ECLI:NL:RBNHO:2026:10054

ECLI:NL:RBNHO:2026:10054

Instantie Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak 10-03-2026
Datum publicatie 06-08-2026
Zaaknummer HAA-22_126
Rechtsgebied Bestuursrecht; Belastingrecht
Procedure Eerste aanleg - meervoudig
Zittingsplaats Haarlem

Samenvatting

Douanekamer - vergoeding van rente over een inmiddels terugontvangen bedrag aan invoerrechten en vergoeding van rente over deze rente.

Uitspraak

uitspraak van de meervoudige douanekamer van 10 maart 2026 in de zaak tussen

[belanghebbende] B.V., gevestigd te [vestigingsplaats] , belanghebbende

(gemachtigde: mr. H.C. de Bie)

en

de ontvanger van de Douane, verweerder.

Inleiding

Deze uitspraak gaat over het recht op vergoeding van rente over een inmiddels terugontvangen bedrag aan invoerrechten en vergoeding van rente over deze rente.

Verweerder heeft op 24 november 2021 een verzoek van belanghebbende om rentevergoeding afgewezen.

Belanghebbende heeft daartegen bezwaar gemaakt. Met toestemming van verweerder en op verzoek van belanghebbende heeft de rechtbank het bezwaar aangemerkt als beroepschrift.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

De rechtbank heeft bij brief van 29 september 2023 de behandeling van het beroep aangehouden in verband met de prejudiciële vragen die rechtbank Gelderland heeft gesteld aan het Hof van Justitie van de Europese Unie (het Hof van Justitie). Het Hof van Justitie heeft de vragen op 22 februari 2024 beantwoord, waarna rechtbank Gelderland op 3 juli 2024 uitspraak heeft gedaan. Partijen hebben gebruik gemaakt van de gelegenheid om schriftelijk op het arrest te reageren.

Verweerder heeft nadere stukken ingediend.

Op 16 december 2025 heeft een onderzoek ter zitting plaatsgevonden.

Namens belanghebbende is verschenen mr. [naam 1] , met haar gemachtigde mr. H.C. de Bie, bijgestaan door mr. [naam 2] en mr. [naam 3] .

Verweerder is vertegenwoordigd door mr. [naam 4] .

Direct aansluitend op de zitting zijn, zoals ter zitting overeengekomen, ter completering van het dossier van de rechtbank, bij partijen bekende stukken overgelegd door belanghebbende. Het onderzoek is daarna gesloten.

Overwegingen

Geschil
Proceskosten

Feiten

1. Belanghebbende heeft in de periode van 2007 tot en met 2011 multifunctionele printers (mfp’s) en benodigdheden daarvoor ingevoerd. Zij heeft deze goederen aangegeven onder de GN-onderverdelingen 9009 1200 en 8443 3191. Hierbij hoort een tarief van 6%. Belanghebbende heeft de verschuldigde invoerrechten gedurende deze periode afgedragen.

2. Belanghebbende heeft op 6 september 2009, diverse malen aangevuld, verzocht om terugbetaling van in totaal € 9.406.541,86 aan betaalde invoerrechten. Zij heeft dit verzoek op 18 juni 2018 nogmaals aangevuld met een bedrag van € 346.455,24 aan invoerrechten. In haar verzoek om terugbetaling heeft belanghebbende ook een verzoek om vergoeding van rente over de terug te betalen bedragen opgenomen.

3. Met het besluit van 16 februari 2021 heeft de inspecteur van de Douane de verzoeken om terugbetaling van invoerrechten gedeeltelijk ingewilligd tot een bedrag van € 292.068,92.

De terugbetaling ziet op aangiften waarin belanghebbende de volgende goederen verkeerd had ingedeeld:

Het in het verzoek om terugbetaling opgenomen verzoek om vergoeding van rente over deze terugbetalingen heeft de inspecteur van de Douane doorgestuurd aan verweerder.

4. Verweerder heeft belanghebbende met het voornemen van 16 juli 2021 meegedeeld dat het verzoek om vergoeding van rente zal worden afgewezen. Daarbij heeft hij erop gewezen dat met ingang van 1 mei 2016 het Douanewetboek van de Unie (DWU) van toepassing is en dat in artikel 116, zesde lid, van het DWU is bepaald dat terugbetaling van douanerechten geen recht geeft op vergoeding van rente door de douane. Verweerder benadrukte dat het DWU de lidstaten niet meer toestaat te voorzien in eigen aanvullende bepalingen, hetgeen ertoe leidt dat ook vergoeding van invorderingsrente op grond van artikel 28c van de Invorderingswet 1990 (IW) in samenhang gelezen met artikel 27quater IW voor het DWU is uitgesloten, ook indien artikel 28c voorafgaand aan mei 2016 van toepassing zou zijn geweest. Verweerder legt vervolgens de criteria van het arrest van het Hof van Justitie van 18 januari 2017 (het Wortmann-arrest) strikt uit. De grondslag voor terugbetaling van de betaalde bedragen en rente over die bedragen bestaat volgens verweerder alleen indien sprake is van inning in strijd met het Unierecht. Daarvan is slechts sprake indien een Unieregeling door de rechter ongeldig of nietig is verklaard. Volgens verweerder is dat hier niet het geval, zodat geen recht op rentevergoeding bestaat.

5. Belanghebbende heeft op 25 augustus 2021 een zienswijze ingediend. Zij meent dat het verzoek tot rentevergoeding niet wordt beperkt door de invoering van het DWU. Verder voert zij aan dat verweerder het begrip “strijd met het Unierecht” te strikt interpreteert.

6. In het besluit van 24 november 2021 heeft verweerder het verzoek om rentevergoeding, onder verwijzing naar zijn voornemen, afgewezen.

7. In geschil is of verweerder terecht de vergoeding van rente heeft geweigerd. Meer in het bijzonder is in geschil of de invoerrechten “in strijd met het Unierecht” zijn geheven en of het verzoek tot rentevergoeding is beperkt met de invoering van het DWU.

8. Ter zitting heeft verweerder verklaard dat zijn standpunt ten aanzien van de toepasbaarheid van artikel 28c van de IW is gewijzigd. Indien het artikel voorafgaand aan mei 2016 van toepassing zou zijn geweest, zoals in dit geval, dan geldt de toepassing voor de gehele periode. Het verzoek van belanghebbende wordt derhalve niet beperkt door de invoering van het DWU. De rechtbank volgt dit standpunt.

9. Belanghebbende voert aan dat zij recht heeft op vergoeding van rente, en ook over vergoeding van rente over het rentebedrag. Op het moment van invoer was niet duidelijk wat de classificatie en verschuldigde invoerrechten waren. Ter voorkoming van navorderingen, boetes en andere sancties vanwege onjuiste invoeraangiften, heeft belanghebbende voorzichtig geclassificeerd. Belanghebbende stelt dat verweerder “strijd met het Unierecht” te strikt interpreteert. Een rentevergoeding bij terugbetaling is voorgeschreven, ongeacht of de vaststelling van een onterechte betaling wordt gedaan door de rechter of door de inspecteur van de Douane. De terugbetaling berust immers op een heffing op basis van een onjuiste uitlegging of toepassing van het Unierecht: de foutieve indeling van de goederen en de daaruit volgende te hoge afdracht van invoerrechten.

Belanghebbende concludeert tot gegrondverklaring van het beroep en vernietiging van het besluit en toekenning van de gevraagde rentevergoeding. Belanghebbende verzoekt verder verweerder in de proceskosten te veroordelen, en om schadevergoeding (rente over rente) over de periode vanaf 16 februari 2021.

10. Verweerder stelt daartegenover dat volgens hem uit het Wortmann-arrest volgt dat terugbetaling inclusief rentevergoeding alleen wordt toegekend indien sprake is van een heffing “in strijd met het Unierecht”. Dat wil volgens verweerder zeggen: als de invoerrechten zijn geheven op grond van een Unieregeling die door de Unierechter ongeldig of nietig is verklaard. Dit criterium wordt niet vervuld, nu de inspecteur van de Douane invoerrechten heeft geheven conform de aangiften van belanghebbende. Verweerder concludeert tot ongegrondverklaring van het beroep.

Beoordeling van het geschil

Het Wortmann arrest: situatie symmetrie, situatie “strijd met het Unierecht”

11. In artikel 241 van het Communautair Douanewetboek (CDW) werd tot en met 30 april 2016 bepaald dat terugbetaling door de douaneautoriteiten van bedragen aan rechten bij invoer geen aanleiding gaf tot betaling van moratoire interest door die autoriteiten. In het Wortmann-arrest heeft het Hof van Justitie deze bepaling uitgelegd in die zin dat deze betrekking heeft op situaties waarin na vrijgave van de goederen blijkt dat op de ‘voorlopige aanslag’ van de rechten bij invoer een correctie naar beneden moet worden aangebracht, als gevolg waarvan de door een marktdeelnemer betaalde rechten bij invoer geheel of gedeeltelijk aan hem moeten worden terugbetaald. Het Hof van Justitie wijst in punt 29 van het Wortmann-arrest op de symmetrie tussen enerzijds de situatie van marktdeelnemers aan wie de teveel geïnde invoerrechten moeten worden terugbetaald als gevolg van fouten door de snelheid van het in een groot aantal gevallen gehanteerde systeem van douaneafhandeling – waarbij de goederen voor hun vrijgave niet worden gecontroleerd – en, anderzijds die van marktdeelnemers die daarentegen als gevolg van eenzelfde soort fouten aan de douaneadministratie aanvullende invoerrechten moeten betalen.

Het Hof van Justitie oordeelde over rentevergoeding bij terugbetaling vanwege strijd met het Unierecht als volgt:

“wanneer invoerrechten, met inbegrip van antidumpingrechten, worden terugbetaald omdat zij zijn geïnd in strijd met het Unierecht – hetgeen aan de verwijzende rechter staat om na te gaan – er voor de lidstaten een uit het Unierecht voortvloeiende verplichting bestaat om aan de justitiabelen die recht hebben op de terugbetaling, de daarover verschuldigde rente te vergoeden, welke rente begint te lopen op de datum van betaling door deze justitiabelen van de terugbetaalde rechten.”

Zijn de terugbetaalde douanerechten die belanghebbende in de periode 2007 tot 2011 heeft afgedragen, geïnd in strijd met het Unierecht?

12. Een douaneschuld ontstaat op het tijdstip waarop de douaneaangifte wordt aanvaard. Belanghebbende heeft gedurende de periode van 2007 tot en met 2011 aangiften gedaan voor het brengen in het vrije verkeer die verweerder heeft aanvaard. De betreffende invoerrechten zijn vervolgens geheven (medegedeeld en geïnd) conform de gegevens die belanghebbende in haar aangiften heeft opgenomen. Alle ingediende douaneaangiften waren volledig in die zin, dat zij alle elementen bevatten die ten grondslag liggen aan de toepassing van de rechten bij invoer zoals bedoeld in Titel II van het CDW, waaronder de GN-onderverdeling. Naar het oordeel van de rechtbank mocht verweerder uitgaan van de juistheid van deze gegevens.

13. De rechtbank verwerpt het betoog van belanghebbende dat zij niet anders kon dan aangeven onder volgens haar onjuiste GN-onderverdelingen. De verantwoordelijkheid voor de juistheid van de in de aangifte vermelde gegevens berust bij de aangever en de indiening van een door de aangever ondertekende aangifte bij een douanekantoor geldt als het aanvaarden van de aansprakelijkheid overeenkomstig de geldende bepalingen voor de juistheid van de in de aangifte verstrekte gegevens. Niet is gebleken dat verweerder de aangiften van belanghebbende ooit heeft gecorrigeerd naar een andere GN-onderverdeling of dat belanghebbende onder (impliciete) dreiging van controle, correctie of anderszins in de aangiften de indeling heeft moeten wijzigen. Belanghebbende heeft onvoldoende geconcretiseerd dat de gevolgen van het anders indelen dan de douane volgens haar voorstond, dusdanig groot zijn dat van haar niet gevergd kon worden om een eigen keuze te maken bij de indeling in haar aangiften. Algemene opmerkingen van belanghebbende over het risico dat er gecontroleerd zou kunnen gaan worden, dat de goederen eventueel een paar weken zouden worden vastgehouden en/of een aanvullende zekerheid zou moet worden gesteld, acht de rechtbank, wat daarvan verder ook zij, daartoe onvoldoende.

14. Verweerder heeft op basis van de indeling van de goederen in de aangiften van belanghebbende de verschuldigde invoerrechten correct berekend en geïnd. Met het in een later stadium wijzigen van de indeling van de aangegeven goederen en de gedeeltelijke inwilliging van het verzoek om terugbetaling dat belanghebbende daarna heeft gedaan, komt alleen vast te staan dat de invoerrechten niet wettelijk verschuldigd waren in de zin van artikel 236 van het CDW. Zij zijn evenwel – ook achteraf bezien – niet geheven in strijd met het Unierecht. De heffing heeft immers plaatsgevonden op grondslag van de gegevens in de aangiften. Dat naderhand is gebleken dat de indeling van de goederen in de aangiften in strijd was met het Unierecht, betekent naar het oordeel van de rechtbank dus niet dat de heffing op basis van de gegevens in de aangiften ook in strijd zou zijn met het Unierecht.

15. De “strijd met het Unierecht” zoals beschreven in de arresten waarop belanghebbende zich beroept, ziet op andere situaties dan de onderhavige. Zo is in het arrest Wortmann de verordening op grond waarvan de invoerrechten werden geheven nietig verklaard. In het arrest Flexi Montagetechnik GmbH & Co. KG heeft de douane de door de belanghebbende correct aangegeven GN-post gewijzigd naar een onjuiste GN-post. Bovendien heeft het Hof van Justitie in het Wortmann-arrest (punt 27. En verder) uitdrukkelijk verwezen naar situaties als de onderhavige, waarin geen rente wordt vergoed over het terug te betalen bedrag aan invoerrechten. De rechtbank wijst tot slot nog naar het oordeel van het Hof van Justitie in de zaak Dinkelland waaruit volgt dat een foutieve btw-aangifte niet leidt tot vergoeding van rente.

Slotsom

16. De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat de invoerrechten niet in strijd met het Unierecht zijn geïnd. Verweerder is daarom niet gehouden rente over de terugbetaalde invoerrechten te vergoeden, zodat ook geen rente over rente is verschuldigd. Het beroep is ongegrond. Dit betekent dat het besluit van 24 november 2021 in stand blijft.

17. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. C.A. Schreuder, voorzitter, en mr. C.M. van Wechem en mr. W.M.C. Schipper leden in aanwezigheid van drs. M.A.J. Arts, griffier.

De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 10 maart 2026.

griffier voorzitter

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de douanekamer van het gerechtshof Amsterdam, Postbus 1312, 1000 BH Amsterdam, waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van het gerechtshof Amsterdam vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl NLF 2026/1623 Douanerechtspraak 2026/102
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand