ECLI:NL:RBNHO:2025:3536

ECLI:NL:RBNHO:2025:3536, Rechtbank Noord-Holland, 13-03-2025, 24/4302

Instantie Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak 13-03-2025
Datum publicatie Onbekend
Zaaknummer 24/4302
Rechtsgebied Bestuursrecht; Omgevingsrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Haarlem
Jurisprudentie Netwerk (LiDo)
Verwijst naar 1 zaken
Aangehaald door 1 zaken

Verwijst naar

Aangehaald door

Samenvatting

"De aanvraag van eiser om een parkeervergunning is door het college afgewezen omdat de woning van eiser beschikt over eigen parkeergelegenheid. Eiser betwist dat er sprake is van eigen parkeergelegenheid omdat de garage niet groot genoeg is voor zijn auto. De rechtbank stelt ten eerste vast dat de omgevingsvergunning voor woning van eiser is verleend onder de voorwaarde dat eigen parkeergelegenheid wordt gerealiseerd en dus dat geen aanspraak kan worden gemaakt op een parkeervergunning. Verder bepaalt de Haarlemse Bouwverordening aan welke afmetingen een ruimte moet voldoen om te spreken van eigen parkeergelegenheid. De rechtbank volgt eiser niet in zijn stelling dat de ruimte die de naar binnen slaande garagedeuren innemen niet kan worden inbegrepen in de ruimte die is aangebracht voor parkeren omdat het feitelijk niet mogelijk is om een auto te parkeren en vervolgens de deuren te sluiten. Dat de parkeerruimte wordt beperkt door de naar binnen slaande garagedeuren en de achteraf geplaatste achterwand is echter niet aan het college toe te rekenen en kan naar het oordeel van de rechtbank in redelijkheid ook niet worden afgewenteld op de openbare parkeerruimte. Ook het beroep van eiser op het gelijkheidsbeginsel slaagt niet. Het college heeft voldoende aannemelijk gemaakt dat de parkeervergunning van de vorige eigenaar van de woning een fout was. Het gelijkheidsbeginsel strekt zich niet zover dat het college gehouden is om een eerder gemaakte fout te herhalen. Ten aanzien van de (over)buren van eiser stelt het college zich terecht op het standpunt dat dit geen gelijke gevallen zijn omdat die woningen niet zijn vergund onder de voorwaarde dat wordt voorzien in een parkeerplek op eigen terrein."

Uitspraak

[eiser] , uit [woonplaats] , eiser,

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Haarlem, het college

(gemachtigde: M.J.J. Eikelboom-van de Geyn).

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de afwijzing van de door hem aangevraagde parkeervergunning.

Het college heeft deze aanvraag met het besluit van 1 november 2023 afgewezen. Met het bestreden besluit van 18 juni 2024 op het bezwaar van eiser is het college bij de afwijzing van de aanvraag gebleven.

Het college heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.

De rechtbank heeft het beroep op 31 januari 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser en de gemachtigde van het college. Verder waren [naam 1] en [naam 2] aanwezig namens het college.

Totstandkoming van het besluit

2. Eiser is eigenaar van een woning aan [adres] in Haarlem (de woning).

Op 23 maart 2017 is aan een eerdere eigenaar een omgevingsvergunning verleend voor het bouwen van de woning op een braakliggende kavel in de binnenstad (de omgevingsvergunning). In de omgevingsvergunning staat onder andere:‘de activiteit is door de adviseur parkeervoorzieningen (…) getoetst aan de voorschriften uit de Haarlemse bouwverordening inzake parkeren. De adviseur heeft geen bezwaar tegen het afgeven van de omgevingsvergunning. (…) De behoefte aan parkeerplaatsen neemt toe met 1,2 parkeerplaatsen. Op de begane grond wordt voorzien in een garagebox. Bezoekers kunnen parkeren in een van de openbare garages van de binnenstad.’ Op de plattegrond die onderdeel uitmaakt van de omgevingsvergunning staat een ruimte met de naam ‘garage, beging (parkeren op eigen terrein)’.

Eiser heeft op 1 november 2023 een aanvraag ingediend voor een parkeervergunning.

Het college heeft deze aanvraag op 1 november 2023 afgewezen.

Tegen dit besluit heeft eiser in november 2023 bezwaar gemaakt.

Op 2 februari 2024 heeft de afdeling Vergunningen, Toezicht en Handhaving (afdeling VTH) een advies uitgebracht. In dat advies staat onder andere dat:- de naar binnen openende deuren in samenhang met de achterliggende muur, door de ruimte die zij innemen wanneer zij geopend zijn / de barrière die wordt gevormd voor het verder de garage inrijden, het gebruik van de garage bemoeilijken. Dit kan worden ondervangen door de deuren te vervangen (en eventueel breder te maken).

- de muur door eiser is gebouwd op een afstand van 5,22 meter van de voorgevel.

- de manoeuvreruimte in de straat niet ruim bemeten is, maar het is, zoals uit het fotomateriaal van de vorige bewoner(s) op Funda blijkt, wel mogelijk is om een gangbare personenauto in de garage te parkeren: een normauto heeft volgens het CROW een lengte van 4,18 meter en een breedte van 1,70 meter. De auto van de vorige bewoner had een grotere afmeting: 4,39 meter bij 1,80 meter. De auto van eiser heeft grotere afmetingen dan een gangbare auto en de auto van de vorige bewoner.

- eiser – rekening houdend met de afmetingen van zijn auto – op twee manieren kan inparkeren: op twee manieren achteruit insteken.

Het bestreden besluit

Op 20 maart 2024 heeft een hoorzitting plaatsgevonden en op 18 juni 2024 heeft het college het bezwaar van eiser ongegrond verklaard (het bestreden besluit).

Het college verwijst in het bestreden besluit naar het advies van de Commissie Bezwaarschriften van 6 juni 2024. Het college stelt zich op het standpunt dat de woning van eiser beschikt over eigen parkeergelegenheid. Het college heeft ter onderbouwing de aan de vorige eigenaar verleende omgevingsvergunning overgelegd. Om te spreken van een eigen parkeergelegenheid moet de bedoelde ruimte tenminste tussen 1.80 en 3.25 meter breed zijn en tussen 5 en 6 meter lang. Volgens de plattegrond van de woning van eiser is zijn garage 4,67 meter breed en 5,31 meter lang. Het parkeren in de garage wordt bemoeilijkt door de naar binnenslaande deuren in samenhang met de achterliggende muur. Volgens de parkeeradviseur is het echter wel mogelijk om op twee manieren in de garage te parkeren met een normauto. Het college stelt verder dat eiser geen geslaagd beroep kan doen op het gelijkheidsbeginsel omdat aan de vorige bewoners ten onrechte een parkeervergunning is verleend. Dit blijkt ook uit het feit dat er op de website van de gemeente Haarlem een lijst met adressen is opgenomen die niet voor een parkeervergunning in aanmerking komen, waaronder [adres] . Het college is verder niet verplicht een eerder gemaakte fout te herhalen. Tot slot stelt het college dat er meerdere alternatieven beschikbaar zijn voor eiser. Zo kan eiser zijn garage uitbreiden of de naar binnenslaande deuren vervangen. Daarnaast kan eiser een kleinere auto aanschaffen of een parkeerabonnement afsluiten bij een parkeergarage in de buurt.

Beoordeling door de rechtbank

3. De rechtbank beoordeelt of het college de parkeervergunning heeft mogen weigeren. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eiser.

4. Het beroep is ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Is er sprake van “eigen parkeergelegenheid” op het perceel van eiser?

5. Eiser voert aan dat geen sprake is van een ‘eigen parkeergelegenheid’. Het college gaat uit van onjuiste afmetingen. In werkelijkheid is de ruimte die voor parkeren is aangebracht namelijk 3 tot 4,67 meter breed en 4 meter lang. Dit voldoet niet aan de minimale eisen. Eiser stelt dat de ruimte die de naar binnenslaande garagedeuren innemen, niet kan worden inbegrepen bij de ruimte die voor parkeren is aangebracht omdat het niet mogelijk is de auto in deze ruimte te parkeren en tegelijkertijd de deuren open of dicht te doen. De aangebrachte parkeerruimte is dus kleiner dan de minimale vereiste lengte van 5 meter, waardoor een gangbare personenauto niet redelijkerwijs in de aangebrachte ruimte kan parkeren. Eiser verwijst daarbij naar een door hem gemaakte weergave op de plattegrond. Hierdoor is de facto geen sprake van een eigen inpandige parkeergelegenheid. Bijkomend aspect is dat de garagedeuren midden in de ruimte opengaan, waardoor bijna alle ruimte aan de linkerzijde van de deuren niet kan worden benut voor parkeren. Een auto kan nooit de draai naar de ruimte aan de linkerkant maken, waardoor deze ruimte ook niet kan worden inbegrepen bij de ruimte die voor parkeren is aangebracht. De door de vorige eigenaren ingediende bouwtekeningen zijn destijds goedgekeurd door het college zelf en de uiteindelijke bouw is conform deze tekeningen gerealiseerd.

De rechtbank stelt voorop dat uit het derde lid van artikel 4 van de parkeerverordening 2018 gemeente Haarlem (de parkeerverordening) volgt dat een parkeervergunning alleen kan worden verleend indien de aanvrager geen beschikking heeft over eigen parkeergelegenheid. Tussen partijen is niet in geschil dat uit het tweede lid van artikel 2.5.30 van de Haarlemse Bouwverordening (de bouwverordening) volgt dat sprake is van een eigen parkeergelegenheid indien de afmetingen van de bedoelde ruimte tenminste tussen 1,80 en 3,25 meter breed en tussen 5,00 en 6,00 meter lang zijn. Het geschil ziet op de vraag of de daarvoor bedoelde ruimte (voor het leesgemak hierna de garage te noemen) van eiser voldoet aan de in dit artikel genoemde afmetingen.

Partijen zijn het niet eens over de daadwerkelijke breedte van de garage. Volgens het college is de garage 4,67 meter breed en volgens eiser is de ruimte waarin je kunt parkeren slecht 3 meter tot 4,67 meter breed. Al zou worden uitgegaan van de door eiser genoemde smalste breedte van 3 meter, dan nog wordt voldaan aan de minimale breedte uit artikel 2.5.30 van de bouwverordening. Daarnaast zijn partijen het niet eens over de vraag hoe lang de garage daadwerkelijk is. Volgens het college is de garage 5,31 meter (dat staat in het bestreden besluit) of 5,40 meter (dat staat in het verweerschrift) lang en volgens eiser is de lengte 5,23 meter. De rechtbank stelt vast dat dit voor de toepassing van artikel 2.5.30 van de bouwverordening geen verschil maakt, omdat het antwoord op de vraag of de garage voldoet aan de eis in dit artikel afhankelijk is van de vraag of de ruimte die de naar binnenslaande garagedeuren innemen wel of niet moet worden meegerekend. Zodoende ziet het geschil tussen partijen in de kern op de vraag of de ruimte die deze deuren innemen kan worden meegenomen bij het berekenen van de ruimte die is aangebracht voor de eigen parkeergelegenheid.

De rechtbank stelt vast dat uit de omgevingsvergunning blijkt dat deze is verleend onder de voorwaarde dat eigen parkeergelegenheid wordt gerealiseerd. Naar het oordeel van de rechtbank heeft het college zich terecht op het standpunt gesteld dat ook daadwerkelijk sprake is van eigen parkeergelegenheid die voldoet aan de minimale afmetingen. Artikel 2.5.30 van de bouwverordening ziet namelijk enkel op de afmetingen van de ruimte en bepaalt niet dat hierbij rekening moet worden gehouden met naar binnenslaande garagedeuren of andere obstakels. Verder mag het college uitgaan van de juistheid van het advies van de parkeeradviseur waaruit volgt dat het mogelijk is om een normauto te parkeren in de garage. Eiser wijst erop dat de garagedeuren dan niet meer dichtkunnen. Zoals hierboven is geoordeeld maakt dit echter niet dat geen sprake is van eigen parkeergelegenheid. De rechtbank begrijpt dat dit voor eiser een zeer onpraktische situatie oplevert. Een eerdere eigenaar en eiser hebben er echter zelf voor gekozen om de beschikbare parkeerruimte te beperken door naar binnenslaande garagedeuren en een scheidingswand te plaatsen. Dat de naar binnenslaande deuren en de scheidingswand te zien zijn op de tekeningen bij de verleende omgevingsvergunning, maakt niet dat het college verantwoordelijk kan worden gehouden voor de precieze afmetingen van de garage na het plaatsen van de deuren en de scheidingswand. Zeker tegen de achtergrond van de voorwaarde in de omgevingsvergunning, komt het feit dat de naar binnenslaande garagedeuren niet meer dicht kunnen als er een auto geparkeerd is naar het oordeel van de rechtbank voor rekening en risico van eiser en kan dit niet worden afgewenteld op de parkeerruimte in de openbare ruimte. De beroepsgrond slaagt niet.

Kan eiser een geslaagd beroep doen op het gelijkheids- of het vertrouwensbeginsel?

6. Eiser wijst erop dat de vorige eigenaar van zijn woning wel een parkeervergunning heeft gekregen en dat zijn (over)buren ook een parkeervergunning hebben terwijl hun woningen ook ruimte hebben om eigen parkeergelegenheid te realiseren.

De rechtbank vat dit op als een beroep op het vertrouwensbeginsel en een beroep op het gelijkheidsbeginsel.

Voor een geslaagd beroep op het vertrouwensbeginsel moet eiser aannemelijk maken dat van de kant van het college toezeggingen of andere uitlatingen zijn gedaan waaruit hij redelijkerwijs kon en mocht afleiden dat het college een bepaalde bevoegdheid zou uitoefenen. De parkeervergunning van de vorige eigenaar is geen toezegging richting eiser, waardoor deze grond reeds daarom niet kan slagen. Voor zover eiser hiermee een beroep heeft willen doen op het gelijkheidsbeginsel, slaagt deze grond ook niet. Het college heeft namelijk voldoende aannemelijk gemaakt dat de eerder verleende parkeervergunning aan de overige eigenaar een fout was. Het gelijkheidsbeginsel strekt zich echter niet zover dat het college gehouden is om een eerder gemaakte fout te herhalen.

Het beroep op gelijkheidsbeginsel ten aanzien van de (over)buren van eiser slaagt ook niet. Het is aan degene die een beroep doet op het gelijkheidsbeginsel om dat beroep te onderbouwen met concrete gevallen die volgens hem op relevante punten vergelijkbaar zijn met zijn situatie. Het college heeft in dit geval voldoende toegelicht dat de woningen van de (over)buren van eiser geen gelijke gevallen zijn. Eiser woont namelijk, in tegenstelling tot zijn (over)buren, in een nieuwbouwwoning waarvoor expliciet in de omgevingsvergunning de voorwaarde is gesteld dat wordt voorzien in een parkeerplek op eigen terrein. Eiser heeft niet aangevoerd of onderbouwd dat dit bij zijn (over)buren ook het geval is.

Conclusie en gevolgen

7. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt en niet in aanmerking komt voor een parkeervergunning. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A.H. de Regt, rechter, in aanwezigheid van mr. L.J. Besseling, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 13 maart 2025.

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Zittende Magistratuur

Griffier

  • mr. A.H. de Regt

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?