RECHTBANK NOORD-HOLLAND
Handel, Kanton en Bewind
locatie Alkmaar
Zaaknr./rolnr.: 11541479 \ CV EXPL 25-584
Uitspraakdatum: 28 mei 2025
Verstekvonnis van de kantonrechter in de zaak van:
Alektum B.V. (Otto B.V.)
te Zug, Zwitserland
de eisende partij
gemachtigde: R. Slagman
tegen
[gedaagde]
te [plaats]
de gedaagde partij
niet verschenen
1. De procedure
De eisende partij heeft de gedaagde partij gedagvaard. Tegen de gedaagde partij is verstek verleend.
2. De beoordeling
De eisende partij vordert veroordeling van de gedaagde partij tot betaling van € 69,71 aan hoofdsom, te vermeerderen met de buitengerechtelijke incassokosten, wettelijke rente en proceskosten.
De vordering is gebaseerd op een overeenkomst op afstand tussen een handelaar en een consument. Bij het sluiten van dergelijke overeenkomsten moet ter bescherming van de consument aan de wettelijke (pre)contractuele informatieplichten van de artikelen 6:230m lid 1 en 6:230v van het Burgerlijk Wetboek (BW) worden voldaan. Dat aan deze plichten is voldaan, moet gemotiveerd worden gesteld en onderbouwd. De kantonrechter moet er ambtshalve op toezien dat die voorschriften worden nageleefd, dus ook als er geen verweer is gevoerd.
Ambtshalve toetsing van de precontractuele informatieplichten
De eisende partij vindt dat zij heeft voldaan aan de precontractuele informatieplichten ex artikel 6:230m lid 1 BW. Ter onderbouwing hiervan heeft zij schermafdrukken van het bestelproces van de handelaar (Otto B.V.) overgelegd, voorzien van een toelichting.
Alhoewel de stellingen van de eisende partij in de dagvaarding over het herroepingsrecht (artikel 6:230m lid 1 sub h BW) onduidelijk en tegenstrijdig zijn, is de kantonrechter van oordeel dat voldoende gemotiveerd is gesteld en onderbouwd dat aan deze ‘essentiële’ precontractuele informatieplicht is voldaan. Uit de overgelegde schermafdrukken blijkt dat de consument tijdens het bestelproces op duidelijke en begrijpelijke wijze wordt gewezen op een bedenktermijn van 30 dagen. De voorwaarden waaronder dat recht uitgeoefend kan worden kan de consument vinden door onderaan de webpagina te klikken op ‘Retourneren & ruilen’. Daarmee wordt naar het oordeel van de kantonrechter voldaan aan artikel 6:230m lid 1 sub h BW. De kantonrechter wijst de eisende partij er in dit kader wel op dat het innemen van tegenstrijdige standpunten in eventuele vervolgzaken kan leiden tot (gedeeltelijke) afwijzing van de vordering.
Contractuele informatieplichten
Voor wat betreft de contractuele informatieplicht (artikel 6:230v lid 7 BW) heeft de eisende partij voldoende gesteld en onderbouwd dat deze is nagekomen.
Ambtshalve toetsing van de algemene voorwaarden
De kantonrechter moet onderzoek doen naar (mogelijk) oneerlijke bedingen in de toepasselijke algemene voorwaarden. Volgens Richtlijn 93/13/EEG betreffende oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten is een beding oneerlijk wanneer dit het evenwicht tussen de wederzijdse rechten en verplichtingen ten nadele van de consument aanzienlijk verstoort. De kantonrechter moet in iedere procedure over ieder onderdeel van de vordering beoordelen of daarover in de algemene voorwaarden afspraken zijn gemaakt en of die afspraken al dan niet oneerlijk zijn ten opzichte van de consument. Als de kantonrechter oordeelt dat een contractuele afspraak oneerlijk is, moet het beding worden vernietigd en moet de vordering op dat onderdeel worden afgewezen (ook als de eisende partij in de procedure een beroep doet op wettelijke bepalingen in plaats van op die contractuele afspraak).
Op de onderhavige overeenkomst(en) zijn de volgende algemene voorwaarden van de eisende partij van toepassing verklaard:
Algemene Voorwaarden van de Nederlandse Thuiswinkel Organisatie van 1 juni 2014 (hierna: de Algemene Voorwaarden);
Aanvullende Algemene Voorwaarden OTTO van april 2021 (hierna: de Aanvullende Voorwaarden).
Rente- en incassobedingen
Artikel 15.4 van de Algemene Voorwaarden en artikel 2 van de Aanvullende Voorwaarden betreffen rente- en incassobedingen. Deze bedingen luiden als volgt:
Artikel 15.4: “Indien de consument niet tijdig aan zijn betalingsverplichting(en) voldoet, is deze, nadat hij door de ondernemer is gewezen op de te late betaling en de ondernemer de consument een termijn van 14 dagen heeft gegund om alsnog aan zijn betalingsverplichtingen te voldoen, na het uitblijven van betaling binnen 14-dagen-termijn, over het nog verschuldigde bedrag de wettelijke rente verschuldigd en is de ondernemer de door hem gemaakte buitengerechtelijke incassokosten in rekening te brengen. Deze incassokosten bedragen maximaal: 15% over openstaande bedragen tot € 2.500,=; 10% over daaropvolgende € 2.500,= en 5% over de volgende € 5.000,=met een minimum van € 40,=. De ondernemer kan ten voordele van de consument afwijken van genoemde bedragen en percentages.”
Artikel 2: “Heeft u bij bestelling aangegeven ineens te willen betalen, dan dient u binnen 14 dagen na ontvangst van de artikelen het op het bijgeleverde besteloverzicht vermelde factuurbedrag, na aftrek van eventuele retouren, op de aangegeven wijze aan ons te voldoen. Indien het factuurbedrag niet voor de uiterste betaaldatum is voldaan, zal OTTO u in gebreke stellen en overeenkomstig het Besluit incassokosten, rente en/of administratiekosten in rekening brengen. Dit betekent dat vanaf 14 dagen na de vervaldag wettelijke rente in rekening wordt gebracht tot de dag van volledige betaling. Deze bedraagt momenteel 2% op jaarbasis. Tevens brengen wij u 14 dagen na de vervaldag, administratiekosten in rekening ad € 5,50. Na nog een maand achterstand, wordt € 13,50 maningskosten in rekening gebracht. Blijft u ook dan nog in verzuim, dan zijn wij gerechtigd u over de openstaande hoofdsom de volgende incassokosten in rekening te brengen:
15% over een openstaande hoofdsom t/m 2.500,-, met een minimum van € 40,-
10% over een openstaande hoofdsom van € 2.500,01 t/m € 5.000,-
5 % over een openstaande hoofdsom van € 5.000,01 t/m € 10.000,-
met een minimum van € 40,-.
De eerder berekende administratie- en maningskosten ad € 5,50 en € 13,50 worden hierop in mindering gebracht, zodat het minimum aan incassokosten € 21,00 bedraagt.
Bovendien kunnen indien van toepassing onderzoeks- of bezoekkosten in rekening worden gebracht. Indien u nalatig blijft in het betalen van het openstaande saldo, is OTTO gerechtigd, op een door haar bepaald moment, de vordering ter incasso uithanden te geven. Alle hieraan verbonden gerechtelijke en buitengerechtelijke kosten zijn voor uw rekening.”
Artikel 3 van de Aanvullende Voorwaarden ziet op de situatie waarbij de consument heeft gekozen voor ‘Betaling in termijnen’. De eisende partij heeft in dit geval niet gesteld en onderbouwd of de gedaagde partij heeft gekozen voor betaling ineens (artikel 2) of betaling in termijnen (artikel 3). Gelet op de overgelegde stukken gaat de kantonrechter er in dit geval vanuit dat is gekozen voor betaling ineens, zodat artikel 3 geen verband houdt met de onderhavige vordering en dus niet ambtshalve wordt getoetst op (on)eerlijkheid. De kantonrechter wijst de eisende partij erop dat zij hierover in eventuele vervolgzaken een onderbouwde stelling moet innemen, bij gebreke waarvan de kans bestaat dat de vordering (gedeeltelijk) wordt afgewezen.
De rente- en incassobedingen in artikel 15.4 van de Algemene Voorwaarden
zijn op zichzelf niet oneerlijk, omdat deze bedingen aansluiten bij de wettelijke regels omtrent de wettelijke rente en de buitengerechtelijke incassokosten. Daarbij speelt mee dat partijen een betalingstermijn zijn overeengekomen en dat het verzuim intreedt als er binnen deze termijn niet is betaald. In combinatie met de rente- en incassobedingen in artikel 2 van de Aanvullende Voorwaarden zijn deze bedingen wel oneerlijk. Daartoe wordt als volgt overwogen.
Op grond van artikel 2 van de Aanvullende Voorwaarden kan de handelaar bij niet tijdige betaling, voordat de vordering ter incasso uit handen is gegeven, naast de wettelijke rente ook ‘administratiekosten’, ‘maningskosten’, ‘incassokosten’ en ‘onderzoeks- of bezoekkosten’ bij de consument in rekening brengen. Het beding zou daarom tot gevolg kunnen hebben dat de consument wordt belast met kosten die normaal gesproken niet ten laste van de consument behoren te komen. De consument is op grond van de wettelijke regeling immers uitsluitend wettelijke rente verschuldigd.
Verder zou de consument op grond van artikel 2 van de Aanvullende Voorwaarden alle gerechtelijke en buitengerechtelijke kosten die verbonden zijn aan het door de handelaar ter incasso uit handen geven van de vordering verschuldigd zijn. Dit sluit niet aan bij artikel 6:96 lid 5 en lid 6 BW en het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten. Er wordt namelijk van uitgegaan dat alle kosten verschuldigd zijn. Daarbij is ook geen maximum opgenomen, wat ertoe leidt dat onbeperkte kosten voor rekening van de consument zouden kunnen komen. Dat zou tot gevolg hebben dat de consument belast wordt met hogere kosten dan wettelijk is toegestaan. Verder blijkt uit de tekst van het beding dat de incassokosten al verschuldigd zijn zodra de vordering uit handen wordt gegeven, terwijl de wettekst voorschrijft dat éérst nog een zogenoemde veertiendagenbrief moet worden verstuurd.
Artikel 2 van de Aanvullende Voorwaarden wijkt daardoor aanzienlijk ten nadele van de consument af van de wettelijke regelingen over de wettelijke rente en de vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten. Contractuele afwijking van dwingendrechtelijke bepalingen is, op grond van het arrest van de Hoge Raad van 10 februari 2023 onredelijk bezwarend in de zin van artikel 6:233, aanhef en onder a, BW, en daarmee oneerlijk in de zin van Richtlijn 93/13/EEG betreffende oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten.
Het gevolg hiervan is dat artikel 2 van de Aanvullende Voorwaarden vernietigbaar is voor zover dat betrekking heeft op rente en incassokosten. De oneerlijkheid van dit beding maakt dat ook de combinatie met de (op zichzelf niet oneerlijke) rente- en incassobedingen van artikel 3 van de Aanvullende Voorwaarden oneerlijk is. Of de eisende partij de consument ook daadwerkelijk aan de afspraken houdt van het oneerlijke beding, of in de praktijk alleen naleving van de (niet oneerlijk) rente- en incassobedingen in de overige van toepassing zijne algemene voorwaarden en/of de wettelijke bepalingen verlangt, is niet relevant. Het standpunt van de eisende partij dat de algemene voorwaarden de wettelijke rechten van de consument niet inperken, volgt de kantonrechter dus niet. De gevorderde rente en buitengerechtelijke incassokosten zullen daarom worden afgewezen.
Proceskostenbeding
Artikel 2 van de Aanvullende Voorwaarden ziet ook op de proceskosten. Voor zover de eisende partij op grond van dit beding aanspraak kan maken op gerechtelijke kosten die boven het liquidatietarief uitkomen, is dit beding oneerlijk. Dit heeft echter geen gevolg voor de proceskostenveroordeling in deze procedure, omdat de (kanton)rechter op grond van de artikelen 237 en 242 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering ertoe gehouden is om de (grotendeels) in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten te veroordelen en deze proceskosten niet lager mogen worden vastgesteld dan het liquidatietarief.
Conclusie en kosten
De gevorderde hoofdsom is toewijsbaar, omdat deze de kantonrechter niet onrechtmatig of ongegrond voorkomt. De gevorderde rente en buitengerechtelijke incassokosten worden afgewezen.
De gedaagde partij wordt overwegend in het ongelijk gesteld en zal daarom in de proceskosten worden veroordeeld.
3. De beslissing
De kantonrechter:
veroordeelt de gedaagde partij tot betaling aan de eisende partij van € 69,71;
veroordeelt de gedaagde partij tot betaling van de proceskosten, die de kantonrechter aan de kant van de eisende partij tot en met vandaag vaststelt op:
dagvaarding € 120,78
griffierecht € 135,00
salaris gemachtigde € 40,00;
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;
wijst de vordering voor het overige af.
Dit vonnis is gewezen door mr. M.P.E. Oomens en op bovengenoemde datum in het openbaar uitgesproken in aanwezigheid van de griffier.
De griffier De kantonrechter