[verzoekster] , uit Wormerveer, verzoekster
gemachtigde: mr. A. Kilinç, advocaat te Amsterdam,
en
de burgemeester van de gemeente Zaanstad, verweerder
gemachtigden: mr. S.E.H. van Thoor, advocaat te Hoofddorp.
Inleiding
Op vrijdag 10 oktober 2025 heeft verweerder met toepassing van spoedeisende bestuursdwang de woning aan de [adres] in Wormerveer (hierna: de woning) op grond van artikel 13b van de Opiumwet gesloten. Het besluit en de motivering is op schrift gesteld op 22 oktober 2025 (hierna: het bestreden besluit). Het besluit houdt concreet in dat de woning voor de duur van drie maanden gesloten moet blijven tot 10 januari 2026.
Verzoekster heeft hiertegen bezwaar gemaakt en de voorzieningenrechter op 14 november 2025 verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.
Verweerder heeft onder verwijzing naar artikel 8:29 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) stukken naar de rechtbank gestuurd die betrekking hebben op het bestreden besluit en verzocht kennisneming van die stukken te beperken tot de voorzieningenrechter. In een andere samenstelling heeft de rechtbank bij beslissing van 24 november 2025 de beperking van de kennisneming tot de rechtbank gerechtvaardigd geacht. Verzoekster heeft ter zitting aan de voorzieningenrechter toestemming verleend om van de stukken kennis te nemen.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 25 november 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: verzoekster met haar gemachtigde en de gemachtigde van verweerder vergezeld door [naam 1] , ambtenaar ten stadhuize.
Feiten en totstandkoming van het bestreden besluit
Verzoekster is woonachtig in de woning en heeft acht kinderen. Haar twee jongste zoons [naam zoon 1] (25 jaar) en [naam zoon 2] (23 jaar) woonden nog bij haar thuis.
In de nacht van 9 op 10 oktober 2025 is [naam zoon 1] in Amsterdam aangehouden ter zake het dealen van harddrugs. Naar aanleiding van deze aanhouding heeft de politie de woning op 10 oktober 2025 doorzocht. In de woning trof de politie in de slaapkamer van [naam zoon 1] drugs aan, namelijk cocaïne en 250,96 gram hennep, en verder een gasdrukwapen, vuurwerk en ruim € 9.000,- euro contant geld. In een “Bestuurlijke rapportage” van 14 oktober 2025 hebben de politie en in een “Constateringsrapport ondermijning” van 14 oktober 2025 heeft Afdeling aanpak ondermijning hun bevindingen aan verweerder meegedeeld. In de rapportage vermeldt de politie dat in de slaapkamer van [naam zoon 2] ook wit poeder is gevonden, € 2.700,- euro contant geld en ongeveer 20 losse diamanten (met de bijbehorende papieren) zijn aangetroffen en dat in de vriezer in de keuken ook wit poeder is gevonden.
Verzoekster ondergaat op 27 november 2025 een knieoperatie, waarna zij enkele weken in een revalidatievoorziening verblijft en daarna verder thuis zal revalideren.
In het bestreden besluit verwijst verweerder naar zijn beleidsregel “Beleid artikel 13b Opiumwet gemeente Zaanstad 2021”. Volgens dat beleid gaat verweerder in beginsel over tot het geven van een schriftelijke waarschuwing bij de aanwezigheid in een woning van een hoeveelheid harddrugs van minder dan 5 gram en softdrugs minder dan 30 gram. Van dat uitgangspunt wijkt verweerder in dit geval af omdat er volgens verweerder sprake is van een “ernstig geval" en/of “verzwarende omstandigheden”: (i) Er zijn volgens verweerder signalen die duiden op beroeps- of bedrijfsmatigheid, zoals de aanwezigheid van grote hoeveelheden “contact” geld in verschillende coupures. (ii) Verder wijst hij op de mate van gevaarzetting en risico’s voor de omgeving. (iii) Hij acht het voorts aannemelijk dat er ook andere locaties betrokken zijn bij de drugshandel. (iv) Hij wijst voorts op overige feiten en/of omstandigheden die duiden op georganiseerde drugshandel en/of ernstig ondermijnende criminaliteit in (georganiseerd) verband. Op naam van [naam zoon 1] zijn volgens verweerder geregistreerd antecedenten uit de afgelopen vijf jaar met betrekking tot de Opiumwet en de Wet wapens en munitie. (v) Een andere verzwarende omstandigheid acht verweerder overlast, die zou blijken uit MMA-meldingen. Verweerder stelt dat de woning van verzoekster een schakel in de keten van handel in drugs vormt. Dat blijkt volgens verweerder uit het feit dat de zoon van verzoekster buiten de woning voor het handelen in (hard)drugs is aangehouden. Verweerder acht de wijk Wormerveer Noord, waar de woning is gelegen, kwetsbaar voor drugscriminaliteit omdat hij al meerdere woningen en panden heeft gesloten wegens een overtreding van de Opiumwet. Ook in de naastgelegen wijk Wormerveer Zuid heeft hij al meerdere woningen gesloten op grond van de Opiumwet. Dat weegt verweerder ook mee.
Wat voert verzoekster aan?
2. Verzoekster stelt dat zij zich nimmer bewust is geweest dat er drugs in de woning waren. De goederen lagen in de slaapkamer van haar zoon [naam zoon 1] , buiten haar zicht. De drugs en de andere in die kamer aangetroffen goederen zijn zonder haar medeweten in de woning terechtgekomen. [naam zoon 1] verblijft voorts niet langer in de woning en zij wil hem ook geen toegang meer geven. Bovendien zijn de aangetroffen goederen in beslag genomen, waardoor het gevaar voor herhaling niet langer bestaat. De woningsluiting dient geen concreet doel meer. De gevolgen zijn enorm groot voor haar in de eerste plaats vanwege de operatie aan haar rechterknie, waarbij een knieprothese zal worden geplaatst. In verband met deze operatie moeten aanpassingen aan de woning worden uitgevoerd, zodat zij na de ingreep op een veilige en geschikte manier kan herstellen. Verweerder dient rekening te houden met de leeftijd van verzoekster en de gevolgen van de woningsluiting die haar geestelijk en lichamelijk zwaar vallen. Tot slot voert verzoekster aan dat er inmiddels al een maand is verstreken waarin de sluiting van de woning voldoende effect heeft gehad.
Beoordeling door de voorzieningenrechter
3. De voorzieningenrechter kan bij de vraag of hij een voorlopige voorziening zal treffen enerzijds betrekken of het bezwaar een redelijke kans van slagen heeft. De voorzieningenrechter kan daarnaast de belangen van verzoekster die pleiten vóór het treffen van een voorlopige voorziening afwegen tegen de belangen van de burgemeester die pleiten tegen het treffen daarvan.
Formele punten
Gebrek in de ondertekening van het besluit
4. De rechtbank stelt vast dat uit het bestreden besluit van 22 oktober 2025 niet kan worden afgeleid door wie het besluit is genomen. Onder het besluit staat enkel ‘Afdelingshoofd Aanpak Ondermijning’, hierdoor blijft onduidelijk welke persoon het besluit heeft genomen. Bovendien is het besluit niet ondertekend. Dat is een gebrek in het besluit. Een persoon dient een besluit te nemen. Hierdoor doet de vraag zich voor of er wel een besluit is ontstaan en dat in werking is getreden en is gaan gelden. Dat is op zichzelf al voldoende reden het besluit te schorsen.
Een onvoldoende overtuigend rapport als bewijsmiddel
5. Verweerder heeft zich bij het nemen van zijn besluit gebaseerd op de “Bestuurlijke rapportage” en het “Constateringsrapport ondermijning”, genoemd onder overweging 1.2. Dit zijn belangrijke bewijsmiddelen. Verweerder stelt dat iemand die documenten op ambtseed heeft opgemaakt. Verweerder weigert echter dit essentiële bewijsstuk compleet in het debat te betrekken, zodat verzoekster niet van de complete rapporten kennis kan nemen en dus ook niet kan nagaan of de documenten daadwerkelijk door een bevoegde ambtenaar op ambtseed is opgemaakt. Dat is in strijd met het beginsel van hoor en wederhoor. Het feit dat in het kader van het 8:29-incident geheimhouding gerechtvaardigd is geacht, omdat een beroep werd gedaan op privacybescherming, doet aan deze strijd met het beginsel van hoor en wederhoor niet af. De documenten dienen daarom als bewijsmiddel buiten beschouwing te blijven. Verweerder heeft het bestreden besluit daarop dus niet kunnen baseren. In zoverre is er ook een gebrek in het bestreden besluit.
Sluitingsbevoegdheid?
6. Voorgaande constatering zou dus ook reeds reden zijn om de voorlopige voorziening toe te wijzen. Echter, niet is in geschil dat er een hoeveelheid drugs, bestemd voor verkoop, aflevering of verstrekking, in de kamer van [naam zoon 1] in de woning aanwezig was en dat er een dreigwapen, explosieven en behoorlijk wat contant geld in zijn kamer is aangetroffen. De burgemeester kon daarom gelet op de tekst van artikel 13b, eerste lid, aanhef en onder a, van de Opiumwet in beginsel tot sluiting van de woning van de woning overgaan. Als vuistregel geldt immers dat de hoeveelheid aangetroffen verdovende middelen, voor wat betreft de softdrugs (wiet of hennep) meer dan 30 gram, wijst op een hoeveelheid bestemd voor verkoop. De hoeveelheid die is aangetroffen in de kamer van [naam zoon 1] in de woning van verzoekster ligt hier ruim boven.
Is er reden om het besluit te schorsen?
Belangenafweging
6. Dat de aangetroffen drugs wezen op mogelijke verkoop, betekent niet dat het bestreden besluit in stand moet blijven. De belangen van verzoekster bij het kunnen bewonen van de woning zijn inmiddels veel groter dan het belang van verweerder bij het nog langer gesloten houden van de woning. Daarvoor zijn de volgende omstandigheden van belang. De woning is inmiddels ruim anderhalve maand gesloten geweest, zodat de boodschap die verweerder wil uitdragen, reeds duidelijk kenbaar is gemaakt. Omdat de na te melden voorziening niet onmiddellijk in zal gaan, zal de woning bovendien feitelijk twee maanden gesloten zijn. Het belang van verweerder bij het thans voortzetten van de sluiting is alleen in algemene, vage termen onderbouwd. Specifieke op de woning van verzoekster betrekking hebbende feiten en omstandigheden die tot verdere sluiting nopen, heeft verweerder niet gesteld, laat staan onderbouwd. De stelling dat er noodzaak is om de woning langer gesloten te houden ook al zijn de verdovende middelen en overige spullen inmiddels weggenomen, almede de stelling dat loop van en naar de woning niet geheel of duurzaam is doorbroken, heeft verweerder niet onderbouwd. Zo heeft hij niet aannemelijk gemaakt dat er in de afgelopen anderhalve maand vanuit drugscriminele kring belangstelling voor en of (criminele) loop naar de woning was. Voorts is niet gesteld of gebleken dat zich de afgelopen maanden sinds de sluiting van de woning omstandigheden – te weten aan drugshandel gerelateerde openbare ordeproblemen – feitelijk hebben voorgedaan, die ertoe nopen om de woning nog langer gesloten te houden. Het belang van verzoekster bestaat uit het weer kunnen wonen in de woning na de knieoperatie op 27 november 2025 om behoorlijk te kunnen revalideren in haar eigen (sociale huur)woning en daarna haar leven voort te kunnen zetten. Alternatieve woonruimte in de sociale huursector heeft verweerder niet aan verzoekster aangeboden. De medische behandeling van eiseres en de mogelijkheid haar leven voort te zetten, noopt er toe dat zij weer de beschikking krijgt over haar huis. Zowel in het verzoekschrift als ter zitting heeft verzoekster voorts te kennen gegeven dat [naam zoon 1] uit de woning is vertrokken en zij er voor zal zorgen dat hij daarin niet zal terugkeren. Een groot belang aan de zijde van verweerder is dat [naam zoon 1] uit de buurt van de woning blijft. Verzoekster wil dat ook bewerkstelligen. Omdat [naam zoon 1] weg moet blijven, weegt dat belang van verweerder te minder op tegen de belangen van verzoekster.
Omdat de belangen van verzoekster bij schorsing van het besluit dus veel groter zijn, dan verweerders belang bij handhaving van de woningsluiting, dient na te melden voorziening te worden getroffen.
Conclusie en gevolgen
7. De voorzieningenrechter wijst het verzoek daarom toe en treft de voorlopige voorziening dat het bestreden besluit wordt geschorst tot zes weken na bekendmaking van de beslissing op bezwaar, zoals door verzoekster verzocht. Omdat verzoekster eerst elders zal revalideren na haar operatie, gaat de schorsing van de sluiting in op 10 december 2025. Verweerder moet op zijn kosten de sluiting ongedaan maken en verzoekster toegang(sleutels) tot de woning verschaffen. De voorzieningenrechter legt daarbij wel als voorwaarde op dat [naam zoon 1] niet meer in of rond de woning zal mogen verblijven. Dat is noodzakelijk om mogelijk nog resterende problemen door de connectie van [naam zoon 1] met de woning geheel uit te bannen. Als verzoekster zich niet aan die voorwaarde houdt, zal de woning opnieuw gesloten kunnen worden.
8. Omdat de voorzieningenrechter het verzoek toewijst moet verweerder het griffierecht aan verzoekster vergoeden.
9. Verzoekster krijgt daarom ook een vergoeding van haar proceskosten. Verweerder moet deze vergoeding betalen. De vergoeding is met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. Voor de rechtsbijstand door een gemachtigde krijgt verzoekster een vast bedrag per proceshandeling. De gemachtigde heeft het verzoekschrift ingediend en aan de zitting deelgenomen. Elke proceshandeling heeft een waarde van € 907,-. De vergoeding bedraagt dan in totaal € 1.814,-.
Beslissing
De voorzieningenrechter:
- schorst het bestreden besluit met ingang van 10 december 2025 tot zes weken na het besluit op bezwaar;
- bepaalt dat verweerder verzoekster op 10 december 2025 op zijn kosten toegang tot de woning moet verschaffen en dan sleutels voor toegang tot de woning aan verzoekster moet verstrekken;
- bepaalt dat verzoekster ervoor moet zorgen dat [naam zoon 1] niet in de woning en de straat daaromheen aanwezig is;
- bepaalt dat, indien [naam zoon 1] toch in of om de woning aanwezig is en/of wordt aangetroffen, deze voorlopige voorziening vervalt en verweerder de woning dan opnieuw kan sluiten;
- bepaalt dat verweerder het griffierecht van € 194,- aan verzoekster moet vergoeden;
- veroordeelt verweerder tot betaling van € 1.814,- aan proceskosten aan verzoekster.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R.H.M. Bruin, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. A.M. Wammes, griffier, en uitgesproken in het openbaar op 5 december 2025.
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: