen. De herinnering en zeker de aanmaning hadden, ondanks het zijn van arbeidsongeschikt, voor eiser reden moeten zijn erop toe te zien (tijdig) aangifte te doen. Ook zijn geen feiten en omstandigheden gesteld of gebleken op grond waarvan zou moeten worden geoordeeld dat sprake is van een wanverhouding tussen de boete en het beboetbare feit. De rechtbank acht de boete dan ook passend en geboden.
86. Tot slot constateert de rechtbank ambtshalve dat vanaf de bekendmaking van de boete bij de aanslagoplegging (19 februari 2020) tot het moment dat de rechtbank uitspraak doet meer dan twee jaar zijn verstreken. Van bijzondere omstandigheden die aanleiding geven voor verlenging of verkorting van de redelijke termijn voor de berechting van deze zaak is de rechtbank niet gebleken. Dat betekent dat de redelijke termijn met meer dan twaalf maanden is overschreden. Omdat de boete minder bedraagt dan € 1.000 zal de rechtbank volstaan met de constatering dat de redelijke termijn is overschreden (zie HR 14 juni 2024, ECLI:NL:HR:2024:853).
Navorderingsaanslag Zvw 2016 en aanslag Zvw 2017
87. Eiser heeft betoogd dat het niet duidelijk is waarom de (navorderings)aanslagen Zvw in stand kunnen blijven. Hij geeft aan dat hij sinds 2002 een nabestaandenpensioen ontvangt en de bijdrage al jaren op nihil is gesteld.
88. Het bijdrage-inkomen is, voor zover hier van belang, het gezamenlijke bedrag van het genoten loon uit dienstbetrekking, de belastbare winst uit onderneming en een uitkering. Over het nabestaandenpensioen wordt door [pensioenfonds] de bijdrage Zvw ingehouden en afgedragen aan verweerder. Voor de genoten winst uit onderneming geldt dit niet en dient eiser de bijdrage Zvw aan verweerder te betalen via een aanslag. Op grond van artikel 42 van de Zorgverzekeringswet is eiser een inkomensafhankelijke bijdrage verschuldigd over zijn bijdrage-inkomen, aangezien hij winst uit onderneming geniet. De (navorderings)aanslagen Zvw zijn dus tot het juiste bedrag vastgesteld.
Slotsom
89. De slotsom luidt dat de beroepen ongegrond dienen te worden verklaard. Eiser krijgt dus geen gelijk. Dit betekent dat de (navorderings)aanslagen, de rentebeschikkingen en de boetebeschikking in stand blijven.
Proceskosten
90. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank verklaart de beroepen ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. C. Huisman, voorzitter, en mr. A.A. Fase en mr. C.M.J.C. Snoek-Bakker, leden, in aanwezigheid van H. van Lingen, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 19 december 2025.
griffier voorzitter
Een afschrift van deze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst. Indien u niet digitaal procedeert, is een afschrift per post verzonden op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof Amsterdam (belastingkamer).
U kunt digitaal beroep instellen via www.rechtspraak.nl. Daar klikt u op “Formulieren en inloggen”. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof Amsterdam (belastingkamer), Postbus 1312, 1000 BH Amsterdam.
Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:
1. bij het hogerberoepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.
2. het hogerberoepschrift moet, indien het op papier wordt ingediend, ondertekend zijn. Verder moet het ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;
b. de datum van verzending;
c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;
d. de redenen waarom u het niet eens bent met de uitspraak (de gronden van het hoger beroep).