Rechtbank noord-holland
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 9 september 2025 in de zaak tussen
[eiseres] , wonende te [woonplaats] , eiseres
de Dienst Toeslagen, kantoor Utrecht, verweerder.
Zittingsplaats Haarlem
Bestuursrecht
zaaknummer: HAA 24/4992
(gemachtigde: mr. T. van Uden),
en
Procesverloop
Bij besluiten van 4 oktober 2022 heeft verweerder de verzoeken van eiseres om compensatie op grond van de Wet hersteloperatie toeslagen (Wht) afgewezen.
Verweerder heeft bij in één geschrift vervatte beslissingen op bezwaar van 11 juni 2024 de bezwaren van eiseres tegen de besluiten ongegrond verklaard.
Eiseres heeft daartegen op 27 juni 2024 beroep bij de rechtbank ingesteld.
Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd en een verweerschrift ingediend. In de stukken waren passages onleesbaar gemaakt en daartoe heeft verweerder, met een beroep op artikel 8:29, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) een verzoek tot beperkte kennisneming ingediend. Bij beslissing van 11 juni 2025 heeft de geheimhoudingskamer van de rechtbank bepaald dat geheimhouding van de onleesbaar gemaakte passage niet gerechtvaardigd was en heeft zij verweerder de gelegenheid gegeven om binnen een week na deze beslissing aan de rechtbank kenbaar te maken of hij instemde met het ter beschikking stellen van de ongelakte passages aan eiseres.
Eiseres heeft te kennen gegeven geen bezwaar te hebben tegen kennisneming van ongeschoonde stukken.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 17 juni 2025 te Haarlem.
Eiseres is verschenen met haar gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. [naam 1] en, via een beeldverbinding, door [naam 2] .
Overwegingen
Feiten
Thematisch toezicht 001
(…)
Titel: (…)Hoog-ris_KOT_2016
Toeslagjaar: 2015 t/m 2017
(…)
Opmerking: RS KOT Burger en tp hebben beide relatief lage inkomen en ragen de maximum aantal uren op, hierdoor de burger via een dvtvi uitvragen en wachtstap aanmaken van 28 dagen
Opmerking: RS kot 16, burger heeft gereageerd op de eerder door ons gezonden brief, de stukken zijn voldoende bevonden
Nav de stukken heb ik de uren van de opvang van 230 naar 79 opgevoerd,(…).
Bij 2 november 2016 en 13 december 2016 staan vergelijkbare teksten vermeld.
3. Met dagtekening 25 oktober 2016 heeft verweerder aan eiseres een verzoek om informatie gestuurd. Het verzoek om informatie heeft verweerder op 31 oktober 2016 ingevuld, ondertekend en voorzien van bewijsstukken ontvangen. Op 19 december stuurt verweerder eiseres een brief waarin wordt aangegeven dat de aanvraag is beoordeeld, dat eiseres recht heeft op kinderopvangtoeslag en dat zij de voorschotbeschikking binnen acht weken zal ontvangen. Op 21 december 2016 heeft verweerder met eiseres gebeld en in het systeem 201 uren aan kinderopvang opgevoerd. Op 23 december 2016 heeft verweerder eiseres een brief verzonden waarin de beslistermijn ten aanzien van de voorschotbeschikking kinderopvangtoeslag is verlengd tot 23 maart 2017. Op 10 februari 2017 heeft eiseres de voorschotbeschikking kinderopvangtoeslag voor 2016 ontvangen.
4. Op 18 januari 2021 heeft eiseres een verzoek ingediend tot herbeoordeling van haar recht op kinderopvangtoeslag (hierna: KOT) over de jaren 2016 tot en met 2019.
5. Bij beschikking van 26 april 2021 heeft verweerder aan eiseres medegedeeld dat hij nog geen reden zag voor het toekennen van de vergoeding van € 30.000 ingevolge de zogenoemde Catshuisregeling (neergelegd in artikel 2.7, eerste lid, Wht), maar dat nog een grondige beoordeling zou volgen. Vervolgens heeft verweerder de zaak voorgelegd aan de Commissie van Wijzen (hierna: CvW). Op 1 augustus 2022 heeft de CvW geconcludeerd dat de hardheidsregeling en de compensatieregeling zoals die zijn opgenomen in de artikelen 49 en 49b van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen (Awir) niet van toepassing waren voor de toeslagjaren 2016 tot en met 2019. Verweerder heeft dit oordeel overgenomen en bij twee beschikkingen van 4 oktober 2022, UHT-DH5 A en UHT DC-I A, beslist dat eiseres geen recht heeft op compensatie.
6. Per brief van 13 oktober 2022 heeft eiseres tegen de beschikkingen van 4 oktober 2022 bezwaar gemaakt. Per brief van 8 december 2022 heeft verweerder de ontvangst van het bezwaarschrift bevestigd en per brief van 30 januari 2023 heeft verweerder eiseres medegedeeld dat het bezwaar was doorgestuurd naar de Bezwaarschriftenadviescommissie (hierna: BAC).
7. Op 27 maart 2024 is eiseres door de BAC gehoord. Op 25 april 2024 heeft de BAC haar advies overgedragen aan verweerder, waarin zij adviseert om de beschikking
UHT-DH5 A in stand te laten en de beschikking UHT DC-I A te herroepen. In verband daarmee adviseerde de BAC verweerder tot het toekennen van compensatie aan eiseres. In het advies staat, voor zover hier van belang, het volgende vermeld:
De commissie stelt vast dat de handelwijze van B/T met betrekking tot de toekenning van het voorschot KOT voor 2016 tot veel stress, frustratie en onvrede bij belanghebbende en haar gezin hebben geleid. Dit heeft UHT ook erkend in haar schriftelijke reactie. De Commissie stelt verder vast dat belanghebbende ten volle en voortvarend heeft meegewerkt aan het verschaffen van informatie. Er zijn geen aanknopingspunten die enigerlei verklaring kunnen bieden voor het zo lang op zich laten wachten van een voorschotbeschikking, terwijl bij B/T al begin november 2016 bekend was dat belanghebbende wezenlijk belang had bij snelle duidelijkheid over haar aanvraag. Tegen de achtergrond van deze gehele gang van zaken, komt de verklaring van belanghebbende over de telefonische mededeling over fraude, als niet onaannemelijk voor. Informatie die anderszins een verklaring kan vormen voor de gang van zaken is er niet. De niet te verklaren trage besluitvorming van B/T in combinatie met de kenbare financiële problemen van belanghebbende levert volgens het Handboek Integrale beoordeling-Vaktechniek (…) paragraaf 3.1.8 van UHT een sterke indicatie op van vooringenomenheid. Alles bijeen genomen komt de Commissie tot het advies aan UHT te erkennen dat belanghebbende institutioneel vooringenomen is behandeld.
(…)
Afwijzing compensatie 2016 (beschikking na 10 februari 2017)
Hetgeen de Commissie hiervoor heeft overwogen heeft alléén betrekking op de totstandkoming van de voorschotbeschikking KOT 2016 d.d. 10 februari 2017. (…)
8. Op 11 juni 2024 heeft verweerder op het bezwaar beslist en daarbij aangegeven dat het advies van de BAC niet wordt gevolgd. Verweerder heeft het bezwaar ongegrond verklaard.
Geschil 9.In geschil is of eiseres voor het toeslagjaar 2016 in aanmerking komt voor compensatie als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, van de Wht (hierna: de compensatie), omdat bij de beoordeling van het recht op kinderopvangtoeslag voor deze jaren sprake is geweest van institutionele vooringenomenheid
Meer specifiek is in geschil of verweerder het advies van de BAC terecht niet heeft opgevolgd en of verweerder voldoende deugdelijk heeft gemotiveerd waarom hij van dat advies is afgeweken.
10. Eiseres stelt zich op het standpunt dat zij recht heeft op compensatie en heeft daarvoor aangevoerd dat de BAC heeft vastgesteld dat de voorschotbeschikking had geleid tot veel stress, frustratie en onvrede bij eiseres en haar gezin. Ze heeft alle gevraagde informatie direct verstrekt en uit het dossier blijkt dat de stukken al in oktober 2016 voldoende zijn bevonden. Op 2 november 2016 heeft een medewerker van verweerder telefonisch verklaard dat eiseres betrokken was in een fraudeonderzoek. Alleen dit kan verklaren waarom de aanvraag is aangemerkt als ‘Hoog risico KOT’ en waarom de behandeling van de aanvraag KOT voor 2016 zo lang heeft geduurd. Verder heeft verweerder, aldus eiseres, niet onderbouwd waarom hij is afgeweken van het advies van de BAC dat bij het tot stand komen van genoemde voorschotbeschikking sprake was van institutioneel vooringenomen handelen. Eiseres wijst daarbij op artikel 3:50 van de Awb.
Eiseres concludeert tot gegrondverklaring van het beroep, vernietiging van de beslissing op bezwaar, tot toekenning van een compensatie van € 30.000 en tot veroordeling van verweerder in de proceskosten.
11. Verweerder neemt het standpunt in dat het beroep ongegrond moet worden verklaard en dat verweerder in de beslissing op bezwaar terecht en op juiste gronden is afgeweken van het advies van de BAC en deze afwijking ook voldoende uitvoerig wordt gemotiveerd. Verweerder heeft daarvoor aangevoerd dat de voorschotbeschikking binnen de daarvoor gestelde wettelijke termijn tot stand is gekomen en zolang binnen die termijn wordt beslist er geen sprake kan zijn geweest van vooringenomen handelen. Van een brede uitvraag of zerotoleranceonderzoek is volgens verweerder evenmin sprake geweest omdat alle uitgevraagde stukken vielen binnen de standaardcontrole.
Verweerder concludeert tot ongegrondverklaring van het beroep.
Beoordeling van het geschil
Motivering van de beslissing op bezwaar
12. Bij de beslissing op bezwaar is verweerder afgeweken van het advies van de BAC. In artikel 3:50 van de Awb is bepaald dat indien het bestuursorgaan een besluit neemt dat afwijkt van een met het oog daarop krachtens wettelijk voorschrift uitgebracht advies, zulks met de redenen voor de afwijking in de motivering wordt vermeld. In dat kader heeft verweerder aangevoerd dat de behandeling van de aanvraag van de KOT binnen de daarvoor geldende wettelijke termijn heeft plaatsgevonden en de opgevraagde gegevens binnen de standaardcontrole vielen. De rechtbank stelt vast dat in de beslissing op bezwaar niet is ingegaan op de redenen voor gegrondverklaring die in het advies van de BAC zijn opgenomen. Pas in het verweerschrift zet verweerder uiteen dat hij de betreffende paragraaf uit het handboek Integrale beoordeling-Vaktechniek waaraan de BAC refereert niet van toepassing acht op de situatie van eiseres omdat daarvan volgens verweerder slechts sprake kan zijn als de beslissing buiten de wettelijke termijn is genomen. Gelet op het voorgaande heeft verweerder niet voldaan aan de eis van artikel 3:50 van de Awb. De rechtbank ziet geen aanleiding om dit gebrek met toepassing van artikel 6:22 van de Awb te passeren. Nu eiseres in beroep heeft moeten komen om de motivering van de afwijkende beslissing te achterhalen, is zij door het motivatiegebrek in haar belangen geschaad. Reeds hierom is het beroep gegrond.
Juridisch kader institutionele vooringenomenheid
13. Uit artikel 2.1, eerste lid, van de Wht volgt dat een aanvrager alleen recht heeft op compensatie als hij schade heeft geleden doordat ten aanzien van hem in de periode vóór 23 oktober 2019 bij de beoordeling van het recht op kinderopvangtoeslag sprake is geweest van institutionele vooringenomenheid of doordat de toepassing van wettelijke regelingen heeft geleid tot onbillijkheden van overwegende aard als gevolg van de hardheid waarmee het wettelijke systeem vóór 23 oktober 2019 werd toegepast.
14. In de memorie van toelichting bij artikel 2.1 van de Wht (Kamerstukken II 2021/22, 36 151, nr. 3, p. 70-71) worden vijf aspecten van institutionele vooringenomenheid benoemd: (1) collectieve stopzetting zonder een voorafgaande individuele beoordeling die dit rechtvaardigde; (2) het breed uitvragen van bewijsstukken over een of meerdere jaren; (3) zero tolerance-onderzoek naar fouten, tekortkomingen en ontbreken bewijsstukken, al dan niet met een tweede check wanneer bij eerste lezing geen grond voor afwijzing was gevonden; (4) het niet nader uitvragen van informatie bij gebleken tekortkomingen in de door de ouder verstrekte bewijsstukken; (5) het afwijzen of reduceren van de aanspraak op kinderopvangtoeslag bij de minste of geringste onregelmatigheid in de door de ouder verstrekte bewijsstukken. Ieder aspect afzonderlijk hoeft niet noodzakelijkerwijs te duiden op institutionele vooringenomenheid, net zomin als het ontbreken van een van deze aspecten wijst op de afwezigheid daarvan. Er kunnen ook nog aanvullende aanwijzingen zijn van institutionele vooringenomenheid, zo blijkt uit de memorie van toelichting.
Handelwijze met betrekking tot de toekenning voorschot KOT 2016
15. Het systeem van de bevoorschotting is zodanig ingericht dat de Belastingdienst/Toeslagen in staat is in korte tijd een groot aantal besluiten op aanvragen om een toeslag te nemen. Daarbij wordt in beginsel uitgegaan van de door de aanvrager overgelegde gegevens. De controle op het recht op een toeslag vindt pas na afloop van het berekeningsjaar plaats. Eerst dan wordt de toeslag berekend en definitief vastgesteld. (vergelijk ECLI:NL:RVS:2014:3373 en ECLI:NL:RVS:2017:2522).
16. De rechtbank stelt voorop dat eiseres steeds aan verzoeken om informatie van verweerder heeft voldaan. De rechtbank overweegt verder dat verweerder bij de behandeling van de aanvraag van eiseres in afwijking van het systeem aanleiding heeft gezien om vooraf te controleren. Tijdens de zitting van de rechtbank verklaarde verweerder dat de behandeling langer heeft geduurd omdat er sprake was van een rekenfout van het UWV. Hij kon echter niet verklaren waarom de beslistermijn op 23 december 2016 is verlengd. Verweerder verklaarde daarover – zakelijk weergegeven – dat hij binnen de wettelijke termijn is gebleven en dat er geen aanwijzingen zijn dat eiseres is aangemerkt als fraudeur. Eiseres heeft expliciet ter zitting en ook voor de BAC verklaard dat haar telefonisch door een ambtenaar is medegedeeld dat er sprake was van een fraudeonderzoek. In het licht van de nadere controle aan de voorkant en het feit dat verweerder ter zitting niet kon verklaren waarom de beslistermijn 23 december 2016 werd verlengd terwijl de stukken reeds op 2 oktober 2016 voldoende waren bevonden, acht de rechtbank het aannemelijk dat het telefoongesprek inderdaad heeft plaatsgevonden en dat er een fraudeonderzoek naar eiseres heeft plaatsgevonden. Een andere verklaring voor de duur van de beslistermijn voor de voorschotbeschikking KOT 2016, terwijl verweerder op de hoogte was van eiseres belang voor de vlotte toekenning van de voorschotbeschikking is niet aannemelijk geworden.
17. Nu eiseres aannemelijk heeft gemaakt dat er sprake is geweest van een fraudeonderzoek, terwijl het dossier geen blijk geeft van een aanleiding daartoe en eiseres steeds aan verzoeken om informatie heeft voldaan, is de rechtbank van oordeel dat er sprake is van institutionele vooringenomenheid. Dit betekent dat is voldaan aan de voorwaarden van artikel 2.1 van de Wht en dat eiseres recht heeft op compensatie. De rechtbank zal het beroep daarom gegrond verklaren en aan eiseres een compensatie toekennen.
Proceskosten en het griffierecht
18. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 3.108 (1 punt voor het indienen van het bezwaarschrift, 1 punt voor het verschijnen ter hoorzitting met een waarde per punt van € 647, 1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 907 en een wegingsfactor 1). Ook moet verweerder aan eiseres het door haar in de onderhavige zaak betaalde griffierecht van € 51 te vergoeden.
Beslissing
De rechtbank:
₋ verklaart het beroep gegrond;
₋ vernietigt de beslissing op bezwaar;
₋ vernietigt de beschikking UHT DC-I A;
₋ draagt verweerder op een nieuwe beschikking te nemen waarin aan eiseres een compensatie ingevolge de Catshuisregeling wordt toegekend van € 30.000;
₋ veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 3.108;
₋ draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 51 aan eiseres te vergoeden.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S.J. Richters, rechter, in aanwezigheid van H. van Lingen, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 9 september 2025.
griffier rechter
Een afschrift van deze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst. Indien u niet digitaal procedeert, is een afschrift per post verzonden op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.