RECHTBANK NOORD-HOLLAND
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Zaanstad
Zaaknummer: 11516807 \ CV EXPL 25-280 (MdR)
Vonnis van 16 juli 2026
in de zaak van
1. [eiser sub 1] ,
2. [eiseres sub 2],
allebei te [woonplaats] ,
hierna samen te noemen: [eisers] ,
gemachtigde: mr. L.M. van Ooij-Jongejan,
eisende partijen,
tegen
1. [gedaagde sub 1] ,
2. [gedaagde sub 2],
allebei te [woonplaats] ,
hierna samen te noemen: [gedaagden sub 1 en 2] ,
gemachtigde: mr. R. de Leeuw,3. DEGELING BEHEER B.V.,
te Wormerveer,
gemachtigde: [naam] ,
hierna te noemen: Devason,
gedaagde partijen.
De zaak in het kort
In deze zaak gaat het om de vraag of gedaagden de door kopers van een woonark geleden schade als gevolg van gebreken moeten vergoeden. De vordering op de verkopers wordt afgewezen. In de koopovereenkomst is een rechtsgeldige van de wet afwijkende bepaling opgenomen waardoor verkopers niet aansprakelijk zijn. Het beroep van verkopers op deze bepaling is niet naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar. Er is geen sprake van (wederzijdse) dwaling. De vordering op de partij die werkzaamheden aan het dak heeft uitgevoerd wordt toegewezen, omdat deze niet ter zitting is verschenen en de vordering voldoende is onderbouwd.
1. De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit het tussenvonnis van 8 januari 2026.
Ingevolge dit tussenvonnis heeft uiteindelijk op 2 juni 2006 een zitting plaatsgevonden. [eisers] en [gedaagden sub 1 en 2] zijn verschenen. Devason, die behoorlijk is opgeroepen, is niet verschenen. De griffier heeft aantekeningen gemaakt van wat de verschenen partijen ter toelichting van hun standpunten, mede aan de hand van overgelegde spreekaantekeningen, naar voren hebben gebracht. Voorafgaand aan de zitting hebben [gedaagden sub 1 en 2] bij brief van 22 mei 2026 nog stukken toegezonden.
Ten slotte is vonnis bepaald.
2. De feiten
[eisers] zijn eigenaar van de woonark aan het adres [adres] in [woonplaats] (hierna: de woonark). [eisers] hebben de woonark op 29 juli 2021 mondeling en op 13 augustus 2021 schriftelijk voor een prijs van € 952.000,00 v.o.n. van [gedaagden sub 1 en 2] gekocht.
In de tussen [eisers] en [gedaagden sub 1 en 2] gesloten koopovereenkomst staat onder andere:
“(…) hebben op 29-07-2021 mondelinge koopovereenkomst gesloten waarbij zij zijn overeengekomen dat verkoper verkoopt en levert aan koper (…) in de zichtbare staat waarin het zich op het moment van het tot stand komen van deze overeenkomst bevindt, behoudens gebruikelijke slijtage, met alle zichtbare en onzichtbare gebreken en zoals gezien, waarvan partijen geen nadere omschrijving verlangen, (…)
-3- ONTBINDENDE VOORWAARDEN:
(a) Deze overeenkomst kan tot uiterlijk 30-08-2021 worden ontbonden indien (…) waardoor de gewenste continuering van het huidige gebruik onzeker is. (…)
(b) INZAKE FINANCIERING: ontbinding kan plaatsvinden (…) deze clausulering komt van rechtsweg te vervallen op 15-09-2021,
(d) EXPERTISE: koper heeft het recht om inoverleg met de verkoper de woonark te laten taxeren door een deskundig boottaxateur van zijn keuze. Indien bij deze taxatie eventueel wezenlijke gebreken worden aangetoond, zal verkoper in de reparatiekosten voorzien,
Ontbinding op grond van één der opgenomen ontbindende voorwaarden zoals beschreven in artikel - 3-, dient te geschieden binnen 48 uur na het verstrijken van de hierboven genoemde termijnen, (…)
-7- (…) Alle aanspraken die verkoper ten aanzien van het verkochte kan of zal kunnen doen gelden tegenover derden, waaronder begrepen bouwers, aannemers, installateurs en leveranciers gaan over op de koper.”
[eisers] hebben de woonark visueel laten inspecteren en taxeren door Kok Woonbotenmakelaar. Het taxatierapport is op 17 augustus 2021 opgemaakt. In het taxatierapport staat onder andere: “Het betreft een zeer fraaie, ruime en degelijk gebouwde watervilla.”
De woonark is op 15 november 2021 aan [eisers] geleverd.
[eisers] hebben voor een af te sluiten verzekering een taxatie- en acceptatiekeuring, een visuele technische inspectie, uit laten voeren door Duursma & Versluijs BV. Op 17 november 2021 is het inspectierapport opgemaakt.
Devason heeft in 2020 in opdracht van [gedaagden sub 1 en 2] diverse werkzaamheden aan de woonark uitgevoerd. Devason heeft de volledige bitumendakbedekking vernieuwd en de dakpanplaten vervangen. Daarnaast zijn er zonnepanelen geleverd en gemonteerd door Solar Zaanstad BV. Bij brief van 22 mei 2020 heeft Devason onder andere het volgende verklaard:
“(…) De garantie geldt met ingang van de onderstaande datum, voor een periode van 10 jaar, mits de aanneemsom volledig is betaald. Alle lekkages, die gedurende deze periode ontstaan tengevolge van het feit dat de kwaliteit van het geleverde materiaal niet mocht blijken te zijn of dat het materiaal niet op de juiste wijze mocht blijken te zijn aangebracht worden onmiddellijk door haar of voor haar rekening hersteld zodra zij hiertoe het verzoek zal hebben ontvangen. (…)”
In de winter van 2022 is sprake geweest van ernstige lekkages afkomstig van het dak van de woonark. De door [eisers] ingeschakelde aannemer heeft samen met een constructeur, Ingenieursbureau Dijkstra b.v., op 14 april 2023 onderzoek verricht. Op 20 april 2023 is het een rapport uitgebracht. De conclusie is - kort gezegd - dat de balkenconstructie van de woonark niet voldoet en dat het dak niet geschikt was om zonnepanelen op te plaatsen.
Op 20 oktober 2023 hebben [eisers] Devason in gebreke gesteld. Devason heeft hierop niet gereageerd.
Op 25 oktober 2023 hebben [eisers] [gedaagden sub 1 en 2] in gebreke gesteld. Op 20 november 2023 heeft (de gemachtigde van) [gedaagden sub 1 en 2] gereageerd. Zij hebben de gebreken betwist en verwezen naar Devason.
[eisers] hebben TOP Expertise BV ingeschakeld. Op 17 januari 2024 is in aanwezigheid van alle partijen onderzoek verricht. Op 7 februari 2024 is het expertiserapport opgemaakt. Uit het expertiserapport volgt dat de dakbedekking niet deugdelijk en niet waterdicht is uitgevoerd en dat de dakconstructie niet voldoet aan de constructieve eisen.
[gedaagden sub 1 en 2] en Devason zijn op 2 april 2024 en 2 mei 2024 opnieuw door [eisers] gesommeerd. Er is geen gehoor gegeven aan deze sommaties.
Bij brief van 23 augustus 2024 hebben [eisers] [gedaagden sub 1 en 2] op de hoogte gebracht van nieuwe geconstateerde gebreken. Zij hebben in de gymruimte, die zich in de betonbak bevindt, grote vocht- en lekkageplekken en doorgerot hout geconstateerd. Er heeft op 9 oktober 2024 in aanwezigheid van [gedaagden sub 1 en 2] opnieuw een expertise plaatsgevonden door TOP Expertise.
Bij brief van 17 oktober 2024 hebben [gedaagden sub 1 en 2] aansprakelijkheid afgewezen.
Uit het rapport van TOP Expertise over de nieuwe gebreken van 18 november 2024 volgt dat er sprake is van vochtschade aan de ondervloerconstructies van de gymruimte, de wasruimte en de pompruimte als gevolg van een jarenlange lekkage die naar schatting tussen de 5 en 10 jaar heeft geduurd.
Op 3 januari 2025 is in opdracht van [gedaagden sub 1 en 2] een contra-expertise uitgevoerd door ECHT Vastgoed Advies B.V. Op 11 april 2025 is het rapport opgesteld. Uit dit rapport zijn diverse gebreken gebleken. Bij brief van diezelfde datum hebben [gedaagden sub 1 en 2] nogmaals aansprakelijkheid van de hand gewezen.
3. Het geschil
[eisers] vorderen - samengevat en na wijziging van eis - veroordeling van [gedaagden sub 1 en 2] en Devason tot betaling van € 6.579,74 aan herstelkosten, de expertisekosten van € 2.032,80 en de buitengerechtelijke kosten van € 851,83, te vermeerderen met wettelijke rente en met veroordeling in de proceskosten. [eisers] leggen aan de vordering ten grondslag dat Devason toerekenbaar tekort is geschoten in de nakoming van de tussen haar en [gedaagden sub 1 en 2] gesloten aanneemovereenkomst(en). Er zijn gebreken aan de door Devason aangelegde dakbedekking en er ontbreken rozetten en randstroken. Devason heeft expliciet een garantie gegeven van 10 jaar en die termijn is nog niet verstreken. De vordering van [gedaagden sub 1 en 2] op Devason is op grond van artikel 7 van de koopovereenkomst en de wet overgegaan op [eisers] hebben Devason in gebreke gesteld. Devason heeft geen gebruikgemaakt van de kans om de gebreken te herstellen en verkeert in verzuim. [eisers] maken aanspraak op vervangende schadevergoeding. De herstelkosten zijn geraamd op € 6.579,74. [gedaagden sub 1 en 2] en Devason zijn op grond van de wet hoofdelijk aansprakelijk voor deze kosten.
[eisers] vorderen daarnaast - samengevat en na wijziging - primair voor recht te verklaren dat de vordering tot nakoming is omgezet in een vordering tot vervangende schadevergoeding. Subsidiair vorderen zij de koopovereenkomst partieel te ontbinden. Meer subsidiair vorderen zij nadeelsopheffing wegens wederzijdse dwaling en uiterst subsidiair vorderen [eisers] [gedaagden sub 1 en 2] te verplichten tot nakoming van artikel 3 sub d van de koopovereenkomst dusdanig dat zij de reparatiekosten moeten betalen. Verder vorderen [eisers] veroordeling van [gedaagden sub 1 en 2] tot betaling van € 145.946,48 aan overige herstelkosten, € 4.404,05 aan expertisekosten en € 2.703,70 aan buitengerechtelijke kosten, te vermeerderen met wettelijke rente. [eisers] leggen aan de vordering ten grondslag dat de woonark niet de eigenschappen bezit die zij mochten verwachten. Aan de woonark blijken ernstige gebreken te kleven waar [eisers] niet op bedacht zijn geweest of hoefden te zijn en waardoor de woonark niet de eigenschappen bezit die voor een normaal gebruik als woning nodig zijn. Er is sprake van non-conformiteit en van een wezenlijk gebrek als bedoeld in artikel 3 onder d van de koopovereenkomst. [eisers] hebben [gedaagden sub 1 en 2] in gebreke gesteld. Er is geen gehoor gegeven aan de ingebrekestelling, zodat [gedaagden sub 1 en 2] in verzuim verkeren.
[gedaagden sub 1 en 2] voeren verweer. [gedaagden sub 1 en 2] betwisten enige vergoeding aan [eisers] verschuldigd te zijn en voeren daartoe - samengevat - het volgende aan. Artikel 7:17 BW is bij de koop van een woning (woonark) van regelend recht. Het is geoorloofd af te wijken van de wet en dat is in dit geval gedaan. Een na de levering ontdekt feitelijk gebrek levert geen tekortkoming op in de nakoming van de overeenkomst met als gevolg dat de herstelkosten voor rekening van [eisers] komen. [gedaagden sub 1 en 2] zijn niet aansprakelijk voor de vermeende gebreken. Er is geen sprake van een gebrek, althans geen ernstig gebrek. Voor zover een gebrek aanwezig zou zijn, dan komt dit gebrek conform de koopovereenkomst voor rekening van [eisers] Een beroep op dwaling of op wederzijdse dwaling kan niet slagen. De vordering tot nakoming van artikel 3 sub d van de koopovereenkomst mist een grondslag.
Ook Devason voert verweer. Zij voert daartoe aan dat het absoluut niet het geval is dat de dakbedekking ondeugdelijk is aangebracht. Het ontbreken van (extra) randstroken en rozetten doet niets af aan de geleverde kwaliteit. Het leveren en plaatsen van de zonnepanelen is uitgevoerd door een derde partij. Bij het opnemen van de werkzaamheden is niets gebleken van een zwak of instabiel dakbeschot. Ook tijdens de werkzaamheden is hierbij niets waargenomen. Een zwak dakbeschot leidt niet tot aansprakelijkheid van de dakdekker of het zonnepanelenbedrijf; dit zijn verborgen gebreken.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.
4. De beoordeling
Het gaat in deze zaak met name om de vraag of [gedaagden sub 1 en 2] en Devason moeten worden veroordeeld tot betaling van € 6.579,74 aan herstelkosten, en of de koopovereenkomst tussen [eisers] en [gedaagden sub 1 en 2] (gedeeltelijk) moet worden te ontbonden, dan wel [gedaagden sub 1 en 2] moeten worden veroordeeld tot betaling van € 145.946,48.
De kantonrechter acht zich bevoegd om van de vorderingen kennis te nemen, ook al overtreft één van de vordering een bedrag van € 25.000,00, omdat dit vanuit proceseconomisch oogpunt wenselijk is en tussen de diverse vorderingen samenhang bestaat. Partijen hebben ook gevraagd om, dan wel zich niet verzet tegen behandeling van alle vorderingen door de kantonrechter.
De vordering op [gedaagden sub 1 en 2]
[eisers] en [gedaagden sub 1 en 2] hebben een overeenkomst gesloten voor de (ver)koop van de woonark. In de wet is bepaald dat de afgeleverde zaak aan de overeenkomst moet beantwoorden. Deze bepaling is van regelend recht, zodat partijen in de koopovereenkomst daarvan afwijkende afspraken kunnen maken. Partijen hebben dat gedaan en zijn een zogeheten ‘as is where is’-clausule overeengekomen. [eisers] hebben de woonark in de staat waarin deze zich bevond met alle zichtbare en onzichtbare gebreken aanvaard waarbij het risico voor gebreken dus geheel bij hen ligt. In artikel 3 van de koopovereenkomst is onder d bepaald dat koper heeft het recht om de woonark te laten taxeren door een deskundig boottaxateur en dat, indien bij deze taxatie eventueel wezenlijke gebreken worden aangetoond, verkoper in de reparatiekosten zal voorzien.
[eisers] voeren aan dat artikel 3 onder d van de koopovereenkomst een uitzondering is op de ‘as is where is’-clausule voor zover het gaat om wezenlijke gebreken en dat er daarbij geen beperking in tijd geldt. [gedaagden sub 1 en 2] betwisten deze uitleg. Zij voeren aan dat [eisers] voordat de woonark geleverd zou worden een taxatierapport op konden laten maken. Indien uit dat rapport wezenlijke gebreken zouden blijken, zouden zij in de reparatiekosten voorzien. Artikel 3 onder d van de koopovereenkomst is een toelichting op de ontbindende voorwaarde en geen garantie, aldus [gedaagden sub 1 en 2]
Partijen verschillen van mening over hoe de koopovereenkomst moet worden uitgelegd. Een overeenkomst moet worden uitgelegd aan de hand van de zogenoemde Haviltex-maatstaf. Bepalend daarbij zijn niet alleen de bewoordingen van de overeenkomst, maar ook de zin en betekenis die partijen in de gegeven omstandigheden over en weer redelijkerwijs aan de bepalingen van de overeenkomst mochten toekennen en wat zij ten aanzien daarvan redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten.
De koopovereenkomst is een standaardovereenkomst die is opgesteld door de verkoopmakelaar van [gedaagden sub 1 en 2] waarover partijen niet afzonderlijk hebben onderhandeld. In dat geval komt veel belang toe aan de tekst van de artikelen, bezien in verband met de overige inhoud van de overeenkomst en de aannemelijkheid van de uit het artikel voortvloeiende rechtsgevolgen.
De kantonrechter is van oordeel dat de strekking van artikel 3 onder d van de koopovereenkomst niet anders kan worden uitgelegd dan dat [eisers] onderzoek konden laten doen naar wezenlijke gebreken voordat de woonark aan hen geleverd zou worden en dat het artikel geen werking meer heeft na de levering. De bepaling staat onder het kopje ‘Ontbindende voorwaarden’ waarbij wordt verwezen naar 30 augustus 2021, 15 september 2021 en een termijn van 48 uur. Als het standpunt van [eisers] zou worden gevolgd, zou dat tot betekenen dat er zonder enige beperking nog tot in lengte van dagen, zelfs na tientallen jaren, nog een beroep op artikel 3 onder d van de koopovereenkomst zou kunnen worden gedaan. Het is niet aannemelijk dat dat de bedoeling van partijen is geweest. Bovendien staat in het betreffende artikel dat [gedaagden sub 1 en 2] in de reparatiekosten zullen voorzien als bij deze taxatie wezenlijke gebreken worden aangetoond en niet bij een taxatie in het algemeen.
Geen tekortkoming in de nakoming van de koopovereenkomst
[eisers] leggen in de basis aan hun primaire en subsidiaire vordering ten grondslag dat sprake is van een tekortkoming in de nakoming van de koopovereenkomst, omdat sprake is van gebreken aan de woonark. De kantonrechter volgt hen daarin niet. Hierna wordt uitgelegd waarom.
[eisers] doen in dat kader een beroep artikel 3 onder d van de koopovereenkomst. Op grond van dat artikel moeten [gedaagden sub 1 en 2] volgens [eisers] de reparatiekosten als gevolg van de wezenlijke gebreken vergoeden. Een beroep op dit artikel kan geen grond zijn voor toewijzing van de vordering.
[eisers] hebben vóór dan wel rondom de levering van de woonark onderzoek laten doen door Kok Woonbotenmakelaar en door Duursma & Versluijs. Uit deze onderzoeken zijn geen wezenlijke gebreken naar voren gekomen. [eisers] hebben destijds dan ook geen beroep gedaan op artikel 3 onder d van de koopovereenkomst. Het is de keuze geweest van [eisers] om geen aankoopmakelaar in te schakelen of een bouwkundige keuring uit te laten voeren. De kantonrechter begrijpt de tijdsdruk waaronder de koop is gesloten, maar dat [eisers] hebben afgezien van (nader) onderzoek komt voor hun rekening en risico. Dat geldt temeer gelet op de ‘as is where is’-clausule in de koopovereenkomst, het bepaalde in artikel 3 onder d van de koopovereenkomst en het feit dat op het moment dat de woonark in eigen beheer is gebouwd in 2001 er nog geen bouwvoorschriften van toepassing waren. Het had mede daarom op hun weg gelegen vóór de levering van de woonark onderzoek te laten doen naar mogelijke wezenlijke gebreken. Dat de woonark er goed onderhouden uitzag en [eisers] geen aanleiding hadden om te twijfelen aan de staat waarin de woonark zich bevond, maakt dat niet anders.
Het beroep van [gedaagden sub 1 en 2] op de afwijkende contractuele regeling in de koopovereenkomst slaagt dus. Dit zou anders kunnen zijn als het beroep in de gegeven omstandigheden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is. Dat is echter niet het geval. Niet is gebleken dat [gedaagden sub 1 en 2] een op hen rustende mededelingsplicht hebben geschonden. Uit de overgelegde stukken en uit wat ter zitting is besproken, valt op geen enkele manier af te leiden dat [gedaagden sub 1 en 2] wetenschap hebben gehad van enige gebreken en dit hebben verzwegen. [gedaagden sub 1 en 2] hebben melding gemaakt van een probleem met de rioolpompen en de stoppengroep, om [eisers] erop te wijzen dat ze daar alert op moesten zijn. Er is melding gemaakt van waterschade aan de laminaatvloer in de gym als gevolg van de problemen met de rioolpomp. Ook van lekkage in de slaapkamer hebben zij melding gemaakt. [gedaagden sub 1 en 2] hebben voldoende toegelicht en onderbouwd dat zij niet wisten van meer of andere gebreken. Niet is gesteld of gebleken dat er een andere grond zou kunnen zijn waarom het beroep van [gedaagden sub 1 en 2] naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is.
Gelet op het voorgaande stuiten de vorderingen van [eisers] al af, voor zover zij gebaseerd zijn op een tekortkoming in de nakoming van de overeenkomst.
Geen (wederzijdse) dwaling
[eisers] doen meer subsidiair een beroep op dwaling en wederzijdse dwaling. Een overeenkomst die is tot stand gekomen onder invloed van dwaling en bij een juiste voorstelling van zaken niet zou zijn gesloten, is vernietigbaar indien de wederpartij in verband met hetgeen zij omtrent de dwaling wist of behoorde te weten, de dwalende had behoren in te lichten of indien de wederpartij bij het sluiten van de overeenkomst van dezelfde onjuiste veronderstelling als de dwalende is uitgegaan, tenzij zij ook bij een juiste voorstelling van zaken niet had behoeven te begrijpen dat de dwalende daardoor van het sluiten van de overeenkomst zou worden afgehouden.
Hiervoor is al overwogen dat [gedaagden sub 1 en 2] de op hen rustende mededelingsplicht niet hebben geschonden. Niet is gebleken dat [gedaagden sub 1 en 2] op het moment van sluiten van de koopovereenkomst wetenschap hadden van enige gebreken of van deze gebreken behoorden te weten en dat zij deze gebreken hebben verzwegen. [gedaagden sub 1 en 2] kunnen dan dus ook niet worden verweten dat [eisers] niet hebben ingelicht, zodat het beroep op dwaling niet slaagt.
Het beroep op wederzijdse dwaling slaagt ook niet. Zoals blijkt uit wat hiervoor al is overwogen, zijn [gedaagden sub 1 en 2] immers van dezelfde onjuiste veronderstelling als [eisers] uitgegaan en hebben onder invloed daarvan de koopovereenkomst gesloten. Vernietiging van de overeenkomst, of nadeelsopheffing zoals gevorderd door [eisers] , kan niet worden gegrond op een dwaling die in verband met de aard van de overeenkomst, de in het verkeer geldende opvattingen of de omstandigheden van het geval voor rekening van de dwalende behoort te blijven. Omdat [gedaagden sub 1 en 2] hun mededelingsplicht niet hebben geschonden, in de koopovereenkomst een ‘as is where is’-clausule staat en uit de in opdracht van [eisers] verrichtte keuringen geen wezenlijke gebreken naar voren zijn gekomen, behoort de wederzijdse dwaling voor rekening van [eisers] te komen. Dat [eisers] geen uitvoerige keuring hebben laten verrichten, komt voor hun rekening en risico en kan niet aan [gedaagden sub 1 en 2] worden tegengeworpen.
Conclusie
De conclusie is dat de kantonrechter de vordering van [eisers] op [gedaagden sub 1 en 2] zal afwijzen. Omdat hiervoor is geoordeeld dat er geen grond is voor aansprakelijkheid van [gedaagden sub 1 en 2] , kan de aard en de omvang van de gebreken in het midden blijven.
De vordering op [gedaagden sub 1 en 2] en Devason
[eisers] hebben bij akte hun vordering gewijzigd c.q. vermeerderd. [eisers] hebben de akte waarmee de eiswijziging is ingediend, tijdig voorafgaand aan de zitting kenbaar gemaakt aan Devason. De akte is op 27 november 2025 per post op de griffie ontvangen vóór de mondeling behandeling die gepland stond op 8 december 2025. Devason heeft daarmee voldoende tijd en gelegenheid gehad om daarop te reageren. Devason heeft dat niet gedaan en heeft dan ook geen bezwaar gemaakt tegen de wijziging. De kantonrechter ziet geen aanleiding de wijziging ambtshalve buiten beschouwing te laten wegens strijd met de eisen van een goede procesorde en zal uitgaan van de gewijzigde eis.
Devason is niet op de zitting van 2 juni 2026 verschenen, ondanks dat zij daartoe behoorlijk was opgeroepen. Er is namens Devason wel een e-mail gestuurd waarin staat dat zij niet aanwezig kon zijn in verband met een operatie van [naam] op 1 juni 2026, maar daarbij is niet verzocht om een andere datum. Gelet op de wettelijke regels was Devason verplicht om zelf op de zitting te verschijnen of om een volmacht te verstrekken en zich rechtsgeldig te laten vertegenwoordigen. Die verplichting staat ook in het procesreglement voor deze zaken, gepubliceerd op www.rechtspraak.nl.
Door ondanks een verplichting daartoe niet te verschijnen op de zitting, heeft Devason geen vragen van de kantonrechter kunnen beantwoorden en geen inlichtingen kunnen geven. Dat betekent ook dat zij de nadere toelichting van [eisers] ter zitting niet heeft weersproken. Dat komt voor rekening en risico van Devason, die ervoor heeft gekozen om niet te verschijnen. De kantonrechter verbindt daaraan ook het gevolg dat Devason de (nadere) stellingen van [eisers] onvoldoende heeft betwist, zodat die stellingen voor juist worden gehouden.
[eisers] hebben ter zitting (nogmaals) gesteld dat Devason toerekenbaar tekort is geschoten in de nakoming van de tussen haar en [gedaagden sub 1 en 2] gesloten overeenkomst(en) en hebben hun vordering nader toegelicht en onderbouwd. In het rapport van TOP Expertise wordt bevestigd dat de lekkages direct te herleiden zijn tot ondeugdelijk uitgevoerde dakbedekking en aansluitingen. Wat betreft de rozetten en de randstroken schrijft de Vakrichtlijn Gesloten Dakbedekkingssystemen deze expliciet voor en leidt het ontbreken daarvan tot een verhoogd risico op lekkage. Dit volgt ook uit het rapport van TOP Expertise. Devason heeft in de offerte overigens zelf randstroken opgenomen, maar niet uitgevoerd, aldus [eisers]
Deze stellingen van [eisers] worden, zoals hiervoor al overwogen, voor juist gehouden. De vordering van [eisers] om Devason te veroordelen tot betaling van de kosten van herstel van de dakbedekking en de kosten van ontbrekende rozetten en randstroken van € 6.579,74 ,wordt dan ook toegewezen.
[eisers] maken aanspraak op de vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten. De kantonrechter stelt vast dat aan de vereisten zoals gesteld in artikel 6:96 BW is voldaan. Daarmee is de vergoeding verschuldigd. Het gevorderde bedrag aan buitengerechtelijke incassokosten van € 851,83, dat is berekend volgens het wettelijk tarief dat hoort bij de hoofdsom waartoe Devason wordt veroordeeld, zal worden toegewezen.
Verder vorderen [eisers] vergoeding van de door hen gemaakte expertisekosten van € 2.032,80 (inclusief btw). [eisers] hebben redelijkerwijs kosten mogen maken ter vaststelling van schade en aansprakelijkheid. Ook de omvang van de (onbetwiste) expertisekosten is redelijk, zodat deze kosten worden toegewezen.
De door [eisers] gevorderde wettelijke rente wordt toegewezen, omdat Devason in verzuim verkeert en de gevorderde rente niet is betwist.
[gedaagden sub 1 en 2] hebben de vordering van [eisers] gemotiveerd betwist. Tegenover deze gemotiveerde betwisting hebben [eisers] hun vordering op [gedaagden sub 1 en 2] onvoldoende nader toegelicht en onderbouwd. Ook deze vordering van [eisers] op [gedaagden sub 1 en 2] wordt daarom afgewezen.
Proceskosten
De proceskosten (inclusief de nakosten) komen ten aanzien van de vorderingen van [eisers] op [gedaagden sub 1 en 2] voor rekening van [eisers] , omdat zij ongelijk krijgen. De proceskosten worden aan de kant van [gedaagden sub 1 en 2] begroot op € 2.020,00 (2 keer € 1.010,00) aan salaris gemachtigde en € 144,00 aan nakosten, te vermeerderen met de verhoging zoals vermeld in de beslissing.
De proceskosten voor wat betreft de vordering van [eisers] op Devason komen voor rekening van Devason, omdat zij ongelijk krijgt. Deze proceskosten worden begroot op:
dagvaarding € 148,04
griffierecht € 257,00
salaris gemachtigde € 720,00 (2 x € 360,00)
nakosten € 144,00 (plus de kosten van betekening zoals vermeld in
de beslissing)
totaal € 1.269,04.
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing. Een deel van de totale door [eisers] ingestelde vordering is niet toewijsbaar. Indien en voor zover aan [eisers] op grond van de dagvaarding meer griffierecht in rekening is gebracht dan waartoe Devason wordt veroordeeld, dient het meerdere voor rekening van [eisers] te blijven.
5. De beslissing
De kantonrechter
veroordeelt Devason tot betaling aan [eisers] van € 9.464,37, te vermeerderen met de wettelijke rente over € 6.579,74 vanaf 4 oktober 2023 en over € 2.884,63 vanaf 6 januari 2025 tot aan de dag van de gehele betaling;
veroordeelt Devason tot betaling van de proceskosten van [eisers] , die tot en met vandaag voor worden vastgesteld op € 1.269,04, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als Devason niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend en veroordeelt Devason tot betaling van de wettelijke rente over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,
veroordeelt [eisers] in de proceskosten van [gedaagden sub 1 en 2] ter hoogte van € 2.164,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [eisers] niet tijdig aan de veroordelingen voldoen en het vonnis daarna wordt betekend,
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,
wijst de vordering voor het overige af.
Dit vonnis is gewezen door mr. P.J. Jansen en in het openbaar uitgesproken op 16 juli 2026.